is toegevoegd aan uw favorieten.

Weekblad van het regt; verzameling van regtszaken, bouwstoffen voor wetgeving, mengelwerk, jrg 38, 1876, no 3960, 06-04-1876

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mi op het badhuis te Scheveningön, in 1872 als keUner in dienst 2!)nde, 20 bankbiljetten van /"1Ü00 van een daar gelogeerden Russischen baron had ontvangen, voor het met dezen plegen van onnatuurlijke handelingen.

Het voorloopig onderzoek te Amsterdam deed zien, dat de inschrijving op het Grootboek had plaats gehad na de moorden, en Wel 0p 17 April 1873.

De beschuldigden vestigden zich den 15 October in hun koffijhuis

Ritterdam.

Inmiddels bleek uit een ondervraging van de bedienden aan het hadhuis, en meer bepaald van den portier Johannes Willem Nelck: dat op de door hem overgelegde ten processe voorhanden lijst van vreemdelingen, die gelogeerd hadden in den vleugel van het hötel Waar Jut bediende, slechts één Rus voorkwam, zijnde volgens hem een lejaard man die zich alles behalve rijk voordeed zoowel in kleeding als bagage, die een kleine kamer had, oud en ziekedijk Was en bijna den geheelen dag op het balcon zat; dat hij getuige hij het vertrek der bedienden na afloop van het saisoen hun goed ®8ziet, en dat Jut bij zijn vertrek bijna niets bezat, terwijl hij dan °ok het beweren van Jut volkomen onaannemelijk hield.

Uit informatiën te Vught ingewonnen bleek, dat de beschuldigden 'ldaar van 3 Mei 1873 tot 18 Februari) 1874 hadden gewoond, eu veel geld hadden verkwist, o. a. gekocht een hond van ƒ400, donder dat Jut iets had uitgevoerd om in zijn onderhoud te Voorzien.

Hetzelfde resulteerde uit een proces-verbaal van den commissaris van politie te Delft dd. 16 Maart 1875, opgemaakt tijdens bij te Vught verblijf hield, die aldaar had vernomen dat de goede verstandhouding tusschen de beschuldigden en een hunner buren (J. F. Viensen) had opgehouden to bestaan, nadat diens vrouw eens a^n de tweede beschuldigde had toegevoegd: » die moordgeschiedenis in den Haag is verschrikkelijk en wat is 't vreemd dat daarvan "iets uitlekt", op het hooren waarvan vrouw Jut zich terstond had omgekeerd en gezegd: «op dien tijd was mijn man in den Haag en hield ik mij iu het buitenland op», waarna zij de woning verliet, iu Welke zij nimmer is teruggekeerd.

Naar luid eener mededeeling van Pietertje Elisabeth Hijne, huisVrouw van Joh. Idema, dd. 16 April 1875, die in het einde van 1872 in dezelfde woning als de moeder van Jut woonde, meende zij 'eker te weten, dat Jut in den nacht van 13/14 December 1872 "ifct te huis was geweest (zijnde zij later prod., 266, op die verklaring

teruggekomen).

Ken en ander deed het oog der justitie en politie te Rotterdam °p deze verdachten erastig gevestigd houden, en deed bijzonder de aandacht vallen op een den 28 April 1875 bij da politie te llotterdau] ingediende klagt vau Jan Roelfs, die twee uageti te voren met Jut in diens koffijhuis onder het gebruik van sterken drank , in tegenwoordigheid van Mattbijs Bohuen, aau het praten was gegaan, onder anderen over do geestenwereld, over spiritisme eu over deu gepleegden moord, waarop hij aan Jut hail gevraagd: »iioe hij toch aan zooveel geld kwam,» waarop Jut een kleur kreeg eu niets antwoordde ; *

dat hij, Roelfs, met Jut doorpratende, dezen gedwongen had de Waarheid te zeggen, met bijvoeging dat hij er ook wat vari moest hebben en hem dan zou helpen, wanneer Jut eindelijk zeide : »ik heb het gedaan,» daarmede don moord bedoelende;

dat getuide onmiddellijk op die bekentenis vau achteren eeu lievigen slag op liet hoofd kreeg en ten bloede verwond is geworden, "onder dat hij weet wie dit gedaan heelt, doch dat Jut het niet heeft kunnen doen, en dat Leupe en Dekker toen niet in de herberg wai en;

dat hij 's avonds om 9 uur in de herberg is teruggekeerd en teen m tegenwoordigheid van eeuen agent van politie en vau Adrianus Bazuin gezegd heeft, dat Jut hem bekend had deu moord te hebben begaan.

Met Jut was Roelfs in kennis geraakt, ten gevolge van zijn aanbod om zijne affaire te verkoopen, waaromtrent aan getuige informatiën Waren gevraagd.

Later had getuige met Jenk het plan gemaakt om naar aanleiding der loopende praatjes Jut gade te slaan; twee dagen later (28 April) W'as getuige in de woning van Jut teruggekeerd eu toen door dezen bij de keel gepakt, doch door Jenk ontzet.

Volgens ue getuige Johanna Jaspers eu ïheodorus Cornelis Dekker zou Roelfs door zekeren Leupe gewelddadig zijn aangegrepen omdat hij, die gezegd had dat vrouw Jut bij Mevr. van der Itouweu gewend had en dat men Jut op den mooid aanzag, dit niet wilde herhalen in tegenwoordigheid vau Leupe en Dekker, iets wat Roelts Veitineut is blijven ontkennen.

Aau Johannes Christiaan Hendrik Jenk had Jut juist in die dagen °Pgedragen zijne zaak voor ƒ 3200 over te doen, daar hij naar Afrika Wilde gaan, waar men vrijer kon leven daa in Holland: over den verkoop was men dan ook in onderhandeling met vau der Vecht to ■Ueifehaven.

Alle de hiervoren vermelde omstandigheden gaven aanleiding dat de Regtbank te Rotterdam op deu 11 Mei 1875 verlof gaf tot het doen eener huiszoeking in de woning der beschuldigden, welke denzeifden dag door den heer Regter-Commissaris in tegenwoordigheid van den Officier van Justitie plaats had.

Behalve onderscheidene gouden en zilveren voorwerpen en beschreven papieren, werd toen nog in hesiag genomen een beschreven papiertje aanvangende met de woorden : «Zie hier hetgeen ik weet, mijn brave lieve vrouw, van 'tgeen er is te zien in de Hoofdkerk van Tergouw enz.» (S. v. O, III).

Dat papiertje werd herkend door "Willem Karei Frederik Zwierzina Nieolaas van Heusden , Jannigje ilermina Wijdom en AllegondaMaria van der Lee, huisvrouw van Willem van Loon, als to zijn geschreven door den heer van der Kouwen, en volgens opgaaf van den als zoo«anig beëedigden deskundige Wilhelmus Albortus Ludovicus Legeheke, waren daarop vlekjes waar te nemen, die naar zijn oordeel door bloed veroorzaakt konden zijn, terwijl Mevr. van der Kouwen dergelijke door haar man geschreven papieren , volgens hare bekenden niet aan anderen weggaf.

Tegen de beschuldigden werd op den 31 sten Mei jl. door den Regter-Commissaris verleend een bevel van voorloopige aanhouding, ter zake van de misdaden aan het slot dezer vermeld, netwelk up den aden Junij d. a. v. door de Regtbank te Rotterdam met verlening van ïegtsingaug werd bekrachtigd.

De alsnu gevolgde instructie bragt ten bezware der beschuldigden duidelijker en nader aau het licht de navolgende omstandigheden :

lo, dat de mooid gepleegd moest zijn deor personen, in de woning der verslagenen goed bekend, daar men gewacht had om binnen te gaan tot Jutvrouw Vau Heusden het huis verlaten had en omdat ®t®n niets uit de benedenkamers had gestolen, waar zich alleen zilver hevond, hetwelk bszwaariyk was rneüe te voere», terwijl bovendien Ue hondjes, die zetr waakseh waren, met siehoord waren, en ue

Uien bels niet zijn opengebiokeu, maar aiie geopend niet de daarvoor bestemde sleutels.

De eerste beschuldigde kwam meestal tweemaal :s weeks zijr.e Aanstaande bezoeken; Mevrouw Van der Kouwen hield van hemen tet hem wei bij haar boven komen; eens toen zg uit was, had hy fcr op de bovenvoorkamer koffij gedronken, en hij was nog met zijne

aanstaande bij de weduwe geweest, nadat zij die dienst had verlaten; aan haar waren de hondjes goed bekend, en ze hielden veel van haar (getuige Van Heusden geb. Bischoff, vrouw van Loon geb. Van der Lee en M. Slap).

Die hondjes zijn volgens de latere verklaring van Mevr. van Vleuten ria den moord bij haar in huis opgenomen , en het heeft hare aandacht getrokken , dat terwijl ze vroeger op hinderlijke wijve aansloegen of blaften , zij dit sedert dien tijd niet meer deden. Toen zij de tweede beschuldigde daarop opmerkzaam mankte, antwoordde deze, dat dit welligt het gevolg kon zijn dat hun iets was ingegeven, om het blaffen af te wennen.

2o. Jut, die beweerd had in den avond van den moord te huis te zijn geweest, was integendeel volgens een lid zijner familie en getuige Maria Elisabeth Lubbina Idema, omstreeks 8 uur uitgegaan en eerst tegen 2 uur in den nacht te huis gekomen.

3o. Eveneens was zij.i medebeschuldigde, blijkens de opgave van haar kameraad , dien avond tegen 8 uur door Jut afgehaald en uitgegaan, en eerst 's nachts te ruim één uur te huis gebragt door Jut.

Zulks wordt bevestigd door de heer van Vleuten en zijne vrouw Anna Maria ten Cate, vau welke zij verlof had gekregen oin uit te gaan op haar voorgeven dat haar vader jarig was, doch onder voorwaarde dat zij vóór elf uur te huis zou zijn.

Toen intusochen de heer van Vleuten ten 12 uur te hu:s kwam, was zij nog niet teruggekeerd; deza heeft de andere meid 's nachts om één uur moeten opschellen, om de deur te openen voor de toen terugkeerendfl tweede beschuldigde.

Ilaar vader was niet dien dag, maar den 12den Julij (prod. 503) jarig, en zij was niet 12 uur bij hare zuster Adriana geweest, zoo als zij had voorgegeven.

4o. In den morgen van 14 December is Jut eerst ten 12 uur opgestaan, nadat hy door een zijner zusters pekdraad en daarna hechtpleister had lateu halen, waartoe zij een rijksdaalder uit zijn zak hail genomen.

Hij had toen aan de hand gesneden wonden, zijne moeder heeft hem met de pleister verbonden, zijne zusters zagen hem daarmede den volgenden dag en hij beweerde dat de wond veroorzaakt was door het vallen van de trap en het zich bezeeren aan een spijker.

5o. Het bezit van geld na den moord, terwijl Jut 's avonds te voren geen geld bad, ja eenigen tijd vroeger van zijne moeder /' 10 had geleend, welke hij kort na den moord had teruggegeven.

Ook de tweede beschuldigde had volgens haar moeder, geen geld; eenmaal, twee jaar vóór haar huwelijk, had zij ƒ 50 geërfd.

Niettemin waren bij het huwelijk voor kleeding als anderzins aanzienlijke uitgaven gedaan (getuige M. E. L. Idema).

Bij het inzegenen van het huwelijk in de Kloosterkerk eu de daarop gevolgde receptie was C. J. van Vleuten tegenwoordig.

6o. Op den avond na den moord was Jut met een zijner zusters gegaan naar do svooing van den Heer Van Vleuten, waar zijne medebeschuldigde hem de deur opende, de woorden uiten ie: «oGoll Henri het is bekend, jufvrouw Van Heusden is hier», waarna de beschuldigden te zamen onmiddellijk druk in gesprek de Trompstraat zijn ingegaan, en na een kwartier over onverschillige zaken sprekende zijn teruggekeerd.

7o. Na hun huwelijk op 19 Februarij 1873 hebben de beschuldigden, die het steeds wilden doen voorkomen, alsof te tot hun vertrek naar Vught (Mei 1873) hier ter stede verbleven waren, slechts gedurende twee U drie weken te 's Gravenhage hun verbliji gehouden bij hunne familie, en zijn daarna op een Zaturaag (8 Maart 1873 viel op Zaturdag) vertrokken. De familie had niet met zekerheid geweten, waar zij zich bevonden hadien, dech was in do meening dat Jut als kellner of oberkelluer dienstbaar was iu het Amsteihöiel te Amsterdam.

Getuige Idema, dia slechts 2 b, 3 koffers door het echtpaar had zien medenemen doch geeno meubelen, was op hare desbetreffende opmerking geantwoord.- dat zij te Amsterdam gemeubeleerd gingen wonen.

Bij onderzoek door de grootmoeder van Jut te Amsterdam ingesteld, was gebiekeu dat hij niet in gezegd hötel in dienst was.

Vóór 7 Augustus 1873, foen per brief de geboorte van hun kind uit Vught werd gemeld, had vrouw Hafner niets van de beschuldigden vernomen, dan dat hare dochter Cato, Jut den eersten beschuldigde 6 of 7 weben na ziju vertrek uit hare woning, in den Haag had ontmoet, en ƒ 2.50 van hem had gekregen om die ontmoeting te verzwijgen.

8o. Gelijk gezegd is, beweerden beschuldigden na het verlaten van 's Gravenhage zich terstond te Vught te hebben gevestigd.

In Mei 1873 betrokken ze aldaar een huis van Johannes Franeiscus Vrensan, gelegen naast zijne woning, leefden aldaar zeer rijkelijk, kochten veel, gaven groo'e fooijen, aten en dronken goed, en verteerden in één wcord veel geld.

Jut hield drie groote honden; een er van een Newfoundlander had hij gekocht voor ƒ 400 van den predikant Jan Pieter de Meijere to Culemborg, die het dier zelf was komen brengen, en ten processe heeft overge.egd de brieven door Jut aan hem over deu koop geschreven (in prod. 24lj. Deze hond werd in den tuin op den man geleerd.

Op welke wijze zij in hun onderhoud voorzagen was onbekend, want Jut deed niets.

Tot tydverdrijf schoten ze in den tuin met geweren en andere vuurwapenen zelfs op kippen die aan een boom vastgebonden werden, en de vrouw was daarin nog meer ervaren dan Jut.

Zij hielden geene dienstbode tot op de geboorte van hun kind (blijknns extract geboren den 2deu Juli 1873) toen de destijds vijftienjarige Hendrika van der Steen tegen een Icon van 75 cents in de week met den kost, in haar dienst is gekomen.

Deze eu ook andere getuigen hadden hen in het bezit gezien van vele gouden kostbare voorwerpen.

Het gesprek met vronw Jut over den moord, door den Commissaris van Politie te Delft gerelateerd, werd door Catberine van de Winkel, huisvrouw van Johs. Vrensen, bij haar verhoor bevestigd.

Wanneer elit onderwerp ter sprake kwam, zwegen de beschuldigden er over en zagen elkander veelbeteekenend aan (getuigen t.Uemens Stoffel en Johannes Hendrik van Oers.)

Behalve aan Vrensen hadden zo aan van Oers eu Stoffels verhaald, dat ze in Engeland of Amerika getrouwd waren ornaat de lamme

logen net, nuwenjK was, en derwaarts hun huwelijksreis naacieu gemaakt, gaande heen en terug over Liverpool.

Aan laatstgenoemden werd zelfs een uitvoerig verhaal over de reis en het verblijf in Amerika gedaan, — eene beschrijving gegeven hoe moeijelijk men to New-York aan wal kwam, waar ze een maand waren gebleven iu een hötel, waar men met een bak naar boven werd geheschen, — en hoe de' wisselkantoren er verschilden van die hier te land.-.

Ook aau boord van de Maasstroom bij het vertrek naar de Kaap had Jut aan den hofmeester Hendricus Jacobus Veltrnau verhaald, dat hij een huwelijksreis naar Amerika had gemaakt.

9°. De omstandigheid dat J ut veel geli verteerde en dikwijls uit Vught naar Amstetdam ging, biykt nader uit de opgaven van Simon Servaas Ulricu, bevestigd door een later overgelegd extract uit het Groottoek (prod. 514), voigens hetwelk Jut van het ingeschreven kapitaal ad f 23000 4 pCt. heeft doen verkoopen, op 1 Julij en 25 Augustus

1873 telkens ƒ 300 en op 3 October eu 17 Novembjr 1873 telkens ƒ 1000, terwijl hij zelf alleen de opbrengst in ontvang kwam nemen.

liet restant sd ƒ 20.400 was 2 Januari 1874 verkocht voor ƒ 18693,36, bedrag overeenkomende met de nota op Jot door den Commissaris van politie Beukman in beslag genomen, welke is van de hand van den heer Spits en door ele/.en aan Jut gegeven.

Deze omstandigheid is later nog bevestigd door Johannes Spits, die het voormelde stuk heeft erkend als van hem af komstig, en verklaard heeft op verdoek van Uin'ch de verkoopen van tweemaal ƒ 300 en tweemaal /' 1000 te hebben bewerkstelligd, gelijk dit vermeld is in den brief van Z. E. den heer Minister van Financiën van 27 Septe über jl. (prod. 514), even als later de verkoop van ƒ 20.400 nominaal, waarvoor hij aan Uirich heeft betaald de som van ƒ 18693,36.

Het nog steeda door Jut volgehouden verhaal van den Ras, die hem f 20,000 zou hebben gegeven, werd door den Directeur van het Badhuis te Seheveningen Freelerik Johannes Schoor even onaannemelijk geacht als door Nelck.

Zij hebban nimmer iets van do relatie van Jut tot eeu Ras bespeurd, en zoo iets zou spoedig zijn uitgelekt, als wanneer de overige bedienden Jut zonden hebben laten loopen.

10°. De bekentenis die.de 2^e beschuldigde aan hare schoonmoeder te Vught zou hebben gedaan van den moord te hebben gepleegd.

De beschuldigden hadden bij de door hen ondergane verhooren gedurende de eerste weken na don verleenden regtsingang, alle schuld ontkend aan de misdaden hun daarbij ten laste geleed, en bij die ondervraging door de justitie in hoofdzaak op de "achtereenvolgens tegen hen gerezen eu hun voorgehouden bezwaren het navolgende opgegeven:

Jut had, na uit de militaire dienst op zijn 18de jaar ontslagen to zijn, in verschillende hötels zoo te Rotterdam als le 's Gravenhage als kellner gediend, terwijl Christina Goedvolk bij onderscheidene personen, meestentijds te 's Gravenhage, dienstbaar was geweest.

To zamen in dienst zijnde in het hotel Pico hier ter stede, hadden ze aldaar elkanders kennis gemaakt, welk logement in Maart 1872

door hen te zamen werd verlaten. Jut was gedurende den daarop gevolgden zomer kellner geweest aan het Groot Stedelijk Badhuis te Seheveningen, waar zijne medebeschuldigde hem dikwijls kwam bezoeken.

Toen zij iu den nazomer van dat jaar zonder dienst was en de Wed. van der Kouwen, Maartje Scbrevel had weggezonden, werd ze bij do Weduwe, door tusschenkomat van Mej. van Heusden, noodhulp. Met Novemter had zo zich verhuurd bij den Hr. en Mevr. van Vleuten in de Bazarstraat en tot dien tijd bleef ze bij Mevr. van der Kouwen, waar J ut, die met het einde van het badsaizoen buiten dienst was geraakt, haar slechts 2 a 4 keer eer. bezoek bragt; na dien tijd was hij er nooit weer teruggeweest, en had dns ook de dienstbode Leentje Beeloo niet gekend.

Op die bewering is hij teruggekomen en heeft moeten erkennen , ettelijke malen in October, en na October nog eeu naar malen, bil

Mevr. van der Kouwen te zijn geweest met zijn aanstaande.

In den avond van 13 December 1872, en in den daarop gevolgden nacht beweerden beiden te huis te zijn geweest, en Jut bij de benedenwoners Idema den geheelen avond te hebben kaart gespeeld. Ook toen hun werd voor gehouden dat zijn zuster mede in dienst bij van Vleuten het tegendeel had verklaard hielden ze vol dat deze zulks loog. Bij confrontatie met deze erkende eerst de vrouw dat het wei mogelijk was. dat ze was uitgeweest, en later kwam uit beider mond het toen weder lang volgehouden verhaal: dat zij zonder voorafgaande afspraak door Jut was afgehaald, dat zij om permissie tot uitgaan te krijgen , aan Mevr. van Vleuten had voorgelogen dat haar vader jarig was, dat zij te zamen hadden rondgewandeld, bij jufvr. van Heusden aan huis een rok hadden gebragt, weike zij aan de getuige N. vau Heusden had overhandigd, daarna waren gegaan naar do zuster van de 2de beschuldigde in de Jacob-Catsstraat, waar zij ongesteld was geworden en flasuw was gevallen, ten gevolge waarvan ze eerst ongeveer te 12 uur 's nachts waren vertrokken, en laat te huis was gebragt door Jut, die gezond en niet verwond was, zijnde Jut vervolgens regelregt naar zijne woning gegaan.

Den volgenden avond was Jut alleen bij van Vleuten aan huis teruggekomen, zonder dat hij weet, wat hij er gedaan heeft of waarover gesproken is; jufvr. van Heusden was er toen, die verteld had dat er den geheelen dag by Mevr. van der Ko.uwen niet was opengedaan.

Eenigen tijd daarna was besloten dat het door de beschuldigden voorgenomen huwelijk in Februarij zou doorgaan , en zulks vermits de 2de beschuldigde zich in zwangereu toestand bevond, hoezeer de familie van Jut niettemin tegen dat huwelijk gekant was.

Blijkene ten processe voorhanden extract werd hot huwelijk den 19 Februarij 1873 voltrokken (pr. 728).

Het werd gevierd ten huize van de wednwe Hafner. De tweede beschuldigde was, volgens haar zeggeu, destijds slechts in het bezit van haar laatst verdiende loon teii bedrage van ƒ 23, en wist niet dat Jut in het bezit was van eene aanzienlijke geldsom. Zulks werd haar eerst bekend nadat hij, toen ze reeds te Vught woonden, eene inschrijving op het Grootboek der Nat. Schuld hal genomen ten bedrage van f 23,000 nominaal rentende 4 percent, waartoe hij dezelfde bankbiljetten door hom van d.n Rus ontvangen in betaling had gegeven. Met opzigt tot de herkomst van het geld, benoodigd om die inschrijving te kunnen doen bewerkstelligen, bleef Jut bij zijn vroeger verhaal omtrent den Rus volharden, en toen hem werd opgemerkt, dat hij, om volgens den toenmaiigen koers ƒ 23000, nominaal aan te koopen, f 20,500 noodig had, terwijl hij erkends reeds pim. ƒ 2000, verteerd te hebben, beweerde hij dan 22 bankbiljetten ieder van ƒ1000 van deu gewaanden lius te hebben gekregen. Behalve die bankbiljetten had hij van verdiende gelden ƒ 500 bij ziju vertrek van het Badhuis in zijn bezit; de J 2000 waren besteed voor zijn onderhoud tot op zijn huwelijk, voor de onkosten bij die gelegenheid, en voor het opzetten van zijne huishouding.

Vooral op één punt bleven der beschuldigden opgaven raadselachtig en in tweestrijd met elkantler.

Zij zouden na hun huwelijk twee u. drie weken zijn gebleven ton huize van de moeder eler eerste beschuldigde. Nu eens waren zij terstond daarna te Vucht gaan wonen, dan weder hadden zij daarna huu intrek genomen in eie Jacobs-Catsstraat ten huize van de zuster en moeder der tweede beschuldigde, en zouden ze daar zijn gebleven tot het begin van Mei. Aan de moeder van Jut zou zijn voorgegeven dat ze de stad verlieten, toen zij naar do Jacob-Catsstraat gingen , omdat deze anders jaloersch zou zijn on daarom had Jut dan ook zijne zuster Cato, die hij ontmoette in dien tijd, een rijksdaalder gegeven , teu eiude te verzwijgen dat ze hem gezien had. Plan om naar Amsterdam te gaan wonen had hij nooit gehad; zelfs ontkende hij aanvankelijk ooit te hebben kenbaar gemaakt zooda.iig voornemen te hebben: op de viaag waarom hij een verhuisbillet naar Amsterdam had aangevraagd was het antwoord »orn digter bij zijn geld ta zijn,» maar dat van het plan om derwaarts te gaan was afgezien, om tat zijne vrouw niet wilde wonen in dezelfde stad als zijne ooms.

( Wordt vervolgd.)