is toegevoegd aan uw favorieten.

Weekblad van het regt; verzameling van regtszaken, bouwstoffen voor wetgeving, mengelwerk, jrg 38, 1876, no 3961, 10-04-1876

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

buiten naar binnen, en van beneden naar boren, hebbende eene lengte van één centimeter, en eene breedte van twee millimeters ; dat op een afstand van ruim één centimeter het tweede likteeken verliep, dat een weinig langer is en zich aan de bovenzijde cirkelvormig ombuigt ;

dat die likteekens zijn veroorzaakt door de verwonding met een scherpsnijdend werktuig;

dat beide niet door hetzelfde werktuig op hetzelfde oogenblik zijn teweeggebragt, en dat de tijd der verwonding niet uit den aard der likteekens kan worden bepaald.

^ De beschuldigde beweerde, dat ze ontstaan waren door verwondingen, tijdens hij in den Gouden Leeuw dienstbaar was; van verwondingen aan zijne hand, waargenomen daags na den moord, weet hij niet te zeggen hoe- ze ontstaan zijn, ja zelfs niet dat hij verwond is geweest. Het was waar, dat hij met zijne vrouw in den avond van 13 December 1872 in het Café van Ivuhn was geweest, doch had dit verzwegen, omdat men hem toch niet zou gelooven.

Toen uit de opgaven van Dirk van Veen, agent van de «White Star line» le Rotterdam, en het door hem (blijkens proces-verbaal van den heer Regter-Commissaris, dd. 3 Sept. 1875, prod. 426) aan dien ambtenaar vertoonde boek bleek, dat zekere A. J. F. Jut en zijne dame in het begin van Maart 1873 een biljet 1ste klasse voor twee personen, voor de «Celtic», vertrekkende 13 Maart van Liverpool naar New-York, had genomen, waarmede zij moeten zijn vertrokken, wijl anders berigt uit Liverpool zou zijn gezonden, zijnde daarvoor ƒ 453.60 betaald, erkende Jut, overeenkomstig de opgaven van zijne vrouw, dat hij naar Amerika was geweest. Bij gezegden getuige had hij aan het kantoor op het Willemsplein, den dag van zijn vertrek per «Seagull» naar Huil, plaatsen voor de «Celtic» naar New-York genomen.

In alle opzigten erkent hij de waarheid der verklaring van zijne vrouw, ten aanzien van de reis naar Amerika, het gebeurde met de koffers te New-York, toen hij vreesde dat men hem bestelen wilde, den terugkeer per »Egypt», over Liverpool, Londen en Harwich, zijn vertrek van daar per «Avalon», welks hofmeester Parker, hem in de instructie vertoond, hij zeker meent te herkennen, de aankomst te Rotterdam op lsten Paaschdag en hun onverwijld vertrek naar den Haag; doch hij ontkent in Engeland of Amerika eenige voorwerpen of papieren van waarde hoegenaamd te hebben verkocht, verruild of omgezet.

Met opzigt tot de reis naar Amerika, had hij onwaarheid gesproken, omdat Stoffels hem had medegedeeld, in de courant te hebben gelezen, dat er voorwerpen, herkomstig van Mevr. van der Kouwen, in Amerika verkocht zonden zijn, en omdat hij dus bang was, dat zijn verblijf aldaar in verband zou worden gebragt met den op haar en hare dienstbode gepleegden moord.

Uit hoofde van dezelfde vrees wendde hij eerst voor, het geld, hetwelk hij van die reis had overgehouden, voor ƒ 160 te hebben gewisseld op een kantoor in de Boompjes te Botterdam, en ontkende hij op 15 April 1875 met een vigilante, te Rotterdam aan den Hollandschen trein genomen, te zijn gereden naar Marx en bij dezen 1868 pond sterling in goud tegen Nederl. bankbilletten van duizend gulden te hebben gewisseld.

Uit de verklaringen echter van Benjamin Marx en Moritz Marx, wisselaars en commissionairs in effecten, destijds wonende op de Wijnhaven te Rotterdam, en uit de door hen aan den heer RegterCommissaris vertoonde boeken (proces-verbaal dd. 1 September jl. prod. 416), resulteerde de inkoop van dat bedrag aan goud op 15 April 1873 tegen f 22378,64, hebbende zij in dien tijd slechts eenmaal zoodanigen grooten inkoop van goud gedaan.

Die handeling, waartoe hij uit den Haag was overgekomen, erkennende, hield Jut echter vol, dat de oorsproDg van zijn geld aan den Rus was te danken, welke hem, gelijk hij nader bedacht had, 24 bankbilletten van ƒ 1000 had gegeven. Deze had hij in Liverpool gewisseld voor ponden sterling en teruggekeerd, nadat hij zijn plan om zich in Amerika te vestigen had opgegeven, had hij het restant van het goud weder bij Marx gewisseld.

Acht dagen of korter daarna had hij gekocht de inschrijving op het Grootboek en Ulrich betaald met de voormelde bankbilletten.

Door den drang der aangevoerde bezwaren overstelpt, kwam de eerste beschuldigde er toe om te zeggen, dat bij wel begreep, dat er genoegzame gronden waren, die tot zijne veroordeeling konden leiden , en bood hij aan de waarheid te zeggen, wanneer men hem een dolk wilde verstrekken, doch zeide hij, alleen voor het Hof te zullen spreken, wanneer het hem daar mogt blijken, dat zulks noodig was,

ten ware zijne vrouw in zijne tegenwoordigheid hare beschuldiging durfde te herhalen.

Hij bleef hierbij volharden , en weigerde de waarheid te zeggen, tenzij in bijzijn van zijne vrouw; anders zou zijne bekentenis te grievend voor haar zijn; de ware reden voor dit zijn verlangen, blijkt evenwel uit zijne bekentenis van schuld, welke hij op den 8 Sept. in hare tegenwoordigheid aflegde.

In hoofdzaak stemt zij overeen met hetgene zijn medebeschuldigde had medegedeeld, behoudens de thans te vermelden bijvoegingen of wijzigingen.

Opmerkelijk zjjn de eerste woorden door dezen beschuldigde bij die gelegenheid geuit: «ik alleen ben de moordenaar van die twee onschuldige wezens, ik alleen de dief, ik al I een de heler; m ij ne vrouw isonschuldi g."

Bij het verlaten van de dienst op het Badhuis te Scheveningen, was Jut in het bezit van nog ruim ƒ300. Op den dag dat hij van daar vertrok, was naar hij vermeent Christina Goedvolk juist in dienst getreden bij Mevr. van der Konwen. Terwijl hij het geld hetwelk hij had verteerde, als zijnde buiten eenige verdienste, was intusschen zijne aanstaande bij hem zwanger geworden, en was hij besloten dat hij haar zou huwen, wat er ook mogt gebeuren. Om geld te erlangen vestigde hij het oog op Mevr. van der Kouwen, welke met eene dienstbode alleen woonde. Eerst vormde hij het plan geld bij baar te leenen, zoo noodig door middel van dwang, later om haar te vermoorden en het geld te stelen. Hij bezat niets meer, reeds twee weken kostgeld was hij schuldig aan ziine moeder-

om zich wapens te verschaffen leende hij f 10 van haar, waarmede hij in het Achterom te 's Gravenhage kocht twee pistolen, en een dolk als oie der adelborsten , van riem en hanger voorzien, zijnde de greep van wit been, de schede van Berlijnsch zilver of pleet.

Ettelijke avonden had hij voor het huis aan de Bogt van Guinea geschilderd, van plan om binnen te dringen en de voorgenomen daad uit te voeren. Zelfs op den avond van Bint-Nicolaas had hij getracht met een langen nagel het slot open te breken en zoo in huis te komen, toen de meid dit hoorende, den boom op de voordeur kwam üoen; dien avond had hij valsche bakkebaarden en een knevel aan , gekocht b(j Mondriaan in de Koningstraat, welke hij evenwel niet heeft gedragen den avond van de moorden. Denzelfden St.-Nicolaasavond was hij aldus vermomd reeds geweest aan de woning van den Heer van Vleuten, zijne zuster had hem toen niet herkend, maar zijne vrouw dadelijk. Bij overweging evenwel dat hij, zonder ontdekt te worden, de daad niet alleen kon volvoeren, wijl een der twee vrouwen ligt om hulp kon roepen, begreep hij zijn medebeschuldigde te moeten bezigen om hem behulpzaam te zijn.

Zonder haar op de hoogte te brengen, van hetgene hij werkelijk voornemens was te doen, drong hij haar met hem naar Mevr. van

der Kouweu te gaan om er een paar laarzen te halen, die ze er had achtergelaten , en van die gelegenheid zou hij gebruik maken om Mevrouw geld af te persen.

Door hare tegenwoordigheid hij de feiten, zou zij diep genoeg in de zaak zijn ingewerkt om hem niet te verraden.

JNa aan de woning van getuige Jufvr. van Heusden geweest te

zijn, werd haar vertrek aan de bogt van Guinea afgewacht, aangebeld en de deur geopend. Om geen argwaan te geven had hij zijn medebeschuldigde gelast dat zij spreken moest, als wanneer Mevrouw haar wel boven zou roepen; zoo geschiedde het ook. Zijne vrouw ging naar boven en hij met Leentje, wier portret (S. v. O. 5) doorhem in de instructie is herkend, naar de keuken. Toen deze na een kort oogenblik met een tang naar de kagchel ging om een kool te dooven,

waardoor ze hem den rug toekeerde, viel hn haar met den inmiddels

uit zijn mouw te voorschijn gehaalden dolk aan, gaf haar daarmede

een stoot in den rug, welke evenwel op een balein scheen af te stuiten. Zich omwendende, zei ze: «Jezus, wat doe je,» waarop hij haar, die hem inmiddels al schreeuwende twee slagen met de tang op het hoofd gaf, twee stooten met den dolk toebragt, toen zij plotseling ineen zakte en den adem uitblies. Met het wapen in de hand , druipende van bloed, liep bij daarop naar boven, waar Mevrouw, dio niets scheen te bespeuren, riaar hem toekwam om hem de hand te geven, doch hij riep: «Mevrouw, kom naar beneden, Leentje is van haar zelve gevallen.» Zij liep den trap af, de keuken in, terwijl zijne vrouw boven bleef, ea toen zij over Leentje heen bukte, gaf hij ook haar een dolksteek, waardoor zij neerviel. Tegelyk greep zij hem den dolk uit de handen, waarop hij plat op haar viel, den dolk hij het scherp beetpakte, hem haar ontrukte en haar nog een dolksteek gaf, die een einde aan haar leven maakte.

Weder naar boven geloopen, riep Christina, hem ziende, radeloos uit: «Heere Jezus wat heb je gedaan"; bleek als een lijk was ze op het punt achterover te vallen, toen hij haar den dolk op de keel zettende, riep: «zwijg of je sterft", waarop zij zich stil hield.

Zijne vrouw werd voorts door hem gedwongen de sleutels aan te wijzen; de secretaire werd geopend, het binnendenrtje met het tangetje van de theestoof opengebroken, zijnde die beide voorwerpen sub No. 8 en 9 ten processe aanwezig en door Jut herkend, en daaruit gestolen de voorwerpen van waarde en het bankpapier.

Intusschen had Jut zich bij de worsteling met zijn tweede slagtoffer aan de vingers dor beide handen verwond, zijnde de likteekens der wonden nog te zien, en deed hij in de slaapkamer gekomen , zijne vrouw water schenken in de kom op de waschtafel (S. v. O. 32—35), waarin hij zijne handen en ook den dolk afwie3ch, terwijl hij haar zijne duimen met een stuk van een doek, op de kamer gevonden, liet verbinden , opdat de papieren niet met bloed bevlekt zouden worden.

Do effecten op de achterkamer in het kabinet gevonden, waren gepakt in een paar couranten, rond welke een witte zak als ten processe (S. v. O. 23) voorhanden; zij werden met het overig gedeelte van den buit geborgen in de tasch, die de tweede beschuldigde had medegenomen om daarin hare laarzen te bergen.

Den volgenden morgen zijn zijne vingers door zijne moeder met hechtpleister verbonden, hebbende hij een rijksdaalder, bij Mevr. van der Kouwen gestolen, gegeven om die te halen. Hij wendde toen voor op een partijtje te zijn geweest en bij bet vallen van den trap zich aan een spijker te hebben gekwetst. Vreemden hebben van die verwonding niets bemerkt, omdat hij de voorzorg nam handschoenen aan te trekken.

Op aandrang van zijne vrouw heeft hij Zondag avond 15 December de tasch met het gestolen goed van haar overgenomen, toen hij zijne zuster bij Mefr. van Vleuten kwam balen.

Zaturdag avond 14 December had hij reeds den ten processe voorhanden blikken trommel bij Enthoven in de Vlamingstraat gekocht, en op zijne kamer ten huize zijner moeder nedergezet achter zijn kist. Nadat hij den volgenden avond van zijne vrouw hal overgenomen de tasch, die hij niet weet waar gebleven is, is al het gestolene door hem in diea trommel (S. v. O. LVI) geborgen, en deze in zijn kist weggesloten, zonder dat hij door iemand is gezien tot hij het huis verliet.

Welke effecten en waarden zij toen bevatte, en waaruit alzoo het gestolene bestond, wordt hieronder afzonderlijk en in het breede besproken, evenals wat de beschuldigden er mede gedaan hebben.

Op 1 of 2 Maart nam Jut voor twee personen 1ste klasse bij de Heeren Hudig en Blokhuizen te Rotterdam passage op de «Celtic» van Liverpool naar New-York, met het plan om zich daar te vestigen ; op hun kantoor gaf hij een der gestolen bankbiljetten ad ƒ 1000

in betaling. Door uitgaaf van de twee anderen, had hij zien toen reeds vergewist dat de nummers niet bekend waren.

Hij gaf op genaamd te zijn H. J. F. Jut, en kreeg een voorloopig bewijs ten name van A. J. F. Jut, zoodat men hem niet goed scheen verstaan te hebben; dat bewijs werd te Liverpool verwisseld voor het ticket ten processe voorhanden (S. v. O. LVIII in prod. 442), waarop hij te New-York hunne namen enz. aan de keerzijde moest plaatsen.

Den 8 Maart per «Seagull» van Rotterdam naar Huil vertrokken, overnachtten zij daar van 9 op 10 Maart in het Minerva-hotel, gingen den volgenden dag naar Liverpool, logeerden er in een hotel, door Italianen gehouden, en maakten verder de reis gelijk hierboven reeds is medegedeeld.

Den dag na zijne aankomst (Maandag 24 Maart 1873), bezigiigde hij in het hotel de medegenomen waarden en effecten, en besloot den volgenden dag de proef te nemen, of' de nummers der effecten ook gesignaleerd waren.

Met een tweetal obligatiën bezocht liij daartoe een paar bankiers, die hem evenwel zooveel inlichtingen vroegen dat hij boos wegliep.

In een Directory (adresboek) van New-York trok zijne aandacht de volgende opgave: «Mrs. Lindo Brothers, Broadway New-York, handelaars en beleeners in gouden en zilveren voorwerpen»; daags daaraan begaf hij zich met zijne vrouw derwaarts, waar hij in een

kamer op de eerste verdieping aan de straatzijde aantrof den Heer Lindo, die het uiterlijk had van een Italiaan, benevens een klerkje van 15 b. 16 jaar. Toen hij zich daar als Fransehman wilde voordoen,

bleek het dat Lindo de Franscbe taal niet magtig was, doch het klerkje tusschen beide komende, zeide: «Moi je parle fran9ais.» Jut verhaalde toen, dat hij uit Frankrijk kwam, hetwelk hij om

politieke redenen had moeten verlaten, zonder vooraf zijne papieren te hebben kunnen realiseren, en dat hij in Peru den President moest gaan bezoeken, die familie was van zijne vrouw, doch dat hij zich van hare kostbaarheden moest ontdoen, wijl zijne middelen uitgeput waren. Daarop haalde hy al de pretiosa van Mevrouw van der Kouwen, gelijk die zijn omschreven in het Politieblad van 28 November 1873, bl. 1037 en 1038 (prod. 450), uit de tasch te voorschijn en bood ze voor 1000 dollars te koop aan, terwijl Lindo er hem 320 dollirs voor bood.

Begrijpende dat, wanneer hij Lindo veel op die pretiosa liet winnen, hij dezen zou kunnen bezigen voor den verkoop van effecten, liet hij ze hem voor den geboden prijs, tevens vragende, daar hij meer dan 320 dollars noodig had, of hij Amerikaansche effecten zou üunnen plaatsen. Op zijn bevestigend antwoord reed Jut naar het hotel terug, haalde de Amerikaansche stukken, en begaf zich daarmede

alleen naar Lindo, welke zeide een dag beraad te moeten hebben ; hij liet door Jnt de nummers opschrijven, onderteekende het stuk, en stelde het aan Jut ter hand.

Den volgenden dag gaf Lindo hem te kennen, dat de stukken in orde waren, doch dat hij nu rnoest weten, van wie Jut ze gekocht had, waarop beschuldigde antwoordde : »de Monsieur de Montalembert, banquier a Lyon»; Lindo verlangde toen nog een dag beraad, even als ter beantwoording van de vraag, of hij de Oostenrijkscho en andere effecten, die Jut hem had medegebragt, konde van de hand zetten, hebbende Jut inmiddels de Hollandsclie obligatie in zijn hotel verbrand.

Bjj zijn terugkeer den volgenden dag, vernam liij dat de Oostenrijkers, wier nummers weder waren opgeschreven, waarna Lindo er zijn naam onder gezet had, niet verkoopbaar waren, en werd hem voor de Amerikanen 10,000 of 10,700 papieren dollars geboden, welk bod hij aannam. De beide door Lindo geteekende stukken met de nummers heeft Lindo gehouden. (S. v. O. LXXI in 553 en Bijlage D. n". 649). Na voorts eene quitantie (afHdavit S. v. O. LXXV in prod. 553) in tegenwoordigheid van een langen Amerikaan geschreven te hebben, ontving hij een cheque (copij in 649 Litt. F.) op een bank te New-York, waar hem het bedrag werd uitbetaald en hij zich noemde «Adrien Jaeques Fiéderic Jut de Montauban», hebbende hij het klerkje 300 dollars als belooning voor zij ne moeite gegeven. Aan Lindo had Jut gezegd, nog 14 dagen in zijn hotel te blijven, doch hij werd als het ware teruggedreven naar Europa. Op een wisselkantoor waar hij een Amerikaan en een Fransehman aantrof, werd hem voor zijn papieren dollars 1775 pond sterling geboden,eischende hij 2000 pond; hij gaf aldaar op een Brusselaar te zijn, doch weigerde om zijn naam te noemen. De Fransehman, die agent was van de National Steamship Company, hebbende hij vernomen dat er geen plaatsen meer op de «Celtic» waren te bekomen, vergezelde hem daarop naar het kantoor der Maatschappij waarvan hij agent was, waar hij twee plaatsen besprak voor de volgende reis van de »Egypt« naar Liverpool, opgevende «de Montesne» te heeten.

Zaturdags (29 Maart?) wisselde hij zijn dollars voor Engelsch goud bij een der eerste bankiers en ontving 1800 pond sterling, waarna hij zijne rekening in het hotel ten bedrage van ruim 100 dollars (Zie prod. 649 Bijlage H.) betaalde, en zich denzelfden middag inscheepte.

Te Liverpool betrok hij het Angel-hotel en teekende in het boek «de Montagnard.» Hij was toen nog in het bezit van het Russische en van de Oostenrijkscho effecten. Door een kellner liet hij zich brengen op een wisselkantoor nabij het logement, gehouden door een Israëliet. Daar wisselde hij wat Ameriksansch goud, zeide dat hy naar larijs moest, maar tot zijne komst aidaar in geldnood verkeerde, weshalve hij een Russisch stuk van 500 roebels en een Oostenrijksch effect wilde verkoopen. Op de vraag naar de herkomst gaf hij voor te Weenen met het spel te hebben gewonnen en daar den Oostenrijker in betaling te hebben genomen, welk stuk hij op 2000 francs had berekend, terwijl bet Russische stuk 1500 francs had gekost.

Het bod van 125 pond nam hij aan en na zijn naam te hebben opgeschreven als «de Montesne, Rue St. Vivienne 72 Paris», vertrok hij met het geld naar het hotel, doch daar gekomen bedacht hij in het boek geteekend te hebben als «Montagnard» en dat de kooper welligt naar zgn naam onderzoek mogt komen doen, weshalve hij zich het boek liet geven, van de inschrijving «de Montagnard and wife», de twee laatste woorden uitschrapte en er «de Montesne" boven plaatste. Naauwelijks was hij op zijn kamer, of de wisselaar drong daar binnen, zeide dat hij een valschen naam had opgegeven, dat hij zijn geld terug moest hebben, en de effecten zou terugbrengen, of anders 75 pond schadevergoeding moest hebben. Op zijne weigering dreigde die persoon met de politie, waarop hij de 75 pond gaf, en na de overige effecten in zijn bezit in het hotel verbrand te hebben, 's middags om 5 uur de stad verliet.

Het extract uit het register van reizigers van het Angel-hotel, waarop hij geteekend heelt dd. 10 April 1873, eene rekening van dat hotel voor hem bestemd met eene afbeelding, en zijn plaatsbiljet voor de stoomboot «Egypt» den 28 Maart 1873 te New-York afgegeven (S. v. O. LXXVI tot LXXVIII in prod. 604) zijn door den beschuldigde Jut herkend. Bij hun komst in het Langhamhótel te Londen waar een lift was, en zij tot 12 April bleven, gaf bjj zich uit voor een Portugees, wonende te Lissabon, geboren te Barcelona en genaamd Peroires. Van daar lieten ze zicb brengen naar het Bishopsgate-station, waar ze plaats namen naar Harwich.

Gelijk reeds gezegd, werd twee dagen na zijn terugkeer in Holland, het Engelsche goud bij Marx voor Hollandse!» bankpapier gewisseld, en bezaten de beschuldigden toen niets meer wat van den gepleen-den diefstal afkomstig was. Het verhaal van het gebeurde met den Rus op het Badhuis was geheel door hem verzonnen. Om zijne vrouw te regtvaardigen had hij in hare tegenwoordigheid do geheele waarheid gezegd.

Met een ontrust geweten had hij na de daad voortgeleefd en reeds den dag na den moord had hij diep berouw, en tiet niet kunnen nalaten de begrafenis van zijne slagtoffers te volgen, waarbij het hem geweldig trof, toen hij in het Westeinde eene vrouw hoorde zeggen • »wie weet of de moordenaar op dit oogenblik niet achter de lijken gaat.»

De broek door hem gedragen tijdens den moord, was aan de knieën zoo bebloed, aat hij die ten huize van zijne moeder heeft verbrand; ook de toen gedragen overjas (S. v. O. XXXVIII) was in de mouwen en op de borst met bloed bevlekt; deze is doorhem nitgewassehen, zijnde later ae rood zijden voering der mouwen er door hem uitgetarnd en verbrand, en door zijne moeder voor de reparatie van dat kleedingstuk. gezorgd.

Het vers over de kerkglazen te Gouda had hij van zijne vrouw gekregen, tijdens zij nog bij Mevr. van der Kouwen diende.

in het breede heelt Jut in de instructie verhaald, hoe hij tot de gruweiyke misdaad was gekomen. Het komt in kort hierop neder : dat hij eerst te Schoonhoven bij de artillerie en later te Haarlem bij de hussaren in dienst zijnde, en de hoop koesterende in de wereld vooruit te komen, bij het op de inspecties te voorschijn brengen van zijn zakboekje, zeer veel van plagerijen te lijden had, omdat daarop vermeld stond: «vader onbekend». Hij begreep toen, dat die omstandigheid hem het behalen van den officiersrang onmoeeliik zon

maken, weshalve hij op zekeren keer in de duinen te Zandvoort met zijn paard een onmogelijken sprong deed, zich zwaar bezeerde, en daarna voor de dienst werd afgekeurd. Toen nu Christina Goedvolk moest bevallen, kwam de gedachte boven, dat hij haar in ieder ge»»' wilde huwen, opuat de smet, die op zijn naam kleefde, en hem z°° had doen lijden, niet ook op dien van zijn kind zou rusten. Doch om te kunnen trouwen, had hij geld noodig, en steeds op middelen peinzende om dat te erlangen, rijpte langzamerhand bij hem het denkbeelt' om zich van het geld van Mevr. van der Kouwen meester te maken, en hij zag zonder vrees van ontdekking geen kans om daartoe te geraken, dan door de getuigen van zijn voorgenomen diefstal van het leven te berooven.

Nadat Jnt op den 8 September jl. aan den heer Refter-Commissaris te Rotterdam in bijzijn van zijnu vrouw zijne schuld had beleden, erkende deze dat zijne opgaven overeenkomstig de waarheid waren, maar dat zij zijne voornemens zeer goed kende, zoodat, toen zij de»