is toegevoegd aan uw favorieten.

Weekblad van het regt; verzameling van regtszaken, bouwstoffen voor wetgeving, mengelwerk, jrg 93, 1931, no 12359, 18-11-1931

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opzichte van de Voogdijraden, voor wiens aanstelling bij art. 2 van dit begrootingsontwerp gelden zijn aangevraagd, zal te dezer zake goede diensten kunnen bewijzen.

Mede dank zij de controle, naar de ondergeteekende vroeger heeft medegedeeld, sedert eenige jaren door zijn Departement te dezer zake uitgeoefend, is het aantal kinderen, die zicli in Huizen van Bewaring bevinden, niet alleen verminderd, maar bepaalt zich dat ook bijna geheel tot 16- en 17-jarigen. Is ook de ondergeteekende dus van meening, dat detentie van strafrechtelijk minderjarigen in een Huis van Bewaring zooveel mogelijk dient te worden beperkt, en blijft hij in die richting werkzaam, hij gaat niet zoover, zoodanige detentie ook voor de ouderen hunner onder alle omstandigheden te willen uitsluiten.

De meening, dat de outillage der Voogdijraden nog steeds niet voldoende zou zijn, kan de ondergeteekende in haar algemeenheid niet deelen. Uiteraard is het mogelijk, dat bij enkele dezer College's wenschen dienaangaande nog onvervuld zijn gebleven, doch over het algemeen kan de personeelsbezetting thans voldoende worden geacht. Het artikel Personeelsuitgaven (Voogdijraden) vertoont, -blijkens den Uitgewerkten en Toelichtenden Staat, sinds 1930 reeds eene stijging met ruim f 22.000 en onder de tegenwoordige omstandigheden kan de ondergeteekende geen vrijheid vinden deze uitgaven verder op te voeren. Nochtans zal hij zijne aandacht op de hierbedoelde aangelegenheid alsmede op de daarmee samenhangende vraag, of door het ontbreken van voldoende personeel ten aanzien van de onderhoudsplichtigen niet wordt bereikt, wat anders mogelijk zou zijn, gevestigd houden. De classificatie der betrokken ambtenaren is geschied na ingewonnen advies van het Centraal Bureau van Voorbereiding voor Ambtenarenzaken, hetwelk te dezen aanzien bij uitstek deskundig moet worden geacht, terwijl daarbij tevens rekening is gehouden met de ter zake algemeen voor de Rijksambtenaren geldende regelen. Op deze wijze mag de juistheid der classificatie voldoende verzekerd worden geacht.

Aanvankelijk betwijfelt de ondergeteekende of het denkbeeld om een bescheiden percentage van de door de onderhoudsplichtigen gestorte bijdragen ten goede te doen komen aan de Voogdijraden om daardoor de aanstelling van afzonderlijk personeel voor dit doel mogelijk te maken, aanbeveling verdient, vooral omdat de hierbedoelde korting in verschillende gevallen zou moeten worden geheven van betrekkelijk geringe bedragen, welke dengenen, te wier behoeve de inning geschiedt, tot levensonderhoud moeten strekken. Tot een zoodanigen maatregel zou alleen dan vrijheid zijn te vinden, wanneer het niet mogelijk ware op andere wijze eene behoorlijke inning te verzekeren. Voorshands schijnt dit geval echter niet aanwezig.

Gelet op den aard van het voogdij raadswerk vermag de ondergeteekende liet nut van het scheppen van het instituut: plaatsvervangende leden bij deze college's niet in te zien. Wel is de laatste jaren bij eenige voogdijraden uitbreiding van het aantal leden wenscheljjk gebleken en die uitbreiding is dan ook tot stand gebracht. Wat trouwens in de desbetreffende uitlatingen als arbeid voor die plaatsvervangende leden is gedacht, schijnt het bekleeden van die qualiteit allerminst te vereischen.

Van den aanvang af hebben leden van de rechterlijke macht zitting gehad in voogdijraden. Slechts bij bepaalde functies in de magistratuur kunnen zich bezwaren als hier klaarblijkelijk bedoeld, namelijk van vereeniging in denzelfden persoon van de hoedanigheid van partij en van rechter — c. q. ambtenaar van het openbaar ministerie — voordoen. Maar die bezwaren zijn door het zich onthouden van deelneming in bepaalde gevallen te ondervangen. Klachten dienaangaande zijn den ondergeteekende dan ook niet bekend.

De uitbreiding van het aantal ambtenaren voor de Kinderwetten, waarvoor de in het Voorloopig Verslag uitgesproken ivaardeering den ondergeteekende verheugde, zou in normale omstandigheden ongetwijfeld door hem zijn voortgezet. Ofschoon nog niet alle kinderrechters over de voorlichting van zoodanigen ambtenaar beschikken, noopt de toestand van 's Lands financiën hem evenwel, die uitbreiding voorloopig stop te zetten.

Terecht werd beseft, dat aan de meermalen geuite Verlangens ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de Rijksopvoedingsgestichten en tuchtscholen reeds op financieele gronden thans niet kan worden voldaan.

Bij de organisatie van de godsdienstige verzorging der Protestantsche en Roomsch-Ivatholieke verpleegden in de Rijksopvoedingsgestichten te Amersfoort en te Avereest is er destijds inderdaad van uitgegaan, dat de betrokken bedienaren van den godsdienst aan die gestichten eene volle dagtaak zouden hebben. Hunne bezoldiging is daaraan geëvenredigd. Die oorspronkelijke opzet is evenwel, mede in verband met de eischen van den gestichtsdienst, niet volledig tot zijn recht kunnen komen en allengs is, door de afneming van het aantal verpleegden, de taak van deze functionarissen meer en meer teruggeloopen. Nu, na de aanstaande reorganisatie van de Rijksopvoedingsgestichten voor jongens, geen der beide overblijvende gestichten in bevolkingssterkte nabij zullen komen aan de vroegere bezetting van het gesticht te Avereest, moet liet voor den ondergeteekende wel een punt van overweging uitmaken of het instituut zal zijn te handhaven.

Het dragen van uniformkleeding, beperkt tot het beambtenpersoneel dezer gestichten, heeft voordeelen voor de inrichtingen en voor het personeel zelf. Tot afschaffing op paedagoSische gronden schijnen niet voldoende termen aanwezig.

Voor het bevorderen van de benoeming van eene vrouw in de bestaande vacature bij de inspectie van het Rijkstucht- en opvoedingswezen ziet de ondergeteekende geen bijzondere aan'eiding.

Art. 82. Onder de tegenwoordige financieele omstandigheden 'noet van het tot stand brengen van eene afzonderlijke afdeeling van het Rijksopvoedingsgesticht voor meisjes als z.g.n. tehuis met beperkte vrijheid voorshands worden afgezien.

Artt. 84 en 85. Lettende op het totaal der uitgaven over 1980 ten behoeve van de voeding van intern personeel en rekening houdend met de mogelijkheid dat eene tijdelijke versterking van het intern personeel noodzakelijk zou kunnen zijn, *eheen het voorzichtig dien post niet lager te ramen dan in de ,Jeide voorafgaande jaren.

Art. 98. 'Het is den ondergeteekende bekend, dat tussclien 'et bestuur van de Vereeniging Hulp voor Onbehuisden en de ^meente Amsterdam nog overleg gaande is omtrent den door f'Ie gemeente ten behoeve van het Observatiehuis voor jongens "'daar te verleenen steun en hij vleit zich met de hoop, dat ' overleg tot een voor genoemde vereeniging gunstig resultaat leiden.

Afdeeling X.

Uitvoering der Psychopathenweiten.

Inderdaad is het psychopathen-asyl te Leiden te klein gebleken, om in de bestaande behoefte aan plaatsruimte te voorzien, en is overeenkomstig het in de Memorie van Toelichting aangekondigde plan, daartoe tijdelijk als asyl in gebruik genomen een paviljoen op het terrein van het Rijkskrankzinnigengesticht te Eindhoven. Het jilan is, dit paviljoen — en een eventueel voor gelijk doel ter zelfder plaats nog verder af te staan deel van een ander gebouw — tot uiterlijk 1 Mei 1933 als psychopathen-asyl te gebruiken. Het thans aldaar ingerichte asyl biedt <plaats voor 32 verpleegden; die plaatsen zijn thans alle bezet. Voldoende personeel is aanwezig, ook met het oog op gevaar voor ontvluchting, waartegen trouwens nog bijzondere maatregelen bij de inrichting zijn getroffen. Aangezien deze oplossing van de moeilijkheden, waarin plaatsgebrek den ondergeteekende dreigde te brengen, uiteraard van tijdelijken aard is, moet de ondergeteekende er wel op bedacht zijn om andere maatregelen te nemen, en waar de omstandigheden niet toelaten thans in deze materie met voorzieningen te wachten nöch te komen met plannen, welke uitvoering groote bedragen in geld zouden kosten, heeft de ondergeteekende besloten het eerlang als Rijks-opvoedingsgesticht te ontruimen gesticht „Veldzicht" te Avereest tot Rijksasyl voor psychopathen te bestemmen, zoodra hem daartoe de vereischte credieten zullen zijn toegestaan. Naar liet oordeel van onderscheidene deskundigen, en daaronder in de eerste plaats mede van den Algemeenen Raad voor Psychopathenzorg, zal de genoemde inrichting, na betrekkelijk eenvoudige wijzigingen, voor het beoogde doel uitnemend geschikt kunnen zijn.

Eene selectie naar moeilijke en minder moeilijke patiënten over de asyls stuit op verschillende practische bezwaren af. De ervaring op het gebied der psychopathenverpleging is overigens nog te gering om ten aanzien van een zoo belangrijk beginsel reeds nu tot een uitspraak te komen. Thans wordt zooveel doenlijk in elk gesticht selectie toegepast, en wordt de bewegingsvrijheid geregeld naar de eigenaardigheden van ieder afzonderlijk geval.

Het sluiten van de psycliopatheninrichtingen zou niet dan door intrekking der psychopathenwetten zijn te bereiken. Een voorstel daartoe is, zooals ook in de Memorie van Antwoord op Hoofdstuk I is medegedeeld, niet te verwachten. Daarmede is niet gezegd, dat de ondergeteekende de toepassing, die deze wetten tot dusverre hebben gevonden, in alle opzichten bevredigend acht. Zooals die wetten thans hier en daar worden toegepast, rijst bij ondergeteekende wel eens de vraag, of wel wordt gebleven binnen wat de wetgever zich ten deze vóór de invoering heeft voorgesteld. Intusschen, men staat hier op geheel nieuw terrein en de praktijk moet tastenderwijs haar weg vinden, zoodat men mag hopen, dat het juiste standpunt geleidelijk zal worden bereikt.

Tot opheffing van het asyl te Leiden zal zijn over te gaan als, naar het zich laat aanzien, te Avereest de geheele Rijksverpleging van psychopatlien kan worden geconcentreerd. Financieel belang pleit hiervoor, maar ook de overweging, dat in een rustig, landelijk milieu, met zeer ruime werkgelegenheid in iederen gewenschten zin, deze verpleging het best tot haar recht zal komen en aan de bedoelingen van de wet zal beantwoorden.

Afdeeling XI.

Reclasseering.

Ten aanzien van de korting op het algemeen subsidie aan reclaSseeringsinstellingen in 1981 toegekend, merkt de ondergeteekende allereerst op, dat het onjuist is deze subsidies te beschouwen als te zijn verleend over het jaar 1930. De instellingen ontvangen subsidie voor het jaar, waarin het wordt toegekend. De rekening van het voorafgaande jaar levert van het bedrag de basis; maar het subsidie behoort niet te worden beschouwd als gedeeltelijke terugbetaling van hetgeen de instelling- in het vorige jaar heeft uitgegeven. Maar afgezien daarvan, geeft hetgeen het Voorloopig Verslag opmerkt, niet van een juiste kennis der feiten blijk. Het is toch aldus,' dat voor algemeen subsidie een bepaald bedrag — of) de begrooting voor 1980 verhoogd — voorkomt, hetwelk aan de instellingen naar rato van de als subsidiabel erkende uitgaven wordt uitgekeerd. In verband met de stijging dier uitgaven bleek een evenredige vermindering — van ongeveer 7 pet. — noodzakelijk om met hetzelfde bedrag als in 1930 werd uitgekeerd en op de begrooting voor 1931 voorkomt —- n.1. ongeveer f 200.000 — uit te komen. Eenig verband met de salariskorting is hier dus niet. Intusschen overweegt de ondergeteekende om in het vervolg voor de toekenning van het algemeen subsidie eene splitsing te maken tusschen de uitgaven voor salarissen en de overige uitgaven, opdat ten aanzien van eerstbedoelde uitgaven meerdere vastheid worde verkregen.

De inlichting, dat de ondergeteekende aan de reclasseeringsvereenigingen zou hebben bericht, dat hij niet wenscht bij te dragen m de bezoldiging van afdeelingssecretarissen, is, zoo algemeen als zij in het Voorloopig Verslag wordt geformuleerd, niet juist. Wel neemt de ondergeteekende te dien aanzien een zeer restrictief standpunt in, omdat hij bezoldiging van den leidenden arbeid in de reclasseeringsinstellingen met het karakter van dien arbeid in strijd acht.

Pensioen uit 's Rijks kas kan aan ambtenaren van particuliere vereenigingen niet worden in uitzicht gesteld. In de subsidieering dezer ambtenaren naar overeenkomstige salarissen in 's Rijks dienst, zonder aftrek van pensioenpremie, ligt echter eenige steun voor een door de instellingen of de betrokkenen tot stand te 'brengen regeling. De ambtenaren voor de Kinderwetten worden ten deze geacht te zijn in dienst van de Voogdijraden, aldus in Overheidsdienst, wat reelasseeringsambtenaren niet zijn.

De ondergeteekende heeft kennis genomen van de denkbeelden, op blz. 145 e. v. van jaargang 1930 van het Maandblad voor Berechting en Reclasseering ontwikkeld. Hij heeft echter ook gelezen, dat in de vergadering van vertegenwoordigers van Reclasseeringsraden, welke te Utrecht werd gehouden op 30 Dec. 1930, die denkbeelden van de zijde van hen, wien ze in de eerste plaats betroffen, weinig instemming hebben gevonden.

Of het in het Voorloopig Verslag aangehaalde cijfer van 24 pet. juist is, zou de ondergeteekende eerst na een gedetailleerd onderzoek kunnen zeggen. Men moet n.1. niet vergeten, dat een gunstig advies verbonden kan zijn aan de voorwaarde van mogelijkheid van tewerkstelling, en afwijzing dan soms moet volgen, omdat zoodanige tewerkstelling niet te verkrijgen blijkt. Maar afgezien daarvan is het niet te verwonderen, dat de ondergeteekende de verschillende in aanmerking komende gezichtspunten, meer bepaaldelijk die van algemeenen aard, wel eens wat anders waardeert dan de instantie, die dichter bij het concrete geval staat. Eene afwijzing „met het oog op het

ernstige karakter van het delict" is niet te wraken met een beroep op de omstandigheid, dat de rechter den ernst van het feit reeds in den duur van de straf heeft verdisconteerd. Daargelaten, dat in den ernst van liet delict zich de persoonlijkheid van den dader kan openbaren als ten eenenmale ongeschikt voor reclasseerings-behandeling, of ook daaruit kan blijken van een tot misdaad geneigde natuur, of van eene neiging tot handelingen, waarbij het beste toezicht geen waarborg tegen herhaling, en dikwijls tegen zeer bezwaarlijk te ontdekken herhaling, kan vormen, is bovendien niet voorbij te zien, dat in elke voorwaardelijke invrijheidstelling ten slotte een element van gratie ligt, waartegen de ernst van het feit bedenking kan doen rijzen.

Voor zooveel de klacht over vertraging in de beslissingen en over niet tijdig bericht daarvan aan gedetineerden, het aandeel van het Departement in de behandeling' dezer zaken betreft, komt zij den ondergeteekende niet gegrond voor. Wel zjjn enkele reclasseeringsraden af en toe zeer laat geweest met hunne adviezen en de ondergeteekende heeft niet nagelaten die Raden daarop te wijzen. Doch ook wanneer gevallen op het laatste oogenblik bij zijn Departement binnenkomen, wordt steeds, niettegenstaande de late indiening, er alles op gezet om den betrokken gevangene van een voor hem gereed gekomen plan, indien dit aanvaardbaar blijkt, nog te doen profiteeren, niet zonder ongerief voor het Departement en voor het betreffende gevangenisbestuur.

Ten aanzien van gevangenen, die na hun straf als psychopaath ter beschikking komen, is eene vereenvoudigde procedure, welke de in het Voorloopig Verslag bedoelde bezwaren ondervangt, bereids ingesteld. Eene kleine wetswijziging kan dit wellicht te gelegener tijd reguleeren.

Voorwaardelijke invrijheidstelling van in Rotterdam en Leeuwarden vertoevende lang-gestraften wordt inderdaad als regel niet aanstonds bij. het verstreken zijn van 2/3 van den straftijd verleend. Daarbij bedenke men eenerzijds, dat een zoo lange overgangstijd, als bij zoodanige voorwaardelijke invrijheidstelling aanwezig zou zijn, voor de reclasseering van den betrokkene, indien daarop inderdaad uitzicht bestaat, wel niet noodig zal zijn, anderzijds dat executie, bij overtreding van voorwaarden, van een groot strafrestant eigenaardige bezwaren zou geven, welke •— en hierin accumuleeren de beide bedenkingen — te scherper spreken naarmate de invrijheidstelling langer is geleden.

Internationale samenwerking op het gebied der reclasseering vereischt langdurige voorbereiding. De omstandigheid, dat in het buitenland de reclasseering geenszins op denzelfden leest is geschoeid als ten onzent, vormt echter reeds aanstonds eene moeilijkheid voor de billijkheidshalve te vorderen wederkeeriglieid. Aan den regel, dat vreemdelingen, die door hun delict voor de rechtsorde gevaarlijk zijn gebleken, hier te lande niet verder wTorden toegelaten, moet dan ook vooralsnog worden vastgehouden. Betreurenswaardig acht de ondergeteekende het, indien bij vreemdelingen van de zijde van reclasseerders verwachtingen worden opgewekt, die, naar die reclasseerders moesten weten, op teleurstelling moeten uitloopen. Maar dit komt dan niet voor rekening van de Regeering.

Gedetineerden nog vóór hun voorwaardelijke invrijheidstelling de gevangenis te doen verlaten om werk te zoeken gaat wel heel ver. Het denkbeeld zou hoogstens eens overwogen kunnen worden in een zeer gunstig uitzonderingsgeval om iemand de gelegenheid te geven zich aan een werkgever te vertoonen, als slechts diens toestemming om hem te plaatsen nog noodig is om eene voorwaardelijke invrijheidstelling te kunnen toestaan, en deze alleen bij persoonlijk aanmelden te verkrijgen zou zijn.

Over de houding tegenover hen, die met den strafrechter in aanraking zijn geweest, heeft de ondergeteekende, meer bepaaldelijk voor zoover minderjarigen betreft, reeds bij herhaling contact gehad met zijn ambtgenoot van Defensie, waarbij wel is gebleken, dat aan die zijde bereidheid bestaat om, met handhaving van de belangen van den dienst, te dezen opzichte niet een absoluut standpunt in te nemen, doch de zaken naargelang van de omstandigheden der gevallen te bezien. De ondergeteekende wil overwegen, of er aanleiding kan zijn bij zijn ambtgenoot de aangelegenheid nog eens ter sprake te brengen.

In dienst van een of meer instellingen is thans in ieder arrondissement — op vier na —- ten minste éën reclasseeringsambtenaar werkzaam. Dat zulks op zich zelf niet een „leemte" behoeft te beteekenen, bewijst de ervaring te Dordrecht, waar de gezamenlijke instellingen met groote toewijding zelf het werk verrichten, en de benoeming van een ambtenaar niet wenschen.

Groot verschil van opvatting betreffende hun taak kan de ondergeteekende bij. de reclasseeringsraden niet constateeren; de Rijksambtenaren, die de vergaderingen regelmatig bijwonen, waken hiertegen. In overleg met deze lichamen te treden omtrent algemeene richtlijnen voor hun werk ligt thans dan ook niet in zijn voornemen.

In de vacature van Rijksambtenaar te Groningen zal voorshands — in verband met de gewijzigde positie der Rijksambtenaren, die aanvulling van deze plaats niet urgent maakt — niet worden voorzien.

Van opleiding van reelasseeringsambtenaren zal althans in de naaste toekomst moeten worden afgezien, aangezien er geen geld voor beschikbaar is.

Voor wijziging van de samenstelling der reclasseeringsraden ziet de ondergeteekende geen voldoende reden. Evenredige samenstelling zou noodwendig moeten leiden tot ongewenschte uitbreiding. Tegen vertegenwoordiging dier Raden in de gestichtsraden heeft de ondergeteekende met het oog op het karakter van deze beide instituten bezwaar.

Omtrent de reclasseering der psychopathen zijn van de verschillende instellingen bereidverklaringen verkregen. Intusschen was er daarbij van uitgegaan, dat naast den Rijksambtenaar, op dit gebied werkzaam, een instellingsambtenaar zou komen. Met het oog op de financieele omstandigheden zal echter van dit laatste moeten worden afgezien.

Voor zooveel de voorstellen van het Centraal College voor de Reclasseering in zake de reclasseering van drankzuchtigen maatregelen beoogen, die financieele consequenties hebben, is daaraan voor het tegenwoordige bezwaarlijk te denken. Voor het overige doen de daarvoor aangewezen instellingen, met name de Consultatie-bureaux en de reclasseerings-afdeelingen van enkele landelijk georganiseerde drankbestrijdersvereenigingen, in de door het Centraal College uitgestippelde lijn — in samenwerking met de rechterlijke macht, overeenkomstig de dezerzijdsche circulaire van 12 Aug. 1927 — reeds goed werk.

In een der vijf voor dwangverpleging van drankzuchtigen aangewezen inrichtingen werden sinds het in werking treden der wet van 12 Dec. 1929 (Stbl. no. 528) twee onder curateele gestelde personen met rechterlijke machtiging opgenomen. Overigens berichten deze instellingen ook van gevallen, dat de bedreiging met curateele voldoende was om tot de gewenschte maatregelen te komen. Van drie gevallen wordt vermoed, dat van zoodanige verpleging is afgezien met het oog op de kosten. Eene nadere regeling van deze materie komt den ondergetee-