is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1948, 01-01-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze aanwijzing vindt plaats op verzoek van de ter plaatse bevoegde opperrabbijn, of bij ontstentenis van deze van de bevoegde plaatsvervangend opperrabbijn, van een erkende Israëlietische gemeente, indien en voor zover in dat verzoek ten genoegen van de Minister wordt aangetoond, dat er in een bepaald deel van het land, welk deel ressorteert onder het ambtgebied van de opperrabbijn of plaatsvervangend opperrabbijn en door het aan te wijzen slachthuis pleegt te worden bediend, behoefte aan vlees van ritueel geslachte slachtdieren bestaat.

Het slachten volgens de Israëlietische ritus mag slechts geschieden door personen, die daartoe door een opperrabbijn of plaatsvervangend opperrabbijn, als bedoeld in het vorige lid, zijn gemachtigd en die daarvan door een schriftelijk bewijs aan de keuringsveearts hebben doen blijken. Deze personen moeten zich ten aanzien van het aantal der door hen te doden slachtdieren voegen naar de in verband met de behoefte aan vlees van ritueel geslachte slachtdieren door de keuringsveearts, hoofd van dienst, te geven aanwijzingen.".

IV

Na 5 wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd, luidende:

㤠5a. Keuring van gestorven en in nood gedode slachtdieren.

(Artikel 18, eerste lid, letters b en d, van de Wet).

Artikel 35a

Het bepaalde in 4 en 5 is niet van toepassing ten aanzien van gestorven en in nood gedode slachtdieren, welke naar het oordeel van de keuringsveearts zonder nader onderzoek kunnen worden afgekeurd.

De keuringsveearts moet zich met betrekking tot de in het vorig lid genoemde slachtdieren overtuigd hebben, dat geen besmettelijke veeziekte, als bedoeld in artikel 7 der Veewet, aanwezig is. De keuringsveearts kan deze overtuiging ten aanzien van miltvuur, in het bijzonder bij runderen, schapen en geiten, welke zonder specifieke verschijnselen plotseling zijn gestorven, slechts verkrijgen, nadat microscopisch bloedonderzoek, dat in twijfelachtige gevallen langs bacteriologische en/of serologische weg moet worden aangevuld, heeft plaats gevonden.".

V

Artikel 54 wordt gelezen als volgt:

„Voorwaardelijk goedgekeurd vlees mag worden bruikbaar gemaakt voor voedsel:

a. door sterilisatie;

b. door verkoop in het klein onder toezicht;