is toegevoegd aan uw favorieten.

Goudland; tweewekelijks tijdschrift voor de katholieke welpen en verkenners van Nederland, jrg 3, 1936-1937, no 6, 13-02-1937

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

knoestige tak nog wel een veertje ontdekken of wat gestold bloed; of er hangt een veertje zó aan een spinneweb of aan een afgebroken takje, dat het van bovenaf moet gevallen zijn; dat moet dan wel het werk geweest zijn vaneen dier dat zijn prooi in de boom ging verslinden. Hou dan die boom inde gaten en ga er nog eens een paar keer kijken; licht

vind je verse veren, of een haarbal die de zekerheid geeft, dat er een roofvogel in het spel is, en als je geluk hebt zie je op een goeie dag de dader zelf, want die komen graag altijd op dezelfde plek terug. En dan kun je proberen uitte maken of het een valkje was, of een sperwer. Je vindt een dood konijntje. Is het geschoten of heeft het ineen strik gezeten? Dat laatste is al erg onwaarschijnlijk, want de stroper zal het niet uit de strik halen om het dan verder maarte laten liggen. Of is er een dier aan het werk geweest? En welk dan?? Kraaien en eksters, die vooral inde winter, als ze honger hebben, wel eens zullen proberen om een konijntje te pakken te krijgen, moeten aparte kunstjes uithalen om daarin te slagen, want eigenlijk is zo'n prooi te groot voor hen. Dan proberen Ze bijvoorbeeld om het dier de ogen uitte pikken, zodat het hulpeloos is geworden; als je een konijntje ziet met uitgepikte ogen, kun je er wel haast zeker van zijn, dat daar een kraai of een ander lid van die roversfamilie bezig was; misschien heb je hem

wel eens gestoord bij zijn eten. Een andere gewoonte van deze dieren is om, als ze aan het eten zijn, de huid van hun slachtoffer achteruit te buigen, zodat het dier zo’n beetje gevild wordt. Of je ziet op het eerste gezicht helemaal geen verwonding; let dan eens goed op de huid van de nek; misschien zijn daar héél kleine wondjes, net speldeprikken, vier in getal: een wezel doet dat zo en dan zuigt die alleen het bloed op en laat de rest liggen, nog helemaal gaaf. Maar als je het zo vindt, reken dan maar dat het nog niet lang geleden kan zijn, anders waren de kraaien en andere vogels er al lang bij geweest om dit onverwachte feestmaal te kunnen meemaken. Haal je takkenbossen voor je kampkeuken, kijk dan vooral goed uit inde buurt van die houtmijt: haast altijd zitten daar bunzings, en je zou sporen kunnen verwachten. En wordt zo’n mijt weggehaald door den boer, dan moet je daar bij zijn; niet alleen kan de bunzing zelf te zien (en te ruiken!!) komen,

een uur lopen voor ze op school 1 zijn; en je kunt er van op aan, dat er op die weg geen nest onopgemerkt blijft, en dat ze precies weten op welke plek van de sloot zo dikwijls een snoek „staat”. Het is alléén maar jammer dat èn de nesten èn de snoek het moeten ontgelden; de snoek op een heel handige manier overigens: met een schop of stok krijgt hij één slag op de rug, die hem verdooft; en je hoeft niet bang te zijn dat ze daarbij aan de verkeerde kant gaan staan, zodat de schaduw van henzelf of van de stok in het water valt, en de snoek die opmerkt en er pijlsnel van door schiet! Dit is zeker de prettigste en de beste manier om te leren speuren, maar het kan tenslotte ook dichter bij huis. Een paar oefeningen voor de beginners: Let op een hond of kat, als ze lopen, draven of sluipen. Kijk hoe ze de poten op de grond zetten, en zoek daarna het spoor; stel je niet tevreden met het gezien te hebben, maar werk zo lang tot je

maar er kunnen ook schedels of hele koppen van vogels of kleinere zoogdieren te voorschijn komen. Je ziet, er is genoeg te beleven. Maar hoe kom je erachter? Er is een zeer probaat middel: sluit vriendschap met een boerenjongen of met een jachtopziener, of een ander echt buitenman. En ga daar af en toe eens een Zondagmiddag mee op stap. Dat zijn verkenners en speurders van huis uit; in hem leeft evengoed als inde stadsmens de drang om uitte zoeken wat hem vreemd voorkomt, en zij krijgen daartoe heel wat meer gelegenheid. Boerenjongens moeten soms meer dan

Fig. 2: a) kat; b) steenmarter (uiterst zeldzaam); c) boommarter (komt in ons land niet meer voor); d) wezel; e) eekhoorntje.

Fig. 3: a) en b); hert; d) en e) ree; c) koe.

135