is toegevoegd aan uw favorieten.

De padvindster, jrg 1, 1926, no 1, 31-01-1926

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Padvindster

31 Januari 1916 Hoeveel herinneringen roept deze datum niet wakker! Ik zie ons weer tezamen komen te Amsterdam in ’t clubhuis der Amsterdamsche Meisjesgezellen, Oosterpark 50! Daar kwamen wij bij elkaar, de eerste werksters inde meisjespadvinderij, de hoofdleidsters uit Amersfoort, Amsterdam, Dordrecht. Den Haag, Leiden, Rotterdam om te trachten een eenheid te bereiken. Er was toen nog zoo weinig om ons den weg te wijzen in ’t groote padvindstersoerwoud, waarin we allen zochten naar den juisten weg om de mooie plek te bereiken,

waar we voelden, dat ons streven ons ten slotte brengen moest. En we wisten, dat we allen iets van onze werkwijze, van onze plannen, misschien zelfs een wetsartikel zouden moeten uitwisselen tegen dat, wat de anderen geschikter en beter vonden en we waren bereid dat te doen, zoolang ’t ons hoogste ideaal niet gold en over dat hoogste, daarover waren we het toch allen eens. Dus: toegeven in bijzaken, was ’t parool. Het eerste plan tot deze bijeenkomst kwam een half jaar vroeger reeds ter sprake, toen ik met de Amsterdamsche Meisjesgezellen op de Carolinahoeve bij de Steeg kampeerde met Mevr. Hammes-Van Steenis en de Leidsche Meisjesgezellen en wij Mevrouw Bingham-Lels, de hoofdleidster der Rotterdamsche meisjes-padvinders, die inde Steeg logeerde, bezochten en de mogelijkheid van aaneensluiting bespraken. Er werd geschreven naar Mevr. v.d. Bergh-Van Teijn, de eerste vrouw die in Nederland met de meisjespadvinderij begonnen was, diè was natuurlijk direct bereid; we hoorden, dat er in Dordrecht een groep padvindsters werkte en we noodigden ook de Dordtsche hoofdleidster uit en Mevr. Jacoba Jongsma-Hutten, de hoofdleidsters der Haagsche speursters. En ’t was een gewichtig oogenblik toen tot de oprichting vaneen nationale vereeniging voor meisjespadvinderij besloten werd en dat nog dienzelfden middag gebeurde kwam door den mooien geest van samenwerking en eenheidsgevoel, die ons allen bezielde. Wel waren er natuurlijk moeilijkheden te overwinnen. Het was soms niet gemakkelijk vaneen wetsartikel, vaneen opvatting over werkwijze afstand te doen, doch in volkomen harmonie werden

de wetsartikelen vastgesteld, waarvan we ’t eerste artikel „wees veel voor thuis” o.a. uiteen soortgelijk artikel der Dordtsche padvinderij overnamen. De naam van onze nieuwe vereeniging werd in een tweede vergadering te Rotterdam vastgesteld. Gedachtig aan de werkzame gilden uit vroeger dagen werd de ~Gilde”-naam gekozen en het Nederlandsche Meisjesgilde was geboren. Ons uiterlijke herkenningsteeken werd de achtpuntige ster en de eerste meisjesgezellen, ze zongen dan ook bij hare installatie: O, kleine sterre, zoo helder, zoo rein, Wij willen volgen uw helderen schijn. Wij willen trachten een lichtje te zijn. Als symbool van ons Gilde kozen we een zilveren keten en van die zilveren keten werden de eerste 5 afdeelingen de schakels, hecht in elkaar passend; de hoofdleidsters stonden hand in hand, zoo ook een hechten, hoewel kleinen kring vormend, bereid tezamen alle moeilijkheden 't hoofd te bieden, vervuld van de hoogste idealen. De afdeelingen, de schakels, ieder haar best doende de schakel sterk en in ’t verband te houden, de meisjes de deeltjes van die schakel; eenheden, individualiteiten, doch tezamen gebracht en gehouden door ’t zusterschap der padvinderij. Een padvindster is een zuster van elke andere padvindster. tot welken rang of stand zij ook behoort, van welk land zij ook zij! Padvindsters van Nederland, zorgt dat uw deel van deze schakel hecht en glanzend zij! Leeft op tot je ideaal! Leeft voort in dien mooien geest van eenheid en broederschap, die ons, eerste werksters, bezielde, ons alle moeilijkheden te boven deed komen. Bouwt voort op de door ons gelegde grondslagen en laat een mooi gebouw verrijzen, waarin gij de levende steenen zift met uw leidsters als de hoeksteenen, die de verbinding vormen en het gebouw steunen. Bouwt je gebouw op vasten grondslag van waarheid en eenheid! Ik kan jullie bij den aanvang van dit tweede „tiental” wat het Gilde ingaat, niets beters toewenschen, dan dat ge in volle harmonie samenwerkend steeds bereid moogt zijn te helpen, waar gij dit kunt, licht en' vreugde brengend, waar gij gaat! Moge dat zoo zijn! M. E. A. CIJFERVAN WIJNGAARDEN, Oprichtster en eerste presidente van het Ned. Meisjesgilde. Amsterdam. Het Gilde voorheen en thans t Is een feit, dat in ons land nieuwe bewegingen met wantrouwen worden begroet. Zoo verging ’t ook de padvinderij voor meisjes, ’t Liefst wendde men, als men padvindsters in uniform tegenkwam, met een verachtelijken blik het hoofd om de enkelen niet te na gesproken. Be-spötte-lijk, zooals die meisjes liepen, dikwijls nog wel met stok en

4