is toegevoegd aan je favorieten.

Goudland; tweewekelijks tijdschrift voor de katholieke welpen en verkenners van Nederland, jrg 4, 1937-1938, no 11, 07-05-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WUItON IK OFFICIE» WERD

BK geloof dat ie*dere jongen als hij nog heel jong is, wel eens een tijd heeft dat hij ineens graag groentenboer of vliegenier of tramconducteur wil worden. Je ziet dan natuurlijk één ding in dat beroep waar je eigenlijk ’n beetje jaloers op bent en och, de rest doet er dan niet veel toe als je dat ene maar hebt. Zo is het mij natuurlijk ook gegaan, de meest verschil-

lende beroepen zweefden me voor de geest maar telkens liep het weer op niets uit omdat er ook iedere keer zoveel bezwaren opdoken, dat je bij je zelf dacht, ik zal maar eens naar wat anders uitkijken. Zo erg lang heeft dat uitkijken bij mij niet geduurd, eigenlijk wist ik op mijn twaalfde jaar al wat ik wilde worden: officier. Nu ging dat eigenlijk nogal van zelf, want om te beginnen Was mijn Vader officier en daar zou, geloof ik, geen enkele jongen tegen bestand zijn. Stel je voor dat je een Vader hebt die je iedere dag in uniform ziet, die bijna iedere dag paard rijdt, en dat je nu en dan een stukje zelf mag rijden of die je aan het hoofd van honderden soldaten met de muziek voorop langs je eigen huis ziet marcheren. Ik zou de jongen wel eens willen zien die dan niet bij zich zelf denkt: „verduiveld, dat zou ik ook Wel willen bereiken.” En daarom besliste ik ook °p mijn twaalfde Jaar dat ik officier wilde worden: net als Vader. Maar er is nu eenmaal een groot verschil tussen den jongen die op zijn twaalfde jaar vindt dat hij pfficier moet worden, omdat zijn Vader het ook ls> en den kerel, die, als hij 17—18 jaar is, toelatingsexamen doet voor de Koninklijke Militaire Academie in Breda om cadet te worden. Bovendien Sa je, als je ouder wordt, heel goed inzien dat officier zijn nog wel iets anders is dan paard rijden en met muziek door de stad trekken. Op mijn veertiende jaar werd ik Verkenner en zo trokken wede duinen in, ’s zomers kampeerden we, er werd gepionierd, kaart getekend en gelezen, enfin al die dingen die jullie nu ook doen. Door dat sportieve buitenleven als Verkenner kwam er al gauw één ding bij mij als een paal boven water

te staan: als ik dan toch mijn vak kon kiezen, dan niet op een bureau. Ik wilde later veel buiten zijn en veel lichaamsbeweging hebben; een betrekking niet met boeken en penhouders maar met mensen, een sportieve, flinke, mannelijke betrekking; wat kan het je verder eigenlijk schelen hoeveel je verdient als je behoorlijk kunt leven en je hebt werk dat naar je zin is.

Het is toch iets om trots op te zijn om te behoren tot hen, waar inde eerste plaats op gerekend wordt om het land en het vorstenhuis te verdedigen, als het nodig mocht zijn, tot hen die in vredestijd ook aanvoerders van mannen zijn, die ze mee helpen opleiden tot flinke soldaten, maar die hen ook veel meer kunnen leren! Alles bij elkaar maakte dat ik, meer vastbesloten dan ooit, besloot examen voor de K.M.A. te doen. Dat kon nog een moeilijk punt worden op den weg naar officier, want je kon natuurlijk zakken en bovendien werd er door de uitslag van het examen beslist bij welk wapen je zou komen, dus bij de infanterie, artillerie, cavelerie of genie. En op dat laatste de genie had ik mijn zinnen gezet en wel speciaal op een afdeling daarvan, de pioniers, dat zijnde soldaten die bruggen bouwen, wegen aanleggen, enz.

Beëdiging als officier.

’n Brug, die de schrijver van dit artikel bouwde.

247