is toegevoegd aan je favorieten.

Goudland; tweewekelijks tijdschrift voor de katholieke welpen en verkenners van Nederland, jrg 4, 1937-1938, no 11, 07-05-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ic HcJ. Marine in Je Spaanse 'rateren

WOEN inde zomer van het jaar 1936 de burgerkrijg in Spanje begon, had niemand vermoed, dat ook Nederland eerstdaags actief zou deelnemen aan de bescherming van Nederlandse belangen in het Spaanse gebied.

Wat waren dat dan wel voor belangen? Zoals jullie weten, ligt ten Zuiden van Spanje de straat van Gibraltar. Deze straat vormt de verbinding tussen twee grote wereldzeeën, n.l. de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee, en wordt daardoor bevaren dooreen zeer groot gedeelte van alle schepen, die ter wereld bestaan. Wartt juist door de opening van het Suezkanaal, dat weer een verbinding vormt tussen de Middellandse Zee en de Rode Zee, hebben de meeste schepen, dié bestemd waren voor Azië, ons Indië en Australië de route, die vroeger om Zuid-Afrika ging, ingekort. Deze straat nu, naar de Engelse kroonkolonie geheten, is een 5 tot 10 mijl brede doorgang tussen het eigenlijke Spanje en Spaans Marokko, in Noord-Afrika. In het begin van de oorlog, was Noord-Afrika geheel in handen van Franco, de aanvoerder van de z.g. Witte Partij, terwijl de overkant in handen was van de eigenlijke Spaanse Regering. Toen echter zowel door het veroverend optreden van Franco als door het gebrek aan behoorlijk varend personeel bij de regering, de straat Gibraltar aan beide zijden in handenwas van Franco, begonnen de moeilijkheden te komen voor de diverse landen, die hun scheepvaart door de straat onderhielden.

Onze Ass. Hoofdkw. Comm. voor Zeeverkenners, B. G. A, Mahieu, is na ’n langdurig verblijf inde Spaanse Wateren in het vaderland teruggekeerd en vertelt ons nu wat van z’n wedervaren.

De oorzaak van die moeilijkheden lag voornamelijk inde omstandigheid, dat Franco wilde voorkomen, dat schepen van vreemde nationaliteit handel dreven met havens van de Spaanse Regering. Want de grote havens aan de Oostkust

van Spanje waren allen nog in het bezit van de Regering. Hoe makkelijk konden daar dus wapens en munitie ontscheept worden, waardoor de Regering zijn tegenstand tegen de Witten kon versterken en verlengen. Het gevolg hiervan was, dat door Franco alle schepen, die door hem werden verdacht oorlogstuig bij zich te hebben voor de Regeringspartij, inde straat van Gibraltar werden aangehouden en zo nodig opgebracht. Zelfs ging Franco zo ver, dat de schepen, die een gewone handel dreven met de Regeringshavens, eveneens werden aangehouden, omdat de handelswaren, die daar werden verscheept, vroeger in bezit waren geweest van aanhangers van de Franco-partij, dus onrechtmatig in het bezit waren gekomen van de Regering. Toen nu in Maart 1937 enige Nederlandse schepen waren aangehouden en naar de oorlogshaven Ceuta waren opgebracht, heeft de Nederlandse Regering direct er voor gezorgd, dat een onzer oorlogsschepen steeds inde Straat van Gibraltar aanwezig zou zijn, om alle schepen van Nederlandse maatschappijen door de Straat te begeleiden. Zo gebeurde het, dat Hr.Ms. „Java” die juist op weg was. van Indië naar Nederland, zoveel mogelijk spoed moest betrachten, om zijn post inde Straat in te nemen. Tot zolang zou dan Hr.Ms. „Hertog Hendrik” die toch inde Middellandse Zee ver-

WAAROM IK OFFICIER WERD. (vervolg) Het examen viel nogal mee. Ik kreeg mijn zin en moest me op een bepaalde dag „melden” om cadet van de genie te worden. Op die mooie dag trokken we, er was natuurlijk een heel stel lotgenoten, de K.M.A. binnen, trots als pauwen, allemaal nog wel in burgerpak, maar ieder voelde zich toch al half en half officier. Dit bleef de eerste dagen zo tot de oudere jaarscadetten van verlof terugkwamen. Je werd dan tevens voor het eerst in uniform gestoken met een, naar je eigen gevoel, belachelijk hoge en nauwe kraag en je beseft dan opeens dat maakten trouwens de oudere cadetten je ook erg duidelijk, dat je toch eigenlijk nog maar op de aller-onderste trede stond, dat

tweede luitenant zijn wel een heel ver ideaal was en dat je nog drie harde jaren voor je had. Dit kwade moment kwamen we natuurlijk allemaal vlug te boven, anders waren we niet geschikt voor officier geweest en daarna vielen die drie „harde” jaren nogal erg mee. Er was natuurlijk wel een massa te doen: studeren, exerceren, sport, pionieren, maar omdat je dat zelf gekozen hebt is dat geen van alle vervelend. Zo verliepen dan drie jaar erg vlug, toen nog een vervelende tijd, het eindexamen, ook dat verliep naar wens en toen was de grote dag aangebroken waarop ik werd beëdigd als officier. B. van Slobbe, 2e luitenant v.d. Genie.

248