is toegevoegd aan je favorieten.

De padvinder; algemeen orgaan voor de Vereeniging "De Nederlandsche Padvinders", jrg 6, 1920, no 8, 1920

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WEGGEJAAGD. Jack had geen tijd meer, de aanwijzingen van Laurence’s verdwijning en de beddelakens aan ’t venster te verwijderen. De deur werd geopend en de jonge man, die blijkbaar de baas van ’t geheimzinnig huiswas, trad binnen, riij hield een lamp inde hand en belichtte daarmede alle hoeken van de kamer. Toen lachtte hij spo.tend . „Zoo," zei hij, „dat is dus de manier waarop jullie woord houdt". „Neem me niet kwalijk", merkte Jack beleefd op „gij zelf hebt die eenzijdige afspraak voorgesteld; ik kan me niet herinneren dat ik beloofd heb niets te zullen probeeren om te weten te komen waarom wij als gevangenen behandeld worden". Je denkt toch zeker niet dat ik ’t voor de grap doe?" vroeg de ander maar nu ik merk dat ge misbruik hebt gemaakt van mijn gastvrijheid, evenals de jongen die uit ’t raam is geklommen, verzoek ik u zoo gauw mogelijk te vertrekken. En Ik verzeker u, dat, als ge niet dadelijk gaat, ge er spijt van zult hebben". „Maar wat bezielt u toch ?“ vroeg Jack. Dat is mijn zaak", was ’t korte antwoord. Hij nam Jack’s gesloten koffertje, dat op den grond bij ’t bed lag en gooide ’t zonder veel gedoe, ’t raam uit; „Ziezoo", zei hij, „nu kunt ge uw koffertje volgen Een blos van woede overtrok Jack’s gelaat. Hij balde de vuisten en een oogenblik scheen ’t, alsof hij den ander te lijf wilde gaan; toen kwam zijn gevoel voor’t komische van ’t geval hem te hulp. „Best", zei hij, „ik mag niet vergeten, dat ik u voor een goed avondmaal te danken heb. En ge hebt eigenlijk gelijk; uw zaken gaan mij niet aan. Toevallig komt deze nieuwe zet mij goed van pas". Zoo dan zijn we allebei tevreden", antwoordde de jonge man spottend, „ik heb de eer u goeden nacht te wenschen". Jack liep naar ’t venster. Hij was een athletische jonge man en wat Laurence gedaan had, kon hij ook. Zonder verder een woord te zeggen, zwaaide hij zich over t kozijn en greep ’t touw. Hebt u niets vergeten?" smaalde de huisheer, die Jack nakeek „in uw eigen belang raad ik u niet te treuzelen", riep hij Jack nog toe. „Maak je niet ongerust", riep deze terug, „’t is duidelijk

eenoeg dat ’t tijd voor ons is om op te hoepelen, dank u nogmaals voor uw gastvrijheid. Kom Laurence waar zit je ?“ De jongen kroop van achter een struik te voorschijn waar hij op wacht gelegen had. Jack raapte zijn koffertje op : „We hebben ons congé gekregen, oude jongen", zei hij, „maar daarom niet getreurd". Laurence : „neen, ’t is juist leuk", meende hij. „Juist, zóó moei je ’t opvatten", leerde jack. Zoo verlieten zij ’t geheimzinnige huis, dat, voor zoover ’t hen betrof, een geheim bleef. ROOERS AVONTUUR. Om de gebeurtenissen goed te kunnen volgen is ’t noodig de verschillende fazen na te gaan die de opdracht der Stieren nu vormde. . , Roger had bij zijn handelwijze volkomen logsch geredeneerd. Hij was overtuigd dat Charles weer naar Jack en Laurence zou terugkeeren. Het kwam in ’t geheel me bij hem op en daarvoor was ook geen «“en dat Charles niet wist waar zijn vriend zich bevond. Hl) had order gekregen naar ’t stadje terug te keeren en daar op bericht van zijn vriend en den ontvoerden knaap te wachten. Roger grinnikte van pret terwijl hij warmpjes onder t vacht inde auto lag. Hoe heerlijk om dit allemaal aan zijn kameraden te vertellen, ook dat hij zoo slim was geweest onopgemerkt inde auto te kruipen en hij dacht aan ’t gezicht van den chauffeur als hij eens zag dat hij een blinde passagier mêegenomen had. Het was een sterke zware wagen en er was weinig kans, dat ze op dien eenzamen weg een politieverordening zouden kunnen overtreden, dus reden ze met de grootste snelheid. Een oogenblik later waagde Roger ’t, ’t vacht wat op te lichten en om zich heen te gluren. Hij zag den rug van den chauffeur en diens hoofd boven de leuning van de voorzitplaats uitsteken. Blijkbaar had de man slechts oogen voor zijn stuur en den weg vóór zich. Roger durfde nu overeind te gaan zitten en naar buiten te kijken, t Was een prachtige nacht, de auto reed met een snelheid van 50 mijlen per uur en de wind suisde Roger om de ooren. Hij dacht aan zijn kameraden en aan Weston en twijfelde niet of hij zou allen spoedig terugzien. Opeens werd zijn aandacht gevestigd op een flikkerend licht inde verte,

235