is toegevoegd aan uw favorieten.

De padvinder; algemeen orgaan voor de Vereeniging "De Nederlandsche Padvinders", jrg 6, 1920, no 8, 1920

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Opdracht aam de Stierei*°Patrotiille.

padvinder en die moeten altijd klaar zijn om iemand te helpen." , „Ja, dat heb ik gemerkt," lachte de boer. „Wilt u nu binnenkomen, mijnheer, en wat uitrusten?" Het tweetal nam de uitnoodiging met vreugde aan en een oogenblik later zaten ze inde gezellige keuken van de boerderij, waar ze door den boer en zijn vrouw bediend werden. Daarna brachten zij hun gasten een kan warm water en rieden hen aan zich te ontkleeden en rustig te gaan slapen. Plotseling sprong Roger op: „Luister eens, mijnheer," zei hij. Buiten klonk een vreemde kreet; ’t was van de patrouille der Stieren. Roger liep naar de deur en staarde naar buiten inde duisternis: „Waak!" riep hij zoo luid hij kon. „Zing-zang-bombom,“ klonk ’t terug en de kameraden kwamen naar hem toegehold. „Goeie hemel!" riep Roger, „hoe zijt jullie hierheen gekomen’ ’t Is gewoon bovennatuurlijk." „Heelemaal niet", antwoordde Dick „we huurden een auto en volgden je. Is Weston hier ?“ „Neen", zei Roger, „ik was hem op ’t spoor, toen we den brand hier voorbij reden. Ik moest mij aan den heer, in wiens auto ik me verscholen had vertoonen, daar hij den brand niet scheen op te merken en daarna hebben we duchtig gewerkt, dat kan je gelooven." „We vonden je briefje", ging Dick voort, „en we besloten wat van de honderd gulden die Ben verdiend had, uitte leggen voor ’t Westonfonds en vertrokken dadelijk" de anderen lachten „vlogen naar Moorhill en haalden een man ineen autogarage over, ons een kar af te staan. We volgden je met stoom en zagen ook ’t vuur. Daarheen gingen we en vonden toen natuurlijk je auto. „Komt jullie maar binnen," zei Roger, ik ben overtuigd da” de boer er niet tegen zal hebben, zijn huiswas bijna afgebrand en als mijnheer Charles “ „Houdt je mond," viel deze hem inde rede, terwijl hij zich bii ’t troepje jongens voegde „je behoeft mij niet al de eer te geven. Ik begrijp niet hoe je kameraden je hebben gevonden, maar ik begin te gelooven, dat men er vroeg bij moet zijn als je padvinders om den tuin wilt leiden, jullie zoekt zeker Weston?" ...... , Ia mijnheer," antwoordde Dick, „waar zit hij toch . ”Dat weet ik niet," verzekerde Charles schertsend, „en als” ik het wist, zou ik ’t je toch niet zeggen. Vergeet met dat ik een vijand ben en een gemeene ontvoerder, jongens." Juist kwam de boer aanloopen. „Komt binnen jongeheeren," zei hij vriendelijk, „ik ben blij jullie te zien. Ik heb ondervonden datjongens met die pakjes aan meer waard zijn dan gewone." De uitnoodiging werd door de Stieren met vreugde aangenomen. Dick wendde zich tot Ronaldi: Wij moeten onze auto niet langer laten wachten dan uoodig is," zei hij „wil je even aan den chaffeur zeggen dat hij naar Moorhill kan terugkeeren ; wij zijn nu een eind op weg en kunnen van hier uit Weston’s spoor weer volgen, denk ik.“ Ronald groette en verwijderde zich. Charles was zeer ingenomen met de goede manieren en ’t flinke optreden der padvinders. En de boer en de boerin wisten niet wat ze doen zouden om hun gastvrijheid te betuigen: . , „ , „Vergeet niet," zei de man tot Dick, toen ze allemaal gezellig biieen zaten, „dat als we jullie kameraad hier niet gehad hadden, wij op ’t oogenblik dakloos zouden zijn, we willen dus voor u doen wat we kunnen". „Dank je wel", zei Dik, „de Stieren zijn er erg dankbaar voor en Roger heeft de patrouille eer aangedaan, als ge ons soms morgen vroeg iets te eten wilt geven tis nu al te laat en wij hier wat mogen blijven rusten zult ge ons spoedig kwijt zijn. We hebben morgen heel veel te doen".

„Met genoegen, hoor“, zei de boer. „Zoo, dat is dus afgesproken“, zei Dick. „Jullie brengt me bepaald in ’t nauw", lachte Charles, „ik ben wel jullie vijand, maar ik zal jullie toch morgen vroeg in mijn auto naar ’t kruispunt brengen, ’t Is 10 mijlen van hier". „Ik denk dat Weston wel een teeken voor ons zal hebben achtergelaten", meende Dick. JACK KOMT OP EEN GOED IDEE. Nadat Jack en Laurence ’t geheimzinnige huis waren uitgezet, volgden zij een eenzamen weg daarachter gelegen, en Laurence verzuimde niet ’t teeken „dezen kant gegaan", voor de Stieren achter te laten, voor ’t geval dat zij zijn spoor konden volgen. Een tijdlang liep ’t tweetal zwijgend verder, ieder in zijn gedachten verdiept. Eindelijk zei Jack: „Ik zou toch graag achter ’t geheim gekomen zijn, heb jij er benul van Laurence?" „O, dat zou ik meenen" antwoordde deze „ t zijn valschemunters of spionnen of smokkelaars, ’t kan van alles beteekenen". . Juist," meende Jack, „we zullen er maar met verder aan denken; ’t gaat ons niet aan, maar die jonge man die de eigenaar scheen, zag er toch met uit als een schavuit. Misschien is ’t maar een doodonschuldig zaakje. En nu moeten we eens gaan bedenken, wat we verder zullen doen. ik zal je maarde heele waarheid zeggen jongelief, hoewel je die misschien al lang zelf gesnapt hebt. Ik handel op voorschrift van den heer Marsham, hij is een beste man maar een zonderling in veel opzichten en hij heeft ’t in zijn hoofd gekregen, jou en de anderen eens flink lastig te maken Hij droeg me op de rol van ontvoerder te spelen, zie je." ... Jawel" lachtte Laurence „en dat vind ik juist leuk . ”Nu, ik moet zeggen, ik heb ook plezier in ’t gevalletje gekregen," verzekerde Jack, „maar ik zal t jou en den Stieren toch niet makkelijk maken. Ik ben overtuigd dat ze ons spoor zullen vinden en ons achternakomen. Wij moeten hen ’t vuur aan de scheenen leggen. We zijn hun een heel eind vooruit en ik begin moe te worden, dat wil ik wel weten ; dus moeten we ergens een onderdak zoeken, maar erg veel huizen schijnen er in dit werelddeel niet aanwezig te zijn. Waar zou deze weg heenvoeren?" Een ding is zeker," verkondigde Laurence, „dat er hier nog kort geleden een kar heeft gereden, kijk u maar eens, hoe versch de wielenafdrukken nog zijn." Ja ik zie ’t," antwoordde Jack, „we kunnen dus dit spoor volgen en afwachten waar’t ons brengt; alles is beter dan niets, ’t Is veel te koud om in open lucht te slapen. „Zoo zwoegden ze verder de laan door en stonden eindelijk voor een hek, waarachter zich een hoog huis verhief. „Dat is een meevallertje," zei Jack, „’t is heusch een huis en al zie ik nergens licht, zal ’t toch wel bewoond zijn. Het hek schijnt pas hersteld te zijn en de heg opnieuw opknipt; je ziet ik begin ook al padvindeng te ° „Verbeeld je, dat ’t weer een geheimzinnig huiswas, zei Laurence. , . „We zullen ’t er op wagen," verzekerde Jack dapper. Hij duwde het hek open en volgde ’t pad, dat naar de hofstede voerde, omgeven door schuren en bijgebouwen. Zelfs inde duisternis, of beter gezegd inde schemering, want de maan scheen nog helder, zag men dadelijk dat de boerderij goed onderhouden was. , „Wie hier woont is een goed boer, fluisterde Jack, „afles ziet er inde puntjes uit." Het zware geblaf vaneen grooten hond verbrak de stilte. „Ik hoop dat hij vastligt," mompelde Laurence, „’t geluid komt van binnen." ... Het tweetal sloop naar ’t huis en t geblaf werd luider

237