is toegevoegd aan uw favorieten.

De jonge vrouw; geïllustreerd Christelijk tijdschrift voor de vrouwelijke jeugd ter voorbereiding van de taak der vrouw in huis en maatschappij, jrg 15, 1933, no 7, 1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Halle-huis.

Het halle-huis in zijn zuivere vormen is de treffende uitdrukking van het stam-karakter van zijn scheppers: de Saksen. Het is naar zijn oorsprong en wezen de huizing, welke de boersche Saksische stam zich heeft geschapen. Het draagt zijn trekken: stoer, in zichzelf gekeerd, zelfstandig, van een natuurlijke voornaamheid, daarbij innig natuurverbonden (afb. 1). Onder de groote, beveiligende, laag naar de aarde afhangende dakhuif concentreert zich alles om het werk van den landman. In de groote halle zijn aan weerszijden, langs de lage zijwanden, achter de zware houten stijlen, die als machtige pilaren het dak schoren, de stallen ondergebracht voor de paarden, de koeien, de varkens. In het midden ligt de ruime deel, waar al het binnenwerk gebeurt en vanwaaruit het vee wordt gevoederd. Daarboven rust in het najaar op de sterke balken de kostbare oogst. Als een machtige tempelpoort staat de schuurdeurboog in den gevel, dikwijls door een paar lagere staldeuren geflankeerd. De andere gevel verbergt het woongedeelte, in het midden waarvan zich de haard bevindt.

In de oorspronkelijke Saksen-huizen ontbreekt iedere afscheiding tusschen deel en woongedeelte. Dit zijn de zgn. ~los-hoezen", zooals die nog (in ons land) in Twente en in het Oosten van de Graafschap gevonden worden. Het loshuis is de oudste vorm van het Saksische halle-huis, zooals zich dit uit het Oudgermaansche boerenhuis heeft ontwikkeld, van welke ontwikkeling wij in ons vorig artikel een uitvoerige beschrijving hebben gegeven. Men vindt daar, resp. op blz. 193 en 190, ook afbeeldingen van het uiterlijk en het inwendige van zulk een loshuis.

Naast dezen oorspronkelijken vorm van het halle-huis, welke nog alleen ten Oosten van de Regge voorkomt, hebben zich allerlei afgeleide vormen ontwikkeld. Tusschen woongedeelte en deel kwam een scheidsmuur. De vakwerkbouw maakte plaats voor baksteenbouw. De haard werd naar deze scheidsmuur gedrongen en ten slotte bij sommige vormen zelfs naar een afzonderlijke keuken

in één der kleinere, lagere zijvertrekken. In sommige streken begon men het hooi óf het vee in afzonderlijke bouwwerken onder te brengen. In dc Oostelijke provincies, Drente, Overijsel en Gelderland, met hun overwegend Saksische bevolking, heeft het halle-huis toch zijn oude karakter bewaard. In het Westen echter (ongeveer Utrecht en Zuid-Holland), waar het door een overwegend Frankische bevolking werd overgenomen, heeft het zich tot een afzonderlijk type, het Frankische halle-huis, ontwikkeld. Dit onderscheidt zich vooral daardoor van het Saksische, dat de scheiding van schuur en woongedeelte sterker is doorgevoerd (veelal bevindt zich tusschen beide een gang of een paar werkruimten), dat de huisdeur uit den voorgevel naar opzij is verplaatst en verder ook daardoor, dat zich op het erf meerdere bijgebouwen bevinden, waarin onderdeelen van het bedrijf zijn ondergebracht (koestal, hooibergen). Behalve het stam-karakter speelt hier o.m. ook de aard van het bedrijf een groote rol: in het Oosten, op het diluvium, vindt men meer akkerbouw; in het Westen, op de klei, heeft de veeteelt zijn stempel op het geheele boerenbedrijf gedrukt. Het is voorts eigenaardig, dat ook de beide andere boerenhuis-typen, die onder Frankischen invloed zijn ontstaan, het langgevel-type en de Frankische hoeve, zich door deze decentralisatie, dit scheiden van woonhuis en de verschillende bedrijfsonderdeelen onderling, kenmerken. Op blz, 69 en 70 (Soest) van dezen jaargang vindt men afbeeldingen van boerderijen van dit type. |

Een derde ondertype van het halle-huis verdient nog vermelding, n.l. het dwarshuis, ook wel T-huis en in Noord-Brabant „krukhuis” genoemd. Dit type heeft zijn ontstaan te danken aan den toenemenden welstand van den boer in de streken, waar het overwegend voorkomt. Bij het wassen der welvaart werd behoefte gevoeld aan aanpassing bij de steedsche huisinrichtingen en gemakken; in de eerste plaats was daartoe wel noodig een verhooging der kamerzolderingen en der vensters. We zien dan ook, zoowel bij het Saksische als bij het Frankische halle-huis. talrijke voorbeelden, waarbij

Afh. 3