is toegevoegd aan uw favorieten.

Weekblad der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen, jrg 68, 1939, no 3497, 01-07-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevolgen van de belastingheffing niet afzonderlijk mag beschouwen, doch slechts als onderdeel van de economische en sociale overheidspolitiek in haar geheel. En tenslotte, dat met de belastingheffing ook andere doeleinden dan zuiver fiscale mogen worden nagestreefd. Op praktische overwegingen de noodzaak, dat de Schatkist met zekerheid op haar inkomsten moet kunnen rekenen zal het aanbeveling verdienen, de niet-fiscale doeleinden niet al te zeer op den voorgrond te stellen, terwijl het methodologische voordeelen biedt, de fiscale en de andere motieven van een maatregel van gemengd karakter duidelijk van elkander te onderscheiden; aangezien het belastingrecht niet is een zelfstandig geheel, doch een onderdeel van een groot organisch geheel, bestaat tegen een zoodanige vermenging op zichzelf echter geen principieel bezwaar

Zoo ineenen wij, dat, hoe het nieuwe algemeene beginsel voor de heffing van de belastingen dat komen gaat, er ook moge uitzien, de weg naar dat beginsel geen andere kan zijn dan deze : de belastingwetenschap dient, anders dan tot dusver, de belastingheffing te zien als een onscheidbaar geheel van het organische geheei dat de rechtsorde vormt; zij dient niet alleen te vragen naar de rechtvaardigheid van het belastingstelsel, doch zij dient deze te beschouwen in verband met de rechtvaardigheid van de geheele rechtsorde ; de overheid dient niet te aarzelen, ook de belastingheffing zoo noodig te gebruiken als een middel tot vervulling van haar sociaal-economische taak.

V.

Alvorens dit opstel te besluiten, dienen thans nog enkele punten ter sprake te worden gebracht.

In de eerste plaats dient in korte woorden te worden weerlegd een bezwaar, dat tegen de voorgestelde methode zou kunnen worden aangevoerd. In de tweede plaats dient te worden gewaarschuwd tegen een overschatting van hetgeen door middel van belastingheffing kan worden bereikt. In de derde plaats dient te worden onderzocht, of de overtuiging dat de draagkrachttheorie haar tijd heeft gehad, al dan niet moet leiden tot een breuk met de bestaande belastingpraktijk en met het bestaande belastingstelsel.

Wat het bezwaar betreft, waarop hierboven werd gedoeld, men kan zich afvragen, of de in dit opstel verdedigde opvatting niet tot een verwarring van problemen aanleiding moet geven. Tot dusver kan worden geredeneerd behoefden wij uitsluitend te spreken over de rechtvaardigheid van de belastingheffing op zichzelf, terwijl in het vervolg mede de rechtvaardigheid van de rechtsorde als geheel in de beschouwingen moet worden betrokken. De belastingheffing wordt aldus bedoelde opvatting op deze wijze van het gebied van de wetenschap verplaatst naar het terrein van de levens- en wereldbeschouwing en van de politiek.

Deze redeneering kan echter bij nadere beschouwing geen stand houden. In werkelijkheid zal het beschouwen van de belastingheffing als een integreerend deel van de rechtsorde in haar geheel de problemen niet ingewikkelder maken, doch het zal alleen een eerlijke behandeling van die op zichzelf moeilijke en veelomvattende problemen bevorderen. Ook thans is n.l. de belastingheffing reeds een overwegend politieke vraag. Men zie slechts wat er geschiedt, indien een concreet belastingvoorstel aanhangig wordt gemaakt. Het zal dan blijken, dat allen over hetzelfde, n.l. over draagkracht praten, doch dat ieder zich daarbij iets anders voorstelt dan de anderen doen. De oorzaak hiervan is, dat in de individueele opvattingen over wat draagkracht is, de maatschappelijke inzichten steeds zijn verdisconteerd. De draagkrachttheorie toch heft de politieke en maatschappelijke verschillen niet op, doch zij verdoezelt ze alleen door haar gebrek aan inhoud.

De waarschuwing is deze, dat de onrechtvaardigheden die de tegenwoordige inkomstenverdeeling naar vrijwel aigemeene overtuiging oplevert zie boven —, niet uitsluitend door fiscale maatregelen kunnen worden opgeheven. Tot een zoodanige taak toch is de belastingheffing niet in staat. Daargelaten nog, dat de onrecht-

Vóór de geoorloofdheid van de z.g. ~nevendoeleinden” Prof. van Gijn, t.a.p. blz. 23.

Scherp afwijzend daarentegen Prof. Bordewijk, biz. 570—571, zulks in overeenstemming met de gangbare opvattingen. Vgl. bv. Prof. Dr. W. Gerloff, artikel Steuerwirtschaftslehre, in Handbuch der Finanzwissenschaft 1, blz. 443 en 457.

vaardigheden niet alleen voortspruiten uit te groote verschillen in de bedragen van de individueele inkomen, doch wellicht nog meer uit de wijze waarop en de mate van inspanning waarmede die inkomens zijn verworven waarmede echter de belastingheffing niet of nauwelijks rekening kan houden —, leidt het te hoog opvoeren van de progressie tot remming van den ondernemingsgeest en daarmede tot schade voor de volkswelvaart, Een eventueel wenschelijk geachte tempering van de bestaande welvaartsverschillen zal dus in hoofdzaak op andere wijze dan door de belastingheffing moeten worden nagestreefd.

En dan tenslotte de vraag, of uit de in dit opstel verdedigde veroudering van het draagkrachtbeginsel een radicale breuk met het bestaande belastingstelsel voortvloeit. Reeds de omstandigheid, dat niet een nieuw beginsel van belastingheffing werd aangewezen, doch slechts een nieuwe methode om tot een zoodanig beginsel te geraken, brengt een ontkennend antwoord op deze vraag mede. Verschillende omstandigheden leiden er toe, om hetgeen historisch gegroeid is, vooralsnog in groote lijnen intact te laten. Gehandhaafd kan derhalve ook blijven, wat de draagkrachttheorie aan draagkracht heeft weten te verwezenlijken, n.l. de progressieve inkomstenbelasting. De wetgever moet evenwel weigeren, zich tot slaaf van de draagkrachtgedachte te maken, door de heffing naar draagkracht als opperste richtsnoer voor den-ophouw van het belastingstelsel te beschouwen ; en bovenal, moeten wij zelf nu eindelijk eens ophouden met steeds over heffing naar draagkracht te praten, een uitdrukking zonder reëelen inhoud, die slechts valsche illusies omtrent een ethische waarde vermag voor te spiegelen. Zijn tot verdediging van groote belangen van het volk sommen noodig die niet op andere wijze kunnen worden verkregen, dan behoeft het derhalve niet in strijd te zijn met de gerechtigheid, hiervoor een proportioneele heffing te kiezen waarin een aftrek voor noodzakelijk levensonderhoud ontbreekt. Evenmin zal de gerechtigheid worden geschonden, indien de wetgever, mocht onverhoopt het geval zich voordoen dat het bestaan van de Nederlandsche volksgemeenschap op het spel komt te staan, van de zeer welgestelden bijdragen vordert die hetgeen zij naar een normale progressieschaal verschuldigd zouden zijn, verre overtreft Het gaat immers steeds om de gerechtigheid van de samenleving als geheel en van dengene wiens inkomen hem in zeer exceptioneele tijden niettemin nog de mogelijkheid tot een uitzonderlijk groote behoeftenbevrediging biedt, mag worden gevorderd, dat hij, ook naar verhouding, zijn behoeften sterker beperkt dan zij voor wie de tijdsomstandigheden slechts weinig goeds overlaten. Leerzaam is in dit verband de belastingheffing in Engeland in de jaren 1915—1920, waar tarieven voorkwamen van 80%. Van een heffing naar draagkracht was daar geen sprake meer ; toch werd deze belastingheffing niet als onrechtvaardig gevoeld en was zij ook niet onrechtvaardig.

Maakt de wetgever aldus de belastingpolltiek, evenals de andere onderdeelen van zijn beleid, doelbewust dienstbaar aan zijn tweeledig doel —■ de verwerkelijking, voor zooveel mogelijk, van de gerechtigheid en de bevordering van de volkswelvaart in den ruimsten zin van het woord dan zal dit medebrengen een zuiverder bezinnen op wat de gerechtigheid heden ten dage voorschrijft en voorts een meer consequent rekening houden met de eischen der economie. Bij beide kan de samenleving slechts worden gebaat, terwijl het meer naar den voorgrond brengen van sociale en economische gezichtspunten de eenige manier is, waarop het mogelijk zal zijn, in de in de toekomst ongetwijfeld nog stijgende behoeften van de schatkist te voorzien. H. J. HOFSTRA.

Wijziging Tariefwet.

Sinds 1 Maart j.l. wordt het „Ontwerp wijziging tariefwet” toegepast en ik vermoed dat velen, met de uitvoering ervan belast, even als ik tot de ontdekking zijn gekomen dat het er niet gemakkelijker op is geworden.

33) Van Gijn, Praeadvies blz. 25. Bordewijk, t.a.p. Hoofdstuk 1 par. 4. 33) De vraag of dit onder de huidige omstandigheden economisch mogelijk is, blijft hierbij buiten beschouwing.