is toegevoegd aan uw favorieten.

Groningen; tijdschrift voor de volkstaal, geschiedenis, volksleven enz. van de provincie Groningen, jrg 1, 1916, 1916

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar als we ons herinneren, dat de Sakser en de Fries al heel vroeg zich saamverbonden tegen de dreigende macht van de Franken in ’t Zuiden en dat van eene vijandelijke verhouding tusschen de beide stammen nooit sprake is geweest, dan mogen we zeer zeker teruggaan tot het begin hunner buurschap, dat is tot het einde der Volksverhuizing (c.a. 600). Frieslands oudste geschiedschrijver Occo Scarlensis verhaalt ons in zijn Cronieken, „dat men in het jaar 806 op Ameland den afgod Foste omvergéworpen heeft en van zijn tempel een bedehuis der Christenen gemaakt, hetwelk later tot een klooster werd ingericht en den naam Foswert bekwam” en eenige bladzijden verder, „dat dit door Hajo Camminga zoude zijn bewerkstelligd.” Winsemius, die hem dit naschrijft en nog wat aandikt, stelt dit optreden van gezegden Hajo Camminga op het jaar 876 vast. Dit verhaal strijdt in geen enkel opzicht met onze bewering van straks; onder de regeering van Karei den Groote en zijne opvolgers over het Frankische rijk, kon, in aanmerking genomen de worsteling der vereenigde Saksers en Friezen tegen ’t opdringende Christen- en Saksendom, een energieke Sakser zich wel tot hoogen rang onder de Friezen verheffen. Het spijt me evenwel er te moeten bijvoegen, dat het frappante verhaal, hoewel lang in goed vertrouwen als waar aangenomen, voor ’t scherpziend oog van den onderzoeker in later tijden alle wezenlijkheid en glans moest verliezen en naar ’t rijk der fabelen terugwijken; ’t spijt me ook om mijn betoog zelf, wijl ik er een heerlijk voorbeeld van Saksischen durf, door voorspoed bekroond, in verlies. Den familienaam Camminga laat ik dus maar eerst rusten; eerst in ’t midden der 15e eeuw treedt hij weer en nu mgt zekerheid op; maar ik heb oudere voorbeelden. Den oudsten vertegenwoordiger van onzen vorm inde Groninger Ommelanden vind ik inden naam Thitard Dodinga, (1255) en, wat wel opmerkelijk is, de beide persoonsnamen, die we er in herkennen, zijn van zuiver Frieschen oorsprong, een bewijs dus, dat het toen al niet meer ongewoon was om den Saksischen vorm aan Friesche namen te hechten, alhoewel de vorm Thitard ons bewijst, dat het Friesch als spreektaal nog niet tot het verledene behoorde. Later zou die naam in Frieschen mond verloopen tot Siard (Siert) en Tiard (Tjaard), in Saksischen mond tot Dieterx). Den stamvorm Do(o)d in onzen familienaam is kennelijk een persoonsnaam, die in dien tijd den vorm Dodo zal gehad hebben; ineen handschrift2) van de Abdij van Werden (aan de Ruhr) omstreeks het jaar 1000, bevattende de namen van een aantal bewoners dezer streken, die aangezegde Abdij pachtschuldig waren, heette hij nog Dudi, tegenwoordig hooren we hem nog als Doede en Douwe.

!) De overgang van th aan den éénen kant ins, aan den anderen in t is licht te verklaren voor iemand, die een weinig Engelsch spreekt. 2) In Westendorps Jaarboeken vermeld.