is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooneel en bioscoop; inlichtingen voor Roomsch-katholieken-weekblad uitgegeven door het hoofdbestuur van "Voor Eer en Deugd" te Rolduc, 1915, no 9, 1915

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEEL EN BIOSCOOP.

TOONUL.

DIM HAAG

H#t BSr@fe®ït|«. aulhier Haard®

(Goedgekeurd.) Kerstvertelling van Charles Dickens. Gedramatiseerd in 3 bedrijven door Mevr. Suze la Chapelle-Roobol Opgevoerd door „Die Haghespelers” te ’s-Gravenhage.

Er zijn van die Kerstverhalen, die met Kerstmis ongeveer niets uitstaande hebben dan dat ze 0p25 December spelen. Hier hebben we er een, dat, althans in zijn dramatischen vorm, er nog minder gemeen mee heeft. Naar de uiting vaneen der spelers te oordeelen, valt het een maand later voor en van Kerstmis wordt er niet gerept. Is die ouder-titel maar'gekozen om publiek te lokken of moeten de zoetelijke, romantische voorvallen in het stuk op Kerstmis duiden? Enfin, het publiek inde moderne Kerststemming die onder het motto: groene hulst en roode klokken heeft zich inde dagen rond Kerstmis niet onbetuigd gelaten en de „Kerstvertelling” druk gefrequenteerd. De fabel is vrij onschuldig. De voerman Peerybingle woont gelukkig met zijn jong vrouwtje Mary ineen ouderwetsch huis, waar een krekeltje achter den haard piept. Mary is een beetje bijgeloovig en beschouwt dat krekeltje als een goede genius. Peerybingle komt op een avond thuis met een oogenschijnlijk stok-oud man, dien hij langs den weg vond. Al spoedig merkt Mary, dat het oudje echter vermomd is en de zoon vaneen hunner kennissen, Caleb Plummer, die met zijn blinde dochter hun Eduard als in Amerika omgekomen betreuren. De aldus vermomde Eduard blijft voorloopig bij Peerybingle aan huis en wordt weer in kennis gebracht met May Fielding, van wie hij vroeger veel gehouden heeft. De liefdewas wederkeerig, maar toen May Eduard als verloren beschouwde, heeft zij er werktuigelijk in toegestemd de vrouw te worden vaneen zekeren Tackleton. Op den dag, dat zij met dezen in ’t huwelijk zou treden, doet zij ’t met Eduard. Inmiddels heeft Peerybingle, die zijn vrouw met den vreemdeling (Eduard) ineen onderhoud verraste, achterdocht tegen haar opgevat en wil den vreemdeling dooden. Door het gepiep van het krekeltje wordt hij echter teruggehouden. Peinzend valt hij in slaap en de krekel verschijnend inde gedaante eener fee, toont hem inden droom, hoe zijn vrouw met ijver haar dagelijksch werk verricht, liefderijk de blinde Bertha verzorgt, enz., en vraagt hem, of zulk een vrouw hem ontrouw kan zijn. Ten slotte loopt alles prachtig af. Het blijkt, dat de vreemdeling niet om Mary maar om May kwam. Zóó mooi loopt het af, dat Tackleton, wien op den bruiloftsdag de bruid ontfutseld werd, zelfs de bruidstaart bij het jonge paar brengt en zijn onderhoorigen verhooging van loon geeft. Was dat misschien de Kerstmisstemming ? De, vertooning, waarvan niet veel dramatische kracht uitgaat, was goed verzorgd en als vermakelijkheid wel te aanvaarden. Ph. la Chapelle was als Tackleton een prachtige Dickensfiguur evenals Anton Roemer als Peerybingle. Maar ware de dialoog niet wat krachtiger te maken geweest? ’t Schijnt wel geen gemakkelijk, of wel een ondankbaar werk, romans en novellen in dramatischen vorm over te brengen.

Ouci-Heideiberg, (Niet Afgekeurd.)

Tooneelspel in 5 bedrijven. Naar het Duitsch van W. Meijer Forstner, vert. door Aga. Opgevoerd door „Nieuwland” te ’s-Gravenhage.

Oud-Heidelberg is een stuk, dat, door beroeps- en liefhebberij-tooneelisten herhaaldelijk vertoond, toch weer altijd bij het volk inslaat. Is het zoo boeiend, treffend, raak? Och ja, er zit wel wat in, maarde attractie voor sommigen is toch wel, dunkt ons, dat er zoo met lakeien en hofdignitarissen gewerkt wordt .... Dat trekt altijd. De bekende inhoud komt hierop neer. Karl Heinrich, erfprins van Saksen-Karlsburg, is tot zijn 18e jaar in strenge afzondering opgevoed. Als hij daarna voor een jaar naar de universiteit van Heidelberg gestuurd wordt, springt hij uit den band. Al heel gauw, zóó gauw, dat men hier allicht zal praten van de o nv er m ij d e 1 ij k reactie na zoo’n kort houden. Onvermijdelijk achten wij zulk eea reactie echter allerminst, al schermt men daar nog zoo mee. Maarde erfprins heeft ook een „opzichter” mee gekregen, die de reactie niet weinig inde hand werkt. Na vier maanden sterft de vorst van Saksen en Karl Heinrich moet hem opvolgen. Tot zijn verschrikkelijken spijl komt aan het leven van vroolijken Frans een vroegtijdig einde. Dat leven lokt hem, in zijn ernstige dagen als regent in het stille slot, nog zóó aan, dat hij ’t na twee jaren niet meer kan uit-

houden en Heidelberg nog eens terug gaat zien. Daar is echter veel veranderd en hij wordt ook als vorst in koude statigheid ontvangen. Alleen de nicht van den waard, waar hij vroeger in den kost lag, is hem nog dezelfde gebleven als vroeger. Hij moet echter een vorstin trouwen waar hij niet van houdt en met het droevig afscheid van Carl en Kathie eindigt het stuk". Als gezegd, is Oud-Heidelberg tallooze keeren opgevoerd. Ook in Katholieke vereenigingen; maar dan iet of wat gecoupeerd. Er komen ook een paar passages in voor zoo de studentenuitspanning in verband met de kellnerin Kathie en ’s prinsen verhouding tot haar die makkelijk tot aanstoot kunnen leiden en dus voor elke opvoering aparte beoordeeling eischen. In „Nieuwland" ging het nogal betamelijk toe, zoodat we geen aanleiding vinden het stuk af te keuren. Al moeten we er bij voegen, dat het paedagogisch niet wel door den beugel kan.

IOTTIIDiI

*@n M@'É#iHS©LÉ©®Miii®;@d;;@[iFa (Afgekeurd.) Blijspel in drie bedrijven. Opgevoerd door het gezelschap van M. Spree inden Circus-Schouwburg te Rotterdam.

Onze Amsterdamsche collega zeide in No. 7 dezer uitgave, dat het gezelschap van Spree zoo langzamerhand een zekeren naam begint te krijgen met betrekking tot het opvoeren van onschuldige stukken. „S h er 1 o c k Holmes” te Amsterdam door hem goedgekeurd en „Om de Kroon” door de katholieke bladen gunstig beoordeeld, zelfs aangeprezen, dan zou ook, zoo dachten wij' het blijspel „Een Model-Schoonmoeder” (de twee Kerstdagen als middag-voorstelling gegeven) niets te wenschen overlaten. Wij zijn echter bedrogen uitgekomen. Schunnig inden waren zin kan dit blijspel wel niet genoemd worden, maar toch ongenietbaar voor katholieken. Een jonge vrouw is boos op haar man, omdat zij op haar huwelijksreis in Rome geweest is maarden Paus niet gezien heeft. Nu behoeft dit spreekwoord in zeer veel gevallen nog geen reden tot ergernis te zijn, derhalve kunnen we gerust toelaten dat het als fundeering voor dit blijspel gebruikt wordt, mits dé opbouw en al hetgeen tot verfraaiing aangebracht wordt, de harmonie niet verbreken.

Dit nu is echter wel het geval. Er komen in dit stuk een aantal gezegden en eenige gestes voor, die ons noodzaken het af te keuren. De draad is niet slecht; de schoonmoeder is alweer de bekende en gesmade type, die haar dochter tegen den echtgenoot opzet, maar ten slotte overwonnen wordt. Doch de Fransche lichtzinnigheid heeft hier veel onnoodigs bijgesleept, dat van inférieure kwaliteit en daarom voor ons niet te aanvaarden is.

Prins®» UsL (Zeer Goed.)

Blijspel in drie bedrijven van Ernst Albert, vertaling van Emma Morel. Opgevoerd te Rotterdam inden Tivoli-Schouwburg door „Roomsch Tooneel.“

Als wij ons hielden aan het juist en zuiver volbrengen van onzen plicht, die ons voorschrijft vóór alles te onderzoeken of het opgevoerde stuk in geen enkel opzicht in botsing komt met de godsdienst- en zedeleer der Katholieke Kerk en daarna indien wij dit noodig achten spel en spelers te beoordeelen wij zouden de pen kunnen laten rusten. Hetgeen „Roomsch Tooneel” voor het voetlicht brengt is immers voldoende gecensureerd en dus altijd in overeenstemming met die leer. Waarom grijpen we dan toch naar de pen ? Om „Roomsch Tooneel” te introduceeren bij hen, die haar nog niet mochten kennen, anderen haar bestaan in herinnering te brengen en allen in het kort te beschrijven wie en wat zij is. Als we zeggen, dat hetgeen „Roomsch Tooneel” presteert meer wordt onderschat dan naar waarde beloond, dan zijn we waar zonder eenige overdrijving. „Roomsch Tooneel” is een dilettanten-vereeniging, dat is zoo, maar een die op hoog peil staat. Stellen we eens, beginnende bij den prutser-dilettant en eindigende met den bekwamen beroeps-acteur, negen treden dan is de achtste sport van onzen tooneelladder aan „Roomsch Tooneel” toegewezen en aan enkele harer leden soms de negende sport. „Roomsch Tooneel” heeft dus recht op algemeene bekendheid, meer nog, op algemeene waardeering van katholiek Nederland. Haar doel is het slechte inde tooneelwereld te verdringen en het goede er voorin de plaatste stellen. En om dit te bereiken zijn kosten, tijd noch moeite gespaard geworden. Eerst na zeer veel inspanning en met taaie volharding heeft „Roomsch Tooneel” de aangeduide hoogte weten te veroveren.