is toegevoegd aan je favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 6, 1869-1870, no 31, 28-11-1869

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De methode van Tessié du Mothay, om zuurstof uit mangaanzure soda door middel van stoom los te maken en dan weder uit de lucht aan de mangaanzure soda toe te voeren, is te New-Tork in het groot toegepast. De mangaanzure soda wordt verhit in ijzeren retorten 3 voet in diameter en 6 voet lang. Elke retort bevat 900 Ib. van de mangaanzure soda, welke vermengd is met eenige hoeveelheid der oxyden van koper of van mangaan, omdat de mangaanzure soda op zich zelve smelten zou. De stoom wordt inde retort geleid door eene doorboorde pijp, aan den bodem aangebracht, en ontsnapt na door het manganaat gestroomd te zijn, op dezelfde wijze als het gas bij gasfabrieken, de zuurstof met zich voerende. Wanneer de stoom de zuurstof heeft afgegeven, wordt hij afgevoeid en een stroom lucht strijkt door de pijp, welke lucht het verlies herstelt, hetwelk het manganaat aan zuurstof heeft geleden. Dan oefent de stoom weder zijne werking nit op het manganaat, zoodat de productie onophoudelijk voortgaat. Het manganaat kan 14-| proo. van zijn gewicht aan zuurstof afgeven. Eene aanzienlijke hoeveelheid hiervan wordt telkens daaraan ontnomen en weder uit de lucht aangevoerd.

In plaats van mangaanzure soda is als goedkooper middel inden laatsten tijd mangaanzure kalk aangeraden. Als eene andere methode om zuurstof onmiddellijk uit de lucht af te scheiden, wordt door Loire en Montuagon voorgeslagen, lichamen te bezigen, die stikstof en zuurin zeer verschillende verhoudingen absorbeeren, Houtskool bijv. absorbeert het 985 voudige van haar volume aan zuurstof, maar slechts het 705 voudige aan stikstof. Bloed en oplossingen van phosphorzure en koolzure soda absorbeeren omstreeks 13 proc. zuurstof en slechts 2 proc. stikstof. Het geabsorbeerde, zuurstofrijke gasmengsel zou men door middel eener pomp uit de absorbeerende stoffen kunnen verwijderen en dan met nieuwe absorbtiemiddelen in het luchtledige in aanraking brengen. Door deze bewerking meermalen te herhalen, zon men op het laatst bijna geheel zuivere stikstof overhouden. Sulphidum hypostibiosum voor pharmaceutisch gebruik wordt volgens de Pharm. Suecica uit antimonium crudum bereid door uitgezóchte stukken hiervan tot poeder te wrijven en door slibben van de grove deelen te bevrijden, vervolgens met ammonia liquida gedurende 5 dagen te macereeren, met water af te wasschen enz. In hoeverre het arsenikvrij moet zijn, wordt door de volgende reactie bepaald. Het zij, zoo luidt de beschrijving, een poeder zoodanig bevrijd van arsenik, dat, indien men 1 gram met 4 grammen chloorvrijen en tot poeder gebrachten nitras natricus vermengt, ineen porseleinen kroes ontploft, en het terugblijvende met water uitloogt, dit vocht gefiltreerd, en na met salpeterzuur even zuur gemaakt te zijn, geen roodbruin praecipitaat met eene oplossing van nitras argenticus geeft. Om arsenikvrij zoutzuur te verkrijgen, vermengt men, volgens Bettendorf, 431 grammen zoutzuur uit den handel vaneen spec. gewicht van 1,164 met eene rookende oplossing van tinchlorure, filtreert den gevormden neerslag na verloop van 34 uren af en distilleert vervolgens het zoutzuur uit eene retort. Het eerste tiende gedeelte van het distillaat heeft eene zwakgele tint, hoewel het na eenige uren volkomen kleurloos wordt. Is dit gedeelte overgekomen, dan legt men een nieuwen ontvanger aan en distilleert bijna tot droogwordens. Het zoutzuur bevatte geen spoor arsenik. De bij de vermenging afgescheiden neerslag daarentegen, in arsenikzure ammonia-magnesia

overgebracht, gaf een gehalte van 0,03 proc, arsenik aan. Deze zuivering is gegrond op de reactie, die chloortin op chloorarsenik uitoefent. Het praeparaat is metallisch arsenik met H tot 4“ tin. Bij de onderzoekingen . omtrent de gevoeligheid van dit reagens is tevens geble-3 ken, dat (zooals tot heden ook algemeen aangenomen wordt) arsenigzuur in zoutzuur kan oplossen, zonder daarmede eene verbinding aan te gaan. Zulks is echter slechts in zooverre waar, wanneer het zoutzuur een speo. gewicht van 1,100 heeft. (Op zoodanig zoutzuur oefent het reagens geen werking uit). Brengt men echter arsenigzuur in zoutzuur van 1,115, dan gaat het reeds gedeeltelijk in chloorarsenik over en zooveel temeer, naar gelang het zoutzuur meer geconcentreerd is. Op antimoonverbindingen werkt het tinchlorure niet. Sulphas zincicus crudus wordt in baden aanbevolen (| tot 1 kilo op een bad), in plaats van zeebaden of tanninebaden. Vooral zullen baden met sulphas zincicus nuttig zijn bij zweetvoeten, waarbij zij niet alleen den onaangenamen reuk wegnemen, maar versterkend op de huid werken. De nieuwe braakwekkende base door Mathiessen uit het opium verkregen (zie N°. 13) is een derivaat van de morphine en heeft den naam verkregen van apOUlOl’- phine. Zij heeft tot samenstelling Cl7 Hl7 NO2, dus 1 mol. H2 O minder dan morphine. Zij ontstond, toen _ morphine met een grooten overvloed van zoutzuur gedurende 3-—3 uren in toegesmolten buizen tot 140 a 150 C verhit werd. Bij het openen der buis ontweek geen gas, ook was geen chloormethyl ontstaan en toch was de morphine in eene nieuwe base overgegaan, die, in tegenoverstelling der morphine, gemakkelijk oplosbaar was in aether en chloroform. Om de vochtigheid van zetmeel te bepalen, wordt door Scheibler 1 gewichtsdeel zetmeel met 3 gewiclitsdeelen wijngeest van 0,834 speo. gewicht dooreengeschud en omstreeks 1 uur ter zijde gezet. De wijngeest onttrekt aan het zetmeel de vochtigheid slechts tot een blijvend gehalte aan vochtigheid van 11,4 proc. Daarentegen onttrekt een zetmeel met minder dan 11,4 proc. watergehalte, water aan den wijngeest, waarmede het in aanraking komt. Het'scheikundig watergehalte van het zetmeel = C 6 HlO 05 + H2 O bedraagt 10 proc. De wijngeest wordt door het opnemen van water specifiek zwaarder en uit deze vermeerdering van het spec. gewicht kan een watergehalte van het zetmeel boven 11,4 proc. benaderend gemakkelijk worden aangegeven. Uit de resultaten van meer dan 12 proeven heeft Sclieibler eene tabel opgemaakt voor een wijngeest van 0,8339 speo. gewicht, die tot 65 procenten water in het zet, meel aanwijst. Zonder eenige tabel kan, volgens Hager, met deze methode het watergehalte in het zetmeel benaderend worden aangegeven. Men stelt liet normale watergehalte van goed luohtdroog zetmeel op 13 proc., schudt een wijngeest van 80—90 proc. alcoholgehalte met zijn half gewicht zetmeel, laat 1— 3 uren staan, giet of filtreert den wijngeest af en onderzoekt hem bij dezelfde temperatuur weder op zijn spec. gewicht. Het verschil der beide specifieke gewichten minus 1 geeft het watergehalte hoven het normale aan. Deze berekening is tot 30 proc. watergehalte boven het normale in zooverre juist, dat het watergehalte slechts 0,3 proc. te groot of te klein wordt aangegeven. Bij 20 tot 25 proc. watergehalte bo-