is toegevoegd aan je favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 14, 1877-1878, no 12, 22-07-1877

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet ongepast zal het zeker in deze oogenblikken zijn, het volgende uiteen schrijven van het Directorium van het Duitsche Apothekers-Verein aan de verschillende Eegeeringen der Duitsche Bondstaten over te nemen: //Het kan den opmerkzamen waarnemer niet ontgaan zijn, dat inde laatste 10 jaren de wetenschappelijke vooruitgang der pharmacie geen gelijken tred heeft gehouden met die in andere vakken, zelfs dat hier duidelijke stilstand aan te wijzen is. De voornaamste oorzaak daarvan is gelegen inde onjuiste en onvolkomen regeling der pharmaceutische studie bij de strengere eischen voor de examens gesteld. Werkelijke professoraten voor de pharmacie ontbreken aan de universiteiten. De studenten verkrijgen wel onderricht inde pharmaceutische hulpwetenschappen, maar bij dit onderricht wordt te weinig acht op de pharmacie geslagen, omdat de professoren, aan wie dit onderricht toevertrouwd is, niet uit de school der praktische pharmacie zijn voortgekomen en bovendien wijl het auditorium uit zeer uiteenloopende elementen bestaat. Vooral op het gebied der scheikunde, die inde eerste plaats tot de wetenschappelijke vorming van den pharmaceut behoort, treedt dit gebrek sterk in het licht. De apotheker wil evenmin een scheikundige ex professo worden als de techniker of de landhuishoudkundige. Terwijl laatstgenoemden echter zich de scheikundige kennis, die voor hunne bepaalde vorming vereischt wordt, in bijzondere voordrachten over technische en landhuishoudkundige chemie kunnen eigen maken, vindt de pharmaceut op de meeste Hoogescholen tot zijne speciale vorming geen of slechts weinig gelegenheid. Hij hoort wel algemeene en theoretische, maar geene pharmaceutische chemie, die hij toch in zoo hooge mate behoeft voor zijne latere werkzaamheid in zijn bedrijf. De werkzaamheid van den apotheker bepaalt zich toch inde eerste plaats wel tot het verschaffen van artsenijen aan het publiek, maar hij treedt ook, vooral in kleinere plaatsen, zoowel voor de overheid als voor den arts op als vertrouwde deskundige en wetenschappelijke en technische raadgever. Om den apotheker gelegenheid te geven zich deze kundigheden eigen te maken, is het oprichten van leerstoelen voor de pharmacie aan de Hoogescholen noodig. Inden laatsten tijd is de bereiding der pharmaceutischchemische praeparaten meer en meer uit de laboratoriën der apotheken inde chemische fabrieken overgegaan. Inde praktijk der pharmacie ontbreekt derhalve de gelegenheid, om zulke praeparaten te leeren bereiden. Het is dus bepaald noodig, dat pharmaoeutische laboratoriën ingericht worden, bestuurd dooreen leeraar uit de praktische pharmacie geroepen. De bestaande algemeene chemische laboratoriën, door den Professor inde scheikunde gedirigeerd, bieden den pharmaceut niet aan wat hij noodig heeft, namelijk oefening in het vervaardigen en het onderzoek van pharmaceutisch en medisch belangrijke praeparaten, alsmede het verrichten van onderzoekingen op het gebied van toxicologie en hygiëne.” Uit het antwoord van den Pruisischen minister op dit adres zou blijken, dat in dezen Bondstaat reeds de zaak naar behoefte en verlangen geregeld is. De Minister antwoordt namelijk //met de belangstelling, die de zaak verdient, van het verzoek kennis te hebben genomen, maar moet opmerken, dat op de universiteiten in Pruisen voorlezingen over pharmaceutische chemie op weinig uitzonderingen na, geregeld gehouden worden en er gelegenheid tot bijzondere praktische oefeningen voor pharmaceutische chemie bestaat.” Inden Java-bode vindt men onder Batavia 31 Mei het bericht, dat 7 militairen en 2 koelies van de kolonne, die naar Langsar is geweest, vergiftigd zijn door het gebruik van hetgeen volgens het etiquet opgeloste chinine moest zijn en dat 3 militairen en de koelies aan de gevolgen zijn overleden. Bij de Particuliere Correspondentie van den Java-bode in een later nommer lezen wijde volgende bijzonderheden omtrent dit treurig voorval, hetwelk plaats had bij den terugkeer van het gros der kolonne-Langsar op de //Boni”. Nadat een gedeelte der kolonne bereids op genoemden bodemwas overgegaan, hadden zich eenige militairen en koelies gewend tot den officier van gezondheid der Kon. Ned. Marine de Graaf om medicijnen tegen koorts. De medicijn werd door genoemden officier verstrekt, zooals door getuigen verklaard werd inden vorm van opgeloste chinine, maar nog geen half uur, nadat de chinine was toege-

diend, hadden reeds 3 soldaten en 2 koelies den geest gegeven, onder alle verschijnselen van //vergiftiging”, en waren 4 anderen den dood nabij. De flinke hulp van den off. van gezondheid der K. N. M. Steensma, die met het gros der kolonne aankwam, redde deze vier menschenlevens. De flesch met de toegediende opgeloste chinine was afkomstig van Z. M. stoomschip Merapi. Of nu de inhoud der flesch op eene of andere wijze opzettelijk is vergiftigd, dan wel of eene noodlottige vergissing of verwisseling heeft plaats gehad, is niet bekend. De kolonne-kommandant nam dadelijk de noodige maatregelen om de zaak op te helderen, en om den slechten indruk van het gebeurde zoo mogelijk weg te nemen. Door eene commissie van officieren werd de medicijnflesch verzegeld, en door twee off. van gezondheid der marine werd sectie gehouden over de lijken; thans is de zaak in onderzoek bij den geneeskundigen dienst te Kotta Eadja. Eene particuliere mededeeling aan ons noemt het voorval een gevolg van het recepteeren door onbevoegden in (de niet aan het Staatstoezicht onderworpen) militaire apotheken, hetwelk wij echter niet kunnen beoordeelen. Geachte Redacteur! Erkentelijk voor de opname van mijn stukje in uw Blad van 8 dezer, waarvan het eenig doel was: Verbetering van den Milit. pharmac. dienst en van de positie van diens officieren, iets waartoe elk Militair Apotheker zich verplicht mag achten zooveel mogelijk bij te dragen, neem ik nog even de pen op om eenige ruimte te verzoeken voor het volgende, inde hoop dat het stukje, onder uwe aandacht komende, met den heilwensch ; Slamat! (gezegd welkom!) moge ontvangen worden. Ik ben het namenlijk ook na rijpe overweging in geen enkel opzicht ééns kunnen worden met uw noot! //Du choc des opinions jaillit la verité.” Laat mij daarom uitweiden en voeg er uwe nadere overdenking bij; het geldt hier eene omstandigheid, die voor de Milit. pharmaoie ernstig genoeg is. Nadat ik de meening voorop gesteld had, dat dele Laborant le kl. Chef en Inspecteur van de Pharmacie zou zijn en die dienst dus van den Geneeskundigen afgezonderd rekende, warende woorden over ’t niet ondergeschikt zijn aan officieren van Gezondh. overbodig. Als ik mij nu afvraag waarom onze dienst niet op dezelfde wijze kan geregeld worden als die van de Genie, Artillerie, Intendance, enz. ? kan ik er met den besten wil geen antwoord op vinden. In ieder Garnizoen is de oudste officier in rang, van elk wapen, Chef van dienst en personeel en correspondeert daarover officieel en regelrecht met den Korpschef te Batavia. Zelfs een officier van de Intendance geplaatst als Administrateur vaneen Hospitaal en Chef van het mindere personeel daarvan is niet ondergeschikt als wij aan den Eerstaanwezenden officier van Gezondheid bij die inrichting, maar wel aan den plaatselijken Intendant. Ik vraag dus weder: waarvoor is ’t noodig dat wij, c. q. ook een Chef der pharmacie hebbende, nog bovendien als een dubbelzinnig wezen, aan den off. v. gez. ondergeschikt zijn ? Gij, die met recht gehouden wordt iemand te zijn, die sedert vele jaren de lans opneemt voor uw vak en stand, die uwe betrekking in eere houdt en zooveel mogelijk doet stijgen, die op zoo’n tal van jongere Apothekers kunt wijzen, welke door uwe leiding meestal een helder begrip van kunst en wetenschap kregen en ook onder de Militaire pharmaceuten één of meer voorbeelden kunt aanhalen bij wie dat onderwijs degelijke vruchten droeg, die uwe positie hoog genoeg schat om niet toe te laten dat een burger Geneesheer zekere superioriteit of Chefschap over u aanneemt Waarom acht ge het dan noodig dat wij, Militaire Apothekers, wier eergevoel veelal goed geplaatst is (de zuigfleschmannen laat ik er buiten), die in Indië genoeg geacht worden waarom moeten wij ondergeschikt zijn aan officieren van gezondheid? Zijn deze zulke knappe mannen en wij zulke domme individuën, dat we er met alle geweld onder moeten ? Hierop antwoord ik: Neen! Wat wetenschappelijke ontwikkeling en geschiktheid tot zelfstandigheid betreft, vergeleken met officieren van andere wapens, bekleeden wij een goed standpunt. Nuttig is die medeondergeschiktheid aan den off. v. gez. niet; men kan geen twee heeren dienen, enz. Integendeel, het kan