is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrij Nederland; je maintiendrai-onafhankelijk weekblad voor alle Nederlanders, jrg 2, 1941, no 6, 06-09-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

* DE HAND DER VRIJHEID «

Die zich siuiten zal rond de strot der Nazidwingeiandij

DAN! Het “Aux armes, citoyens ! ” is niet vergeefs gedicht. Elke rechtgeaarde Fransman kan opnieuw zonder schaamte de onsterfelijke Marseillaise horen weerklinken. Weldra zal de valbijl neergonzen op de nek van Paul Colette, uit wiens vuist de kogels wegsuisden naar het hart van den Judas der millioenen zilverlingen. Maar de geest van Charlotte Corday zal hem de weg wijzen naar het hiernamaals, waar de duizenden vuisten, die zich eertijds balden tegen de Bastille, zich opnieuw verheffen zullen, doch ditmaal in een zwijgend eresaluut.

Het licht verre van ons hier een loflied te willen zingen op de Franse revolutie; want haar beginselen gingen maar al te snel Verloren in het geweldig slagrumoer der Napoleontische veroveringsoorlogen. Maar ook wie deze onstuimige en troebele omwenteling veroordeelt naar beginselen en verloop, mag toch nimmer die eerste vlammende geestdrift vergeten en kleinéren, die onsterfelijke opwelling van vrijheidsdrift, welke slechtgewapehde burgers en haveloze soldaten eerst naar de Bastille en toen naar de grenzen dreef. In de harten der Fransen van heden raast opnieuw dezelfde drift, welke toen de Parijse slagers naar hun hakbijlen deed grijpen en de tuinlui naar hun scherpgepunte vorken. Hun hand grijpt de hand van Paul Colette, door de leegte der eeuwen heen; en de Marseillaise van het eerloze Darlan-Frankrijk is opnieuw een fonkelende rode wijn, waar de droesem van het verraad uit wegzinkt; wijn, die alle verdrukten in heel Europa opnieuw dronken zal maken van geestdrift; wijn, die echter tegelijk het donker symbool is van het bloedoffer, dat de vrijheid altijd vraagt van haar getrouwen.

Ook wij, Nederlanders, weten nu dat de vrijheid ons niet duurzaam geschonken wordt, maar dat zij telkens opnieuw veroverd moet worden; en voorzover wij het niet meer wisten, of niet meer weten wilden, hebben de Hitlertrawanten het ons opnieuw ingestampt. Wij gingen er prat op, een vrijgevochten volk te zijn, een volk, wars van alle willekeur; een volk, dat wist, hoe recht en wet als een paal boven water staan. Want deze paal hadden onze voorzaten zelf geslagen, in een bodem, die zij eerst veroverd hadden op het water en toen op de tyrannen. In dien tijd werd uit het volksbrein een lied geboren, dat de Marseillaise in ’ diepte evenaart; het bekende “ Merck toch hoe sterck,” dat als een trompetgeschal vanuit de diepte der eeuwen doorklinkt tot in deze tijd van nieuwe verdrukking.

Dit lied is oud, maar niet verouderd; neen, het is nieuw, gloednieuw. Ja, laat

de Moffen maar draven, graven en slaven, met al het geweld, dat het beulenbrein van een Himmler heeft uitgedacht; laat Seiss-Inquart maar aanrukken met decreet na decreet; laat Mussert maar trompetten op zijn bordpapieren kermismirliton! Zij krijgen Nederland er niet onder! ’s Lands zoom is heden bezet door den vijand; maar Neêrlands hart, waarin de bloedklop der vrijheid bonst, wordt trouwelijk bewaard. En wat voor verslapping er in de vooroorlogstijd ook geweest moge zijn —Seyss-Inquart’s bloedraad heeft er een eind aan gemaakt. In ons volk is de machtige vrijheidsdrift der Watergeuzen en Bastillebestormers opnieuw omhooggeweld; en het staat pal in het éen en ondeelbaar front der vrijheidsstrijders, dat zich uitstrekt van de Noordkaap tot Kreta, van Bretagne tot Rusland’s moerassen. Geen enkele daad, die in deze wereldruimte om der wille van de vrijheid wordt gedaan, is vergeefs; en geen vrijheidsgebaar, hoe steels dan ook, kan gemist worden.

De Amsterdamse straatjongen, die bij het zien van een groene uniform uit de grond van zijn hart “ Rotmof! ” roept, bewijst niet alleen, dat het ware Holland leeft; maar zijn kreet is een nieuwe druppel in de grote brandinggolf, die bruisend uiteenbarst tegen, het waggelend lijf van den overweldiger. Heel Europa schreeuwt; “Rotmof! Rotmof!”; en ook de zwakste verwensing doet deze golf van verontwaardiging aanzwellen. Wanneer er munitiedepots in de lucht vliegen .op onze Leusdense heide, dan dreunt de bodem van het ganse onzichtbare vrijheidsfront; en de ontploffing van een arsenaal bij Boedapest is er het a/ntwoord op. De echo dondert in Gdynia, waar een schip vol dynamiet zijn rondvliegende, wrakstukken in een Duitse torpedojager boort; zij sterft uit bij Kragujevats, waar Servische patriotten een opslagplaats van granaten tot spUnters uiteen laten knetteren. En de hand, die daar en elders de lont ontstak, is dezelfde hand, die in Tsjechoslowakije stiekum de kranen van petroleumwagens tijdens de rit opendraait en die in Noorwegen een lucifer afstrijkt om de brand in een traanfabriek te steken.

Het is de hand, die als een ongrijpbare schaduw door het opstandige Europa glijdt. In Poznan snijdt zij de drijfriemen in een cementfabriek door ; in Amsterdam duwt zij in het nachtelijk uur de “ bezettende macht ” kopje onder; in Nisch werpt zij een handgranaat tussen cafétafeltjes, waar Duitse sadisten in uniform lallend omheenzitten; in Frankrijk, België, Polen, Noorwegen, Bohemen

snijdt zij nacht op nacht telefoondraden en hoogspanningskabels door.

Maar deze strijd eist offers, en daarom klinken er niet enkel verwensingen, doch ook doodskreten. Wij denken aan de vrouwen op Kreta, die na de val van het eiland door de Duitsers uit haar huizen werden gesleept. Want zij hadden gevochten, deze vrouwen; en daarom trokken de beulen haar de kleren van het lijf, om de donkere moet te ontdekken, die de geweerkolf tegen de tere schouder had gemaakt. Dan klonk er weer een schot, en weer een doodskreet, die doorklonk tot in het bedroefde hart der Nederlandse moeders, wier zonen vermoord werden door de bloedraad, omdat het Watergexizenbloed niet zwijgen kon.

Geen dezer offers is vergeefs. De Amerikaanse vrijheidsstrijders zongen het reeds: “John Brown’s body is mouldering in the grave; hut his soul is marching on! ” De ziel der gevallenen voor de vrijheid is de ondoofbare, sterrelichte baken, waar het schip der hoop veilig op vaart.

In dit éen en ondeelbaar front der vrijheidsstrijders moeten wij allen dingen naar een plaats ; niet terwille van eer of roem, maar uit een onbaatzuchtige drift naar plichtsvervulling. Maar toch hulde aan de eenvoudige vaderlanders buiten het bezette gebied, die door de omstandigheden van dezen strijd vanzelf naar voren gedrongen worden. De hand van den zeeman, die het stuurrad omklemt; de hand aan het afweergeschut; de hand, die de leidingen poetst in de ingewanden van het schip; de hand op de Morsesleutel; zij zijn ons even kostbaar en dierbaar als de hand„ die de bommen loslaat boven Duitsland’s ten dode gedoemde oorlogsindustrie.

Ik weet het: soms zijn de stoerste knuisten moe, doodmoe. Een schip is ten onder gegaan, en een kleine boot drijft eenzaam over het water van bidt om redding—hij bidt om het behoud van allen„ die leven in de benarrlng der dwingelandij. En de matroos, die dan zijn karig waterrantsoen afstaat voor een koorstiger makker—hij drenkt de lippen der honderdduizenden, die dorsten naar vrijheid en gerechtigheid.

Aan al deze handen zal Hitler-Duitsland ten onder gaan. Want de hand die bidt en de hand, die laaft; de hand der saboteurs en de hand der strijders—het is de hand, die zich balde tegen de Bastille; de hand die bonsde op de poorten van den Briel; de hand die de revolver richtte ©p het hart der landverraders; de hand der Vrijheid die zich straks sluiten zal rond de strot der Nazidwingelandij . . .!

A. Den Doolaard

Deze ruimte is aangeboden door de N. V. Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroieumbronnen in Nederlandsch-Indië