is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrij Nederland; je maintiendrai-onafhankelijk weekblad voor alle Nederlanders, jrg 2, 1941, no 16, 15-11-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WIJ ZIJN ALLEN VERANTWOORDELIJK

XJERFST. De blaren vallen van de bomen; en terwijl ik in de buitenbuurt van Londen haastig naaide bus hol, vliegen mijn voeten door hun dwarreling heen. En ineens ben ik weg uit Londen, weg uit Engeland; een jaar leven vervliegt met de snelheid van een wegritselend blad. Ik ben weer terug in Frankrijk, in het kleine oude stadje hoog in de bergen, waar ik bijna een jaar lang de ontsnapping naar de vrijheid vol ongeduld moest verbeiden. Het leven was er zo goed als het leven van een vluchteling maar zijn kan, wanneer hij eenmaal verzoend is met de smart van de ballingschap; wanneer hij, met de gedachte aan hen, die vielen, aan hen, die achterbleven in druk en ellende, eiken dag opnieuw vervuld wordt met dankbaarheid. Dankbaarheid, dat er genoeg te eten is; dankbaarheid, dat er geen Moffenlaarzen op straat rumoeren. En het laatste was belangrijker dan het eerste; de strijd om het dagelijks brood was maar een bijkomstige moeilijkheid.

Soms, wanneer mijn vingers over de schrijfmachine rennen, kijk ik tussen twee zinnen door met een ongelovige blik naar mijn handen. Ze zien er zo vreemd gaaf uit: een jaar geleden waren het klauwen, aan de binnenkant vol eelt, aan de buitenzijde vol schrammen. Dat kwam van de bomen, en van de bijl. Ik was houthakker geworden. Een uur voor de dageraad rolde ik uit bed, hees mijn werkkleren aan, warmde de namaakkofhe op een klein vuurtje van twijgen en toog dan na het ontbijt bij het verblekende sterrelicht de heuvels in, zwaar beladen met de bijl, de spanzaag, en een rugzak met een paar stalen wiggen, een veldfles vol wijn en een keteltje met een prak je erin. De woeste bergwind zong een vreemd en duister lied in de zoemende tanden van de zaag, die scheef over mijn schouder hing; mijn voeten met de spijkerlaarzen klauterden langzaam de hellingen op, waarop het witgevroren gras saamgeklonterd lag met de eerste harde hagelige sneeuw. Na een uur stond ik boven hoge kalkrotsen, en keek omlaag in een diepblauw meer. Maar er was geen tijd voor dichterlijke mijmeringen; en trouwens, de wind wierp mij dikwijls bijna de diepte in. Dan plooide ik een oude zak rond mijn hoofd en schouders en begon tegen de storm in te tornen, die me de adem uit het lichaam blies; die me beletten wilde de donkere golvende rand te bereiken van het machtige beukenwóud.

En daar was ik niet langer alleen; van alle kanten kwamen ze aanzetten over de golvende heuvels, de kleine.

taaie Franse bergboeren. En dan, in groepen van twee of drie gingen we de giadde stammen met hun taai en getijgerd vel te lijf. Met z’n tweeën groeven we met de zaag een diepe snede vlak bij de voet; en dan daverden van weerskanten de bijlen los op het kreunend hout. We hakten er een driehoekige hap uit; en dan kerfden we hem aan de achterkant de taaie ruggestreng door. Het monster begon te wiegen, te waggelen. We waarschuwden de anderen met galmende kreten; een kort en razend gekraak, en de woudreus tuimelde met statige plof omlaag in het stuivende bed van zijn eigen afgevallen blaren.

Temiddag was het goed rusten bij het laaiende vuur, waarin de etenspotten stonden te dampen en borrelen. En waarover spraken we dan, temidden van deze idylle van berg en bos en vuur, terwijl .de wijnfles rondging en de sigaretten gloeiden? Natuurlijk over den oorlog; natuurlijk over politiek. . .

Ze spraken, zoals alle Fransen waarschijnlijk nog jaren zullen doen, over de verantwoordelijkheid voor de nederlaag. Op een keer liep het gesprek hoog; de een beschuldigde volgens de oude, taaie legende, de Koning der Belgen; de tweede de Engelsen; de derde de politieke partijen de vierde de partijleiders. Tot de burgemeester van het naburige dorp, die tevens de aanvoerder van de ploeg was, ineens opstond, en uitriep, terwijl hij de gebalde vuisten zwaaide: “Jullie zijn allemaal kortzichtige egoisten; jullie, begrijpen er niets van! Wij zijn allemaal verantwoordelijk, versta jullie? allemaal; en ik meer dan jullie; want ik ben jullie burgemeester! ” Toen ging hij rustig zitten, en ging door met het afschrapen van zijn spekzwoerd. We waren er allemaal stil en beduusd van. We velden nog vele beuken, maar over de schuldvraag werd geen woord meer gesproken; want we wisten in ons hart allemaal, dat hij gelijk had.

Hij had het vraagstuk opgelost met een paar korte, knallende zinnen. Hij had het topzware, kapotgeredeneerde probleem met een krachtige, onverwachte duw ten val gebracht, net zoals hij het deed met de aarzelende, wiebelende boom, door een wig in de snede te slaan en die wig met een galmende tikken van de bijlkop tot in het hart van de stam te drijven. Wij allen maakten deel uit van een in schijn en in schone woorden als Christelijk afgeschilderde beschaving, waarin de echte naasten'iefde dezelfde bescheiden rol speelde als het geurloze, gedroogde bloemetje, dat ergens tussen de bladen van een religieus boek lag, hetwelk alleen op

Zondag openging. Wij knutselden allemaal met min of meer geestdrift, met min of meer wantrouwen aan een ten dode gedoemd economisch systeem, dat berustte en eigenlijk nog berust op de kunstmatige vruchtbaarmaking van dood zielloos, harteloos geld; een systeem, waarvoor we nog steeds niets beters gevonden hebben, een systeem, waarin de mens geschat wordt als instrument, dat bij moet dragen tot een krampachtig nagejaagde welstand; een systeem, waarin de waarachtige waardering voor de volledige persoonlijkheid ontbreekt. Wij allen tezamen waren er verantwoordelijk voor, en dat des te meer, naarmate we hoger stonden, en meer invloed uit konden oefenen op de loop der gebeurtenissen. Dat wij nu vechten, op leven en dood, tegen een veel verdorvener systeem, dat berust op volledige slavernij, economisch, geestelijk en politiek—dit ontslaat ons niet van de gezamenlijke verantwoordelijkheid om te zoeken naar een betere wereld.

Ze moet er komen; doch ze kan er alleen komen, wanneer allen samenwerken. Dit is geen leuze; het is bittere waarheid. Wanneer wij, houthakkers, elk afzonderlijk de geweldige beuken hadden willen vellen, dan zouden we bij het vallen van het eerste pak sneeuw nog elk aan onze eigen boom hebben zitten zwoegen, en de schuur thuis zou leeg geweest zijn. Heden ten dage is internationale samenwerking niet alleen een loffelijk ideaal voor het welmenend deel der mensheid; neen, het is een absolute voorwaarde geworden voor het voortbestaan van het menselijk ras, wil het niet bij millioenen tegelijk te gronde gaan aan de rampen van hongersnood en volkerenhaat.

Laten we verder kijken dan de plof van Hitler. Het vellen van dit verwrongen wangedrocht, in wiens schaduw niets menselijks gedijen kan, is slechts onze eerste gemeenschappelijke taak. Maar dan begint het pas; dan moet er een wereld geschapen worden, waarin latere Hitlers geen levenskans krijgen. Maar die komt er alleen, wanneer zij bewoond wordt door een familie van volkeren, die elkaar niet vol nijd de kruimels van tafel kijken.

Laten wij niet denken, dat wij enkel de strijd voeren: “ democratie ” tegen “ Hitlerdom.” Wat wij beleven, is de eerste fase van de grote strijd, die weergegeven wordt in twee tegenstrijdige Bijbelverzen. Het eerste luidt: “Heb uw naaste lief als u zelve,” het tweede is de Kainsspreuk: “ Ben ik mijns broeders hoeder? ” Aan elk onzer nu reeds de keus!

A. DEN Doolaard.

Deze ruimte is aangeboden door de N. V. Koninklijke Nederfandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië