is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrij Nederland; je maintiendrai-onafhankelijk weekblad voor alle Nederlanders, jrg 2, 1941, no 22, 27-12-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET LIED VAN NEERLANDS GLORIE

QUDEJAARSAVOND. De dierbaarste gedachten der bannelingen gaan uit naar Holland, naar huis. Ze zijn gelijk vogels, moe van het worstelen met de wind van de tegenspoed; vogels, die eindelijk neer willen vallen op het nest, om één ogenblik uit te rusten van het lange, vergeefse hunkeren heel het jaar rond.

Weinigen van ons zullen zich kunnen onttrekken aan het gewicht der duistere gedachten, die, naarmate het jaar zich verkort, op steeds trager wieken verderdrijven, de laatste nacht tegemoet, de nacht van het bitter verlangen.

Het is begrijpelijk; maar toch mogen wij zo niet denken, ook al kost het ons pijnlijke krachtsinspanning, tranen terug te dringen. Wij moeten begrijpen, dat al de gedachten van onze dierbaren daarginds uitgaan naar ons, die bevoorrecht leven in het land der vrijheid. En wie de geest, die over Nederland gevaren is, ook maar vanuit de verte aanvoelt, die weet zeker, dat zij tot elkaar zullen zeggen: “We missen hen vandaag meer dan ooit; maar het is toch goed dat ze daarginds zijn, in het land, dat ook onze Vorstin een wijkplaats bood.”

Daarom, als we drinken, tussen teruggedrongen tranen door, wanneer de klok middernacht dreunt; laten we dan drinken op ons eigen dapper, dierbaar, ongebroken Nederland.

Het zou mijn dierbaarste wens zijn om tot heel Nederland te kunnen spreken, in de minuten van bijna ondraaglijke spanning, vlak voor middernacht. Ik heb er lang over gedacht hoe ik het doen zou; want wie vanuit de vrijheid spreekt tot onderdrukten, heeft een zware verantwoording, omdat er veel van hem wordt verwacht. Maar eindelijk vonden wij het: de stem van Holland’s glorie, dat zijn de sirenes van zijn schepen, die op deze oudejaarsnacht niet meer mogen fluiten; dat zijn de carillons van zijn kerken, die nu stom moeten zijn. En onder de begeleiding van die dubbele muziek zou ik willen zeggen in de microfoon, dat machtige en maar al te dikwijls verkeerd gebruikte wapen:

“ Dierbare landgenoten! Vanavond willen we jullie geven, wat de Moffen jullie hebben afgenomen. Weten jullie nog wel, hoe we zaten te wachten op Oudejaarsavond, in de grote steden, tot het signaal kwam, dat het jaar nog maar een paar minuten te leven had? Dat weemoedig en tegelijk feestelijk geluid

van de scheepstoeters en stoomfluiten? Weemoedig, vanwege het jaar dat vergaan was, met al zijn zorgen en al zijn verdriet; feestelijk, omdat dit de stem was van Holland’s kracht van Amsterdam en Rotterdam lagen onze zeeschepen, binnengevallen na hun reizen, die de wereldbol onspanden; de schepen, die hun schuimspoor getrokken hadden van Batavia naar de Waterweg. En wat je dan hoorde, dat was het bazuingeschal van ons wereldrijk.

En dat wereldrijk is niet dood: het bestaat, ondanks honderd tachtig millioen Moffen en Japanners. Dag en nacht trekken Nederlandse schepen, bemand door onze zeebonken, die dood noch Hunnenduivel vrezen, het V van hun schuimspoor over de wereldzeeën; en die V is de V van Vorstin, Vaderland, Victorie! En dat wereldrijk blijft bestaan, zolang er nog een handjevol Nederlandse schepen zijn, dat zee houdt met de driekleur in top. Want hoe anders hebben onze voorvaderen dit wereldrijk gevonden en veroverd, anders dan met twee, drie schepen tegelijk?

En die koene geest is weer wakker geworden in Holland’s stoere knapen; en vele Engelandvaarders zijn van avond onze eregasten aan de nachtelijke dis. Maar laten we niet over eten en drinken praten. Velen van U zullen vanavond de oud-vaderlandse oliebollen moeten ontberen; en erg goed zouden ze trouwens niet geweest zijn, want de Moffen hebben de azijn van hun haat uitgespoten over ons vredig volksbestaan en het is afgedropen tot in het meel van ons dagelijks brood. En de punch? en de hete thee, de kostelijke thee uit onze eigen koloniën? Velen zullen met weemoed en woede achter lege glazen zitten; en het bruine vocht in de kopjes is het aftreksel van het bruine luizengebroed, dat Holland leegvreet. Maar sommigen van U hebben misschien nog een kostbare fles opgespaard. Haal hem te voorschijn achter uit de kast; trek hem open, en drink met ons, op de overwinning !

Waarom? Luister maar. Hoort ge die fluiten?

Dat zijn de fluiten van Nederlandse schepen in de haven van Londen; dat zijn de fluiten van onze vloten, die de wereldzeeën bevolken, en die we voor U op lieten nemen, terwijl zij aan de kaden lagen,, in afwachting van een nieuwe reis. Luister! Ze bazuinen voor u het lied der overwinning, die ons niet ontnomen kan worden. Luister naar het geloei der grote vrachtschepen, die van het andere

eind der wereld komen, met de schatten uit ons eigen rijk 1 Luister naar die schrille, strijdbare muziek! Dit schip kwam binnenvallen uit de Verenigde Staten, met de werktuigen der overwinning aan boord: tanks, vliegmachines, motoren; motoren, vliegmachines, tanks. Weldra zullen de Duitse steden opnieuw het verpletterend gewicht voelen van de hommen die zij aan boord hebben. Luister naar die schorre toeter, die begint, wanneer de krachtige knuist van een echte Scheveninger of IJmuidenaar de handgreep omlaaghaalt. Het is de toeter van een onzer trawlers, die zoals van ouds, ter haringvangst gaan, onder bescherming der snelle Spitfires, die ons Indië betaalde. En als ze gaan vissen vangen, dan vegen ze mijnen, met echt-Nederlandse degelijkheid en voorzichtigheid, en met even echt-Nederlandse koene doodsverachting. Luister naar dit metalig geluid: dat is een van onze oorlogsschepen, terug van konvooidienst. Luister! Dat is de stem van een schip uit Australië, vol wol voor de uniformen van de strijders der geallieerde legers en vloten! Laat het u niet verbitteren, dat wij geen gebrek lijden. Wie is de dat gij wel gebrek lijdt? De Mof! En hoe kunnen wij hem verslaan? Enkel met behulp van Uw uithoudingsvermogen, Uw onwankelbare trouw en onze grondige voorbereiding voor de dag der afrekening.

De fluiten klinken schel; want er zijn open plekken in Londen. Maar dat zijn enkel bressen in de baksteen; want nimmer heeft de laffe vijand een bres kunnen bombarderen in het bolwerk van onze koppige strijdlust. Want dat is het wonder van deze strijd: aller gemeenschappelijk en onwrikbaar geloof in de overwinning. Wij hebben niet getwijfeld na Duinkerken; wij hebben niet getwijfeld toen Londen brandde; en daarom twijfelen wij ook nu niet. Wij twijfelen niet, omdat wij aan de overwinning geloven; en dit geloof sluit alle vrees buiten. Wij geloven, omdat wij de hemelsbrede afstand kennen tussen de kracht der duisternis en de macht van het licht. En laten wij thans in het kleine stuk hemel, dat ons scheidt, de tonen laten weerklinken, die lijken op het carillongeluid, dat nu nog zwijgen moet in de duistere Nederlandse steden, en er de woorden o.verheenspreken van het oude lied, dat de harten van alle Nederlanders samenbindt:

o Neerland! so ghij maer en bout Op God den Heer altijdt, U pijlen vast gebonden hout En ’t saem eendrachtig zijt, So kan U Duyvel, Hel noch Doot Niet krencken noch vertreen, Al waer oock Span jen noch soo groot, Ja ’s werelds machten een! A. DEN Doolaard.

Deze ruimte is aangeboden door de N. V. Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indie