is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrij Nederland; je maintiendrai-onafhankelijk weekblad voor alle Nederlanders, jrg 2, 1942, no 23, 03-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAARVOOR DE MENSEN LEVEN

ZAL de mensheid vergeten hoe tegen het midden der 20ste eeuw een horde losbrak uit het midden van Europa, om oorlog te gaan voeren tegen wat volkeren en mensen het dierbaarst is: hun kinderen, hun ziel en hun geschiedenis. Wanneer onze kindskinderen tijdens hun geschiedenislessen g,an het hoofdstuk toekomen, waarboven hopelijk staan zal: “De allerlaatste wereldoorlog,”—dan zullen ze met gloejende wangen lezen over het bombardement van Rotterdam en de kindermoord in de straten van Rostof. En dan zullen Nederlandse en Russische kleintjes, in gedachteloze maar begrijpelijke kinderwreedheid, het portret van Hitler, dat midden op de bladzijde “ prijkt ” de ogen uitprikken, net zoals wij het, toen we klein waren, met de prentjes van Alva deden. Maar de Russische kinderen zullen tot hun verbazing nog meer lezen: hoe de Duitse supersadisten het Russische volk niet alleen probeerden te schenden naar den vleze, maar het ook probeerden te treffen in zijn ziel. op de ploertigste en tegelijk belachelijkste wijze, door het vernielen van drie heiligdommen der Russische natie: de huizen van den romancier Tolstoi, den schrijver Tsjechof en den componist Tsjaikofsky.

21 October 1941. Duitse bommenwerpers razen vanuit het heldere zonlicht omlaag tot boven het witte huis met het groene dak, waar Tolstoi “ Oorlog en Vrede ” schreef. De werklui, die bezig zijn de, kisten met manuscripten dicht te spijkeren, horen beangst, hoe het gieren der motoren weldra onhoorbaar wordt wanneer de bommen neer komen dreunen. Het ratelend vuur der machinegeweren drijft hen de kelder in. ’s Middags om vier uur komt Tolstoi’s achterkleindochter Sophia Adrejevna de kelder inhollen: de Duitse tanks zijn in aantocht. Even later komen drie Moffenofficieren de sleutels opeisen. Ze schrijiJen met snierende halen hun namen in het gastenboek van Jasnaja Poljana: de barbaren zijn binnengebroken in het domein van de geest.

Ze blijven, zes lange weken ; maar in die tijd ontdekken de Russen, dat hun vijanden geen barbaren zijn, maar iets veel ergers. Zes weken lang bewijzen ze, in welke diepten der menselijke gemeenheid de zuiver-Arische ziel af kan dalen; waarbij vergeleken de ergste schanddaden van Hunnen en Vandalen, meestal in onnadenkende wreedheid begaan, slechts een armzalig wormengekrabbel zijn aan de oppervlakte der menselijke verdorvenheid. Want elke schennis wordt hier bewust begaan. Toen de Moffen de appelbomen rond het huis kapothakten, deden ze dit niet omdat ze brandhout nodig hadden, want dat lag in de hof te grijp; maar omdat de schrijver der “ Kozakken ” die bomen met eigen hand had geplant. Dat ze de kippen de nek omdraaiden, was nog tot daar aan toe: pluimvee schijnt nu eenmaal een magische aantrekking uit te oefenen op geüniformeerde personen

van alle naties. Maar de banken in het park werden ter plaatse verbrand, omdat Tolstoi daar had zitten peinzen over nieuwe boeken, waar de -ziel van het Russische volk in gloeide.

Een ander bewijs, dat de Duitsers geen barbaren zijn. Officieren braken de kasten open, en staken zich in Tolstoy’s kleren en ondergoed. Voor alle werkelijk primitieve volkeren is het dragen van de kleren der afgestorvenen “ taboe ”; de geest van den overledene, zo geloven zij, zal den drager na jagen over de aarde, tot hij plotseling een gewelddadige dood sterft. Zo denken de werkelijke wilden wier piëteit voor de doden groter is dan die van ons, modernen. En ik kan de gedachte niet van mij afzetten, dat al die schenners en rovers nu blauwgevroren in de Russische sneeuw liggen, terwijl hun verstarrende vingers in de doodsstrijd wanhopig geplukt hebben aan de wollen hemden, die eens het grote lichaam omgaven van den man, wiens ziel de Duitsers niet raken konden.

Een Duitse officier van gezondheid, merkwaardigerwijze “ Schwarz ” genaamd, hakte Tolstoy’s armstoel aan splinters; en toen een der Russen protesteerde, kreeg hij ten antwoord: “ Wij zullen alles verbranden, wat in verband staat mêt de naam van jullie Tolstoy.’’ “ Jullie Tolstoy.’’ Ziedaar de domme haat dezer nationaliteitsgekken tegen een vreemde beschaving. Tolstoy is geen Rus meer; Tolstoy is een wereldburger van het slag, dat dén mislukten kladschilder en architecturalen koekebakker Hitler het schuim naar de schennende schreeuwmond jaagt. Hij kan geen wereldburgers gebruiken; enkel slaven zonder ziel. En daarom haat hij den man, die de ondergang van den Fransen veroveraar Napoleon in epische bladzijden beschreef; daarom probeert hij vergeefs den ziener te kwetsen, die de guerillastrijders van het eeuwige Rusland zo beschreef, dat de vechtende boeren van vandaag uit de vergeelde bladzijden van “Oorlog en Vrede” schijnen te zijn opgedoken. Tolstoy behoort de hele wereld toe; Hitler enkel aan de hel der duisternis; en vanaf de schepping heeft de duisternis het licht gehaat.

Ja, ook wij Nederlanders mogen zeggen: “ Onze Tolstoy.” Ik herinner me een van zijn kleine boekjes, uitgegeven door de Wereldbibliotheek; het heette “ Waarvoor de mensen leven ”; het had rode schutbladen en kostte 65 cent. Ik was 14 jaar, en zwoegde op m’n eerste wiskundelessen. Aan de andere kant van de tafel zat mijn moeder het te lezen, onderwijl nijver rikketikkend met de breinaalden. En toen ze de bundel uithad, waarin de ziel der Russische boeren en bojaren in al hun zwakheid en kracht met hemels mededogen breed glimlachend wordt blootgelegd schoof ze mij het boekje toe, en zei: “Lees dat eens, wanneer je tijd hebt; het zal je goed doen, na al die zware wetenschapi)elijke kost. Misschien begrijp je het nu maar half.

maar dat geeft niet; het zal je bij blijven, en later begrijp je het vanzelf, ook al lees je het nooit meer.”

Mijn moeder is oud, en misschien zie ik haar nooit meer terug. En daarom wou ik, dat ik haar zeggen kon, hoe dankbaar ik haar ben, dat zij mij als kind reeds Tolstoy heeft gegeven, om mij te leren, waarvoor de mensen leven. Want in dit kleine boekje stond de les; dat ieder, die aan zijn ziel tracht te ontsnappen, in verderf ten onder gaat.

Daarom probeerden de Moffen Tolstoy’s huis te verbranden, toen de Russen weer zegevierend oprukten. Ze haatten hem, in hoovaardigheid en nihilisme, in de eerste plaats omdat hij een Rus was, en dan, omdat hij een grote ziel had, en een wekroep rond de wereld zond, dat wij onze ziel niet zouden vergeten. Ha, die Russen, die beschavingloze beestmensen, die zich vermeten durven, zogenaamd grote schrijvers gehad te hebben! Weg er mee! de brand er in!

Daarom ook gebruikten ze in Tsjaikofsky’s woning de bustes van Gorki en Tsjaljapin en Poesjkin als schietschijf; daarom staken ze het vuur aan met zijn composities. Maar hun haat is wijder, en dieper; zij spaart ook de eigen graten niet. Toen de Russen Tsjaikofsky’s vernielde woning binnenkwamen, vonden zij op de vloer, tussen lege blikjes en cognacflessen, een oude ets van Mozart, met de afdruk van een Duitse laars. erop. De portretten van “ hun ” Beethoven lagen uit de lijsten getrapt; en vlak ernaast hadden deze profeten van een nieuwe orde hun behoefte gedaan.

Ziedaar de nihilistische nazi-“ ziel ”; ziedaar, waarvoor deze wezens leven-Zij leven voor brute machtswellust; en ieder, die een hoger levensdoel verkiest, moet kapot; ieder, die zich verheffen durft boven het peil der gehakenkruiste brulapen, moet omlaaggetrapt worden in de bruine modder.

De vernietiging der ziel; ziedaar hun doel. Stompzinnige stakkerds! Elke keer, dat de Kozakken hun de verkleumde handen afslaan en hen bij divisies tegelijk achteruitranselen, weerklinkt door de vrije radio’s over heel Europa de statige 1812-ouverture van Tsjaikofsky! En uit de as van Tolstoy’s verbrande manuscripten verrijzen nieuwe horden guerillastrijders. die de zeisen van 1812 laten flikkeren boven de hoofden der indringers van 1940. Zo strijden de gestorven meesters met hun levende ziel tegen de zielloze tyrannen; zo schenken zij on® opnieuw het bewustzijn waarvoor wiJ’ kinderen van het eens zo cynische Europa, eigenlijk leven en strijden en sterven.

Waarvoor? Niet alleen om schenners te verslaan en te tuchtigen’ want dan zouden wij enkel hun gelijke»* zijn. Neen, wij leven voor het om in de strijd tegen het kwaad onze ziek te kunnen ontdekken!

A. Den Doolaard

Deze ruimte Is aangeboden door de N. V. Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië