is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrij Nederland; je maintiendrai-onafhankelijk weekblad voor alle Nederlanders, jrg 2, 1942, no 29, 14-02-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DENK m CHINA!

CINGAPORÈ in ’t nauw, Soerabaya gebombardeerd, Balik Papan verwoest, Birma bedreigd, de geallieerde vloten beroofd van een aantal slagschepen—ziedaar de sombere posten in de balans na twee maanden oorlog. Zeker, er zijn lichtpunten: de heldhaftige tegenstand van Mac Arthur, de kundige kalmte van Wavell, de vastberaden aanval van onze eigen strijdkrachten. Maar wat een mens nu nog boos maakt, zijn de sterke verhalen die sommige buitenlandse propagandadiensten ons gemeend hebben op ons dak te moeten sturen vlak voor de Japanse aanval. De Japanners zouden bijziende zijn en niet “ air-minded,” zodat we van hun bomaanvallen geen gevaar te duchten hadden; hun vloot was niet met beroepsschepelingen bemand, en er was gegronde hoop om aan te nemen dat hun slagschepen verkeerd gebouwd en dus eigenlijk topzwaar waren; en hun vliegtuigmoederschepen zonden eigenlijk mislukte kruisers zijn! Terwille van zuiverheid en waarheid in de propaganda zou het de moeite lonen om onder het motto “Eerlijk duurt het langst ” te kunnen onderzoeken wie deze misleidende nonsens de wereld inzond, temeer daar dezelfde diensten angstvallig zwijgen wanneer de troepen in Noord Afrika hun tweede retourtje naar Tobruk laten knippen.

Want we zijn heus niet bang voor de waarheid—we zijn het stadium voorbij waarin slecht nieuws ons terneersloeg. Ons vertrouwen in de eindoverwinning is zo rotsvast, dat we de tegenslagen als iets even onvermijdelijks – en vanzelfsprekends beschouwen als de donkere gaten die nu eenmaal bij de goudgele Gruyerekaas horen—ook al is het de hoge ironie der historie, dat de gaten voornamelijk door sommige “ hoog ontwikkelde ” staten geleverd worden, en de kaas voornamelijk door de Russen en door de Chinezen, toch maar allebei volkeren, of liever vergaderingen van volkeren, waar we vanaf onze Westerse hoogheid zo’n beetje op neerkeken.

Ja, lezers, wanneer de kranten weer vol somber nieuws staan (Ik reken de berichten niet meer, waarin triomfantelijk gemeld wordt “ dat de vijand zich niet verzette tegen onze succesvolle terugtocht”)—laten we dan eens aan onze bijna vergeten geallieerden denken, aan de dappere Chinezen.

Sinds 7 Juli 1937 vecht China op leven en dood. China verloor enorme lappen territorium, zijn gehele kust, bijna al zijn verbindingslijnen, zo goed als al zijn vaste inkomsten, een groot deel der industrie. Het had te kampen met Quislings in zijn eigen midden en zijn vertrouwen werd slag op slag te schande gemaakt door een Volkerenbond onzaliger nagedachtenis. In het duister begin van het “Chinese incident ” sprak de vrouw van Tsjang-Kai-Tsjek (te Nanking op 12 September 1937) de bittere woorden; “Japan legt zijn blokkade voor onze kust, en eist, dat de natiën op zullen houden ons

wapenen en munitie te leveren, terwijl Japan zelf op de leverantie van moordwerktuigen rekent. Indien deze naties medeplichtigen worden aan de massamoord en. misdadige vernieling,—dan heeft de beschaving zeker haar einde bereikt. Dat de grote rhogendheden zulk -een toestand moet voor de Japanse militairisten een verrukkelijk en aanmoedigend schouwspel vormen; want dit geeft hun de gegronde hoop, dat zij eindelijk in staat geweest zijn, het prestige der westerlingen van de vloer van het Oosten weg te bezemen. Zeg mij, is dit zwijgen der volkeren uit het Westen bij zulk een massamoord en vernieling, een teken van de triomf der beschaving met haar humanisme, haar ethische voorschriften, haar ridderlijkheid en haar veronderstelde Christelijke invloed ? Of is dit schouwspel van grote mogendheden in zwijgende rij, schijnbaar zo verstomd door der Japanners handelwijze dat zij geen voord van verwijt durven uitenis dit alles tezamen soms niet eerder een voorproef van de ineenstorting der internationale ethiek, en van de Christelijke gedragslijn, zodat men de doodsklok meent te horen luiden van de veronderstelde morele superioriteit van het Westen.? ”

Nimmer heeft een staatsvrouw, de Bijbelwoorden “Ben ik mijns broeders hoeder?” in scheller licht gesteld. Maar China verspilde geen wilskracht in verbittering; China vocht door, vijf jaar lang, onder leiding van Tsjang-Kai-Tsjek. Millioenen en nog eens millioenen werden uit hun huizen verdreven, stierven in hongersnood, sneuvelden, verdronken, werden doodgemarteld. Tsjang-Kai-Tsjek en zijn helpers vochten door, bijna zonder vreemde hulp, naar buiten tegen den vijand, naar binnen tegen de Chinese ondeugden: slordigheid, onverschilligheid, omkoopbaarheid, laksheid. En deze strijd, waarin terrein voortdurend geruild werd voor tijd, speelde zich af in een onvoorstelbare ruimte. Deze ruimte is tegelijk de Chinese kracht en de Chinese zwakheid. Kracht omdat lappen grondgebied, zo groot als Frankrijk, Engeland en Duitsland samen, al vechtend ontruimd konden worden, zonder dat de Japanners nader bij de overwinning kwamen; kracht, omdat de Japanse soldatenstroom door dit gebied uiteensiepelde tot dunne beekjes langs de voornaamste verbindingslijnen, zodat de Chinese guerilla’s het vrije spel behielden. Maar deze ruimte was tevens de Chinese zwakheid; en dit van oudsher. Zij is de vergaarbak der Chinese volkeren, die talen spreken zo verschillend als Noors van Servisch, en die voor elkaar onverschillige vreemdelingen waren. Al vechtend veranderde dit alles langzaam. Eerst was er slechts één samenhorigheid: die van het ras, de cultuur en van de geschreven officiële taal. Door de massavlucht van millioenen, welke de grootste volksverhuizing van deze eeuw

vormt, werden Chinezen uit alle hoeken van het stamgebied in eikaars armen gedreven; en zo ontwaakten brede lagen tot het bewustzijn, dat zij niet alleen een ras vormen, maar een volk. En door deze geestelijke ontdekking waS het tevens mogelijk, dat uit d® anarchie der soldeniersbenden de discipline der patriottenlegers begon te groeien.

Lang voor de Russen pasten deze legers meedogenloos de politiek toe der “ geblakerde aarde.” En tevens die der verdronken aarde: toen de Jappen op Hankow aanrukten, werden de dijken van de Gele Rivier doorgestoken; over drieduizend vierkante mijl vruchtbaar gebied raasden de wateren onweerstaanbaar verder, hele Japanse legers tezamen met hun kanonnen en vrachtauto’s meesleurend in een zondvloed, die ook duizenden Chinezen tot den dood door verdrinking doemde . . .

De tweede grote daad van dit volk was, dat het zijn industrie verhuisde naar voor den vijand onbereikbare verten. Honderden fabrieken werden op de rug van mens en muilezel naar het westen gesleept. Maandenlang zeulen een ploeg boeren een grote stoomketel over de wegen; hun enige werktuigen zijn een takel, stalen rollen en hun handen, die telkens den kabel tien meter inpalmen; en dit uur na uur, dag in dag uit, maanden lang; En met diezelfde handen voltooiden zij het derde grote wonderwerk: de Birmaweg, deze levenslijn van 1.200 kinlengte, welke zij in 16 maanden tijd over het dak der bergen wierpen. Van westers-technisch standpunt bezien» is het een gebrekkig wonderwerk; naar daarom juist past ons westerlingen een eresaluut aan de honderdduizenden, die deze weg met hun nagels uit de bergwanden krabden. Ongekende duizenden kwamen om door koude en gebrek, door malaria en ongelukken, wanneer de wilde vrachtautochauffeurs te snel de bochten namen; wanneer aardstortingen de zwoegende gravers bedolven-

Deze langzaam tot bewustheid ontwakende massa van duiders en strijders is thans onze grote bondgenoot, een nieuwe strijdmakker, die wij nauwelijks kennen en nog steeds onderschatten, op even zorgeloos wijze als wij hem eens schandalig in de steek lieten. En zo waar de gerechtigheid leeft: het zijn niet de Chinezen, die blij moeten zijn met onze late leningen; maar wij zijn het, die ons verheugen moeten in erkentelijkheid en schaamte, over hun grootmoedige bijstand, die verleend wordt zonder het stille verwijt, dat o zo begrijpelijk zoh zijn. Denk aan China! en doe het met begrip en liefde, en zonder de minste laatdunkendheid. Want het is niet ondenkbaar, dat China althans tijdelijk de laatste citadel zou kunnen worden in een deel der wereld, waar de Chinezen thuishoren, maar waar wij, blanken, slechts ingeburgerde bezoekers zijn.

A. DEN DOOLAARD.