is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrij Nederland; je maintiendrai-onafhankelijk weekblad voor alle Nederlanders, jrg 2, 1942, no 34, 21-03-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DOOR DUISTERNIS TDT LICHT

\Y/IJ WETEN allen, wat er met ” Frankrijk gebeurd is: Toen de Duitschers voor Bordeaux stonden in de droeve lente van ’4O, heeft de nieuwe Fransche regeering zich losgescheurd uit het bondgenootschap met de Engelschen; zij is met Duitschers, met Moffen, met Barbaren, gaan onderhandelen, en heeft het hoofd in de schoot van den hongerkoning gelegd. En Frankrijk deed dit, hoewel aan de overkant van het blauwe water der Middellandsche Zee, die de Moffen onmachtig waren te doorkruisen, het prachtige Fransche Imperium begon. En een der redenen waarom Frankrijk het opgaf, was zoogenaamd: om dit Imperium te redden.

Ijoea—net neeit /.ijn xmpcxiuxu gedeeltelijk mogen behouden, voor zoo lang het duurt, bij de gratie van het verraad. Maar zij hebben iets verloren: •niet de dappere, vrije Franschen, die doorvechten, maar de Franschen in Frankrijk, die aan deze wandaad schuldig zijn; iets, dat kostbaarder is dan alle keizerrijken ter aarde—hun nationale eer; en de besten hunner gaan daaronder dieper gebukt dan onder alle andere lasten, die de Moffen op hun vermagerde schouders stapelen. lii een Fransche krant las ik kort geleden een merkwaardige uiting, die wel de aandacht van de censuur ontsnapt zal zijn. “ Waarom hooren we op straat toch nooit meer neuriën, of zingen, of fluiten? ”, staat daar letterlijk in die gelijkgeschakelde krant. “_Wat js die weemoed, waarvan we niet genezen kunnen worden; vanwaar die plotselinge koortsachtige hoop, die dan weer opeens verdwijnt? Wat is die honger, die aan ons knaagt? Wat is toch die zwaarte, die onze armen omlaag perst en die op _ onze oOgen en harten drukt? ” _

—Én dan komt het antwoord: “ Aan de oever van het water gezeten, luisteren we met weemoed in ons jaloersche bloed naar het gezang van de volkeren, die nog vechten! ” Dat stond er in een Fransch blad, verschenen midden in de dwangburcht der Moffen, in het ontluisterde Parijs. En die woorden zijn een openbaring voor mij geweest temidden van de somberte dezer dagen, nu de tyrannen niet alleen hun tijdelijke dwangburchten hebben opgeslagen aan de stranden, waar Tromp en de Ruyter geboren zijn, maar ook aan de tropische kusten, waar Houtman en Jan Pieterszoon Coen op losstevenden met hun trotsche zeekasteelen. Want wij Nederlanders hoeven God lof, die droeve zang van dien neerslachtigen Franschen krantenminstreel niet na te zingen. Wij, die door onzen strijd, die geen verraad en geen aarzeling heeft gekend, Nederland

en Insulinde nu voorgoed omhoog- I gestooten hebben in de vaart der c volkeren, hoeven slechts die ééne kreet i te uiten, die ons als vanzelf naar de s lippen springt, de kreet van Coen: i DESPEREERT NIET! Nederland vocht i door, en Nederland vecht door! Wij 1 hebben ontzaglijk veel verloren; naar 1 één onvatbaar iets hebben wij onge- ‘ kreukt bewaard: ONZE EER!

Ook in Nederland zijn er, aan wie de honger knaagt; maar dit is een andere honger, die eens weer gestild zal worden met het brood dezer aarde. Ook in Nederlandsch-Indië zijn er, die gebukt gaan onder de zwaarte der Japansche boeien; maar dit zijn boeien, die eens kapotgekliefd zullen worden door het scherpe zwaard der bevrijding.

Die andere honger en die andere zwaarte—de knaging en de druk der eerloosheid, die kennen wij niet. En dat is de glorierijke redding temidden van de schijnbare ondergang, die in de geschiedenis een opgang zal blijken te zijn. Want laten wij het ons eens voorstellen—het on-voorstelbare: een Nederland, dat aangepapt zou hebben, eerst met de Duitschers en toen met de Japanners. Zouden wij het dan later gewaagd hebben, met opgeheven hoofd voort te schrijden over de heerbaan der volkeren? Zouden wij uit hebben durven zeilen over de straten der zee, met een verraden Rood-Wit-Blauw in top? Zouden na de overwinning van hen, die nu onze bondgenooten zijn, onze kinderen en kindskinderen daaronder niet zwaar en bitter geleden hebben, door onze verfoeilijke, niet meer goed te maken schuld ?

Laten wij er niet aan denken. _ Laten wij God danken, dat wij er niet aan hoeven te denken. Laten wij er ook, in ootmoed, ons voorgeslacht voor danken, dat de tyrannen uit onze landpalen wegvaagde met de storm van het Geuzenbloed, dat pas weer wakker geworden is onder een nieuwe tyrannie, die het opnieuw zal verslaan, juist omdat het woord Verraad! nimmer als een zwarte balk door ons Leeuwenwapen zal loopen.

Veel heeft de tyran ons ontroofd: Ja, letterlijk alles, wat hij maar vangen of grijpen kon. Maar wat hij niet vangen kon, ook al verdelgt hij de leeggeroofde huizen tot op hun grondvesten; wat hij ■ niet grijpen kon, ook al scheurt hij ons , het hart uit het lichaam, dat is het onzienlijke, dat hem tergt en zal blijven 1 tergen tot aan zijn ondergang: ONZE EER, ONZE TROUW AAN HET RECHT! t 1 In gedachten ga ik naar Nederland, 1 mijn dierbaar Vaderland, waar lijfelijke

honger heerschen en hartsverdriet, om de dierbare betrekkingen, die in groeten nood verkeeren in het vertrapte Insulinde ; en dit is een verdriet, dat zich nog voegt bij cle smart om de gevangenen, om de vermoorden, om hpn, die gevonnist werden door den bloedraad. Het schijnt alles tezamen ondragelijk. ja schijnt! Want ondraaglijker dan dit alles zou het onherstelbaar verlies geweest zijn van dat, wat de grondslag is van ons volksbestaan: Ons niet te temmen verzet tegen alle tyrannie! Want tyrannen gaan voorbij: maar de eerloosheid blijft.

En eerloosheid en ondergang als volk zijn een en hetzelfde. Indien onze vaderen niet opgestaan waren tegen Alva—dan waren wij een derderangsslavenvolk geworden; dan zouden onze voorvaderen nooit Insulinde te zien gekregen hebben; dan zou er geen Nederland hier en overzee geweest zijn om voor te vechten. Welnu, dan! De geschiedenis herhaalt zich; indien wij het nu zonder strijd hadden ppgegeven, dan waren wij verbannen geweest uit de gemeenschap der strijdbare volkeren, der leeuwenvolkeren, om voortaan enkel nog maar in een hoekje van de woestijn der geschiedenis ons klagelijk jakhalzenlied van te late jammer om het snelle verraad te kunnen huilen!

Maar neen—het is anders. Kom in Nederland, en kijk achter in de kasten! Daar liggen de vlaggen, het Rood-Wit' Blauw en het Oranje-Blanje-Bleu. Ze liggen verborgen tot den dag, dat ze weer uit zullen kunnen wapperen; maat ze worden ongekreukt bewaard, ook al liggen ze in vouwen en plooien. Ze schijnen te slapen, maar ze leven in de harten, en wat meer is: Ze zijn de broeders van de vlaggen, die wapperen in de wind van ons trotsch onafhankelijk voortbestaan als vrije natie op de vrije zeeën. En niets is er verloren zoolang de vloot niet verloren is. En zelfs al ware de vloot in de grono gevaren tot de laatste splinter—iets wat nimmer gebeuren zal: dan was er n®» niets verloren zolang de onsterfelijk geest van opstand bestaat, en de heid® tot het recht, en de haat tegen de tyrannie: alles, wat Nederland maakt to wat het is: alles, waarvan het verlieb Nederland gebroken zou hebben, voorgoed en onherroepelijk. Maar het i anders, en het is goed. Nu blijft het geloof gloeien in onze harten, onder den druk der droefeni – Het geloof en de zekerheid, dat wi] gaai zullen door DUISTERNIS tot LICHT!!! A. DEN Doolaard.