is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrij Nederland; je maintiendrai-onafhankelijk weekblad voor alle Nederlanders, jrg 2, 1942, no 38, 18-04-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ENKELING, GEMEENSCHAP EN MAATSCHAPPIJ

11. pjEN VORIG maal hebben wij» ge- , sproken over de geheel onvoldoende werkwijze in oorlogstijd van het huidig economisch bestel, waarbij de factor particulier winstbejag nog steeds noodlottigerwijze de doorslag geeft. De grote massa der nu zeer gezochte werknemers loopt niet te warm voor de vereiste maximum-productie, ook omdat zij de naoorlogse periode, wier verschil met de vooroorlogse slechts op hoge, maar vage beloften in de Atlantic Charter berust, met zware zorg tegemoetzien. De werkgevers zijn in naam de verschillende staatsorganen, maar in der daad de grote maatschappijen, dikwijls geleid door financiers die slechts één oog op de oorlogsinspanning gericht hebben, terwijl het andere verlangend naar een toekomst tuurt, waarin de hoge winsten der monopoliepositie hen weer toelachen, welke nu grotendeels in de staatskas vloeien, of liever gezogen worden.

In deze wereld scharrelt de ambtenaar rond, met grote kennis van reglementen en soms geringe kennis van zaken. Een vrolijk voorbeeld: Kort geleden werd een brave boer door het ministerie van landbouw aangeschreven, omdat hij het grasland, dat hij scheuren moest, nog niet volledig had omgeploegd. Hij schreef terug, dat hij helaas ook schapenboer was; het was nu de lammerentijd en daarom had hij geen tijd voor ploegen gehad. Het ministerie schreef doodernstig terug, dat de vaderlandse plicht plus de wetten den boer geboden, het lammerenseizoen een maand uit te stellen, en eerst te ploegen. . . .

Bovendien bezitten sommige, zelfs bekwame ambtenaren, de merkwaardige eigenschap zich onmiddellijk op hun voorman te willen dekken wanneer er een beslissing genomen moet worden. Moeten wij om dit alles en nog meer, de ambtenaar uit het productieproces houden? Zeker. Maar waar hebben wij den ambtenaar dan voor nodig? Niet om de economische zijde van de productie in het oog te houden, maar de sociale; en daarvoor is hij hard nodig. Ambtelijke instanties moeten het geweten vormen van het ganse productieproces met al zijn uitwerkingen. Want als men hier het particulier initiatief zijn gang laat gaan, wordt met dit geweten af en toe niet zuinig de hand gelicht.

De afgelopen weken brachten opnieuw het doorslaand bewijs, dat het liberale parool: “ Laissez faire—laisser aller ”, voor zover het doorziekt, voorgoed uitgebannen dient te worden. Het kan inderdaad niet anders meer vertaald worden dan in de termen: “ Laat mij nu m’n gang maar gaan; en verder kunnen jullie omvallen ” (dit tot de rest van de mensheid gericht). Wat is er gebeurd? Een grote Amerikaanse maatschappij bewees, dat zij in de strijd tussen profijt en patriotisme het eerste verkoos, en daarbij niet aarzelde tot aan de grens van landverraad

te gaan—in oorlogstijd. De zaak komt hier op neer, dat de Standard Oil Co. van New Jersey, de Duitse I.G. Farben en de Japanse Mitsui overeenkomsten hadden getroffen, om hun kartelverplichtingen ook in oorlogstijd getrouw te blijven—m.a.w. de blokkade te breken. De I.G. Farben verbonden zich van de petroleummarkt af te blijven, behalve waar het in Duitsland vervaardige synthetische olie betrof; en de Standard stond daarentegen alle patenten voor chemische bijproducten der olieindustrie aan de I.G. Farben af. In 1939 hielp de Standard nog bij het opzetten van fabrieken, iri Duitsland, voor vliegtuigbenzine. De I.G. Farben waren daarentegen zo royaal de Standard aan de Duitse fabrieksgeheimen voor het aanmaken van kunstmatige rubber te helpen, de z.g. Buna. Maar Hitler liet bezwaren horen en toen vond de Standard haar eigen proces uit voor een ander soort kunstrubber, de z.g. Butyl, die bovendien de helft minder kostte. Deze patenten stond de Standard wel aan de I.G. Farben en aan de Italiaanse Pirelli-maatschappij af, maar zij weigerde ze beschikbaar te stellen voor leger en vloot in de Verenigde Staten! In 1939 werden in ons land door vertegenwoordigers van Standard en I.G. Farben overeenkomsten voor een modiis vivendi uitgewerkt dat tijdens de oorlog voort kon duren, ook als de V.S. er in zouden komen; met de Japanse Mitsui werd iets dergelijks overeengekomen. En de assistentprocureur-generaal der V.S zeide, dat deze en dergelijke feiten niet erger waren dan de cartelrestrictie’s die b.v. in de aluminium- en verfstoffenindustrie golden.

Ik zou niet durven beweren, dat ook in andere oorlogvoerende landen dergelijke gevaarlijke grappen worden uitgehaald. Maar het hele geval bewijst het volgende: het vervaardigen en verkopen van goederen, waarmee in bijzondere omstandigheden het voortbestaan van volkeren staat en valt, wordt reeds op een wereldschaal georganiseerd en gecontroleerd door betrekkelijk kleine groepen particulieren, die soms in letterlijke en figuurlijke betekenis geen grenzen kennen. Daarnaast geldt voor de gehele grootindustrie, dat zij in alle landen opgezet is en doorgevoerd wordt, niet voor maximum welvaart van het gemenebest, maar voor maximum-winst van beperkte groepen personen. In oorlogstijd wordt echter van haar geëist, dat zij zich instelt op maximum-productie.

Wij treffen hier een aantal met elkaar onverenigbare grootheden aan. De vereiste maximum-productie komt in botsing met vele zakelijke gewoonten: zij vereist openlijke en verregaande samenwerking tussen concurrenten, die er elk hun fabrieksgeheim op na houden; zij vereist grote inspanning van trusts en cartels, wier streven in vredestijd dikwijls was toegespitst op

productiebeperking terwille van winstverhoging. (De Britse staalindustrie levert hiervoor een treffend voorbeeld.) De kleine firma bezit een andere schroom: waarom zou zij zich de beroerte werken in het productie-gehêel als haar voorland is, na de oorlog door de grote broers opgezogen of doodgedrukt te worden?

Nu hebben wij nog niet eens het grote probleem aangeroerd, dat de Standard Oil-zaak ons treffend voor ogen plaatst: hoe moet de verhouding geregeld worden tussen nationaal volksbelang en internationaal zakelijk belang? Want de internationaal werkende naamloze vennootschap heeft, zolang de wet het niet anders voorschrijft en krachtig doorvoert, geen ander geweten dan een strikt zakelijk geweten. Haar gedragslijn hangt dus af van het geweten der directeuren, dat soms, meestal, mogen wij wel zeggen, uitstekend in orde is, doch soms ook door staatsprocureurs in hun onvermijdelijk ook al weer naamloze aanklacht in scherpe termen gegeseld moet worden.

Tenslotte hebben wij te maken met een arbeidersmassa, verenigd in vakbonden, wier leiders maar al te dikwijls op een helaas verklaarbaar negatief standpunt staan. De vakbond immers is geboren uit de noodtoestand, waarin de arbeidersklasse gedurende de 19e eeuw en een deel der 20ste voortdurend verkeerd heeft; zij was en is het instrument, dat tegen uitbuiting moet waken in een systeem, dat door haar werkwijze gedwongen is niet alleen grondstoffen, maar ook arbeidskracht zo goedkoop mogelijk in te kopen, om er dan het uiterste uit te halen.

Al deze problemen vereisen oplossing, niet alleen voor de oorlogstijd, maar ook daarna. Want na deze oorlog volgt onmiddellijk de tweede wereldoorlog tegen een schare van vijanden die de beschaving der mensheid en de mensheid zelve met verschrompeling of gedeeltelijke ondergang bedreigen: de ondervoeding en hongersnood; een schrikbarende schaarste aan grondstoffen, terwijl ophouw de eerste eis is; ontwrichte wereldmarkten, welke noodlottige werkloosheid kunnen brengen; de plotselinge stilstand der oorlogsproductie, welke een dergelijk noodlottig gevolg kan hebben.

Niets wijst er op, dat het huidig' economisch systeem deze problemen aan kan; integendeel. Maar het gaat er op of er onder; en zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Voor het huidige systeem kan enkel het ruwe woord gelden: Veranderen, of Verrotten! En het is duidelijk dat de mensheid wel verandering, maar geen verrotting wenst, wat haar zelf betreft.

Laten wij daarom proberen in een slotartikel de problemen samen te vatten, en enkele stippellijnen aan te geven, die enkel vingerwijzingen pogen te zijn in de richting ener oplossing.

A. Den Doolaard.