is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrij Nederland; je maintiendrai-onafhankelijk weekblad voor alle Nederlanders, jrg 2, 1942, no 45, 06-06-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OORLOG EN VREDE

KUNNEN wij de menschheid ” bieden na de gezamenlijke overwinning, na de nederlaag van een tot puin geslagen Duitsland? Wanneer de bazuinen der zegepraal zijn uitgeschald,—wat moeten we dan beginnen met een weldra ontnuchterde wereld, die voornamelijk bestaan zal uit oudstrijders, zonder strijd, uit weduwen en wezen zonder man en vader, uit vliegers zonder vliegtuigen, uit oorlogsfabrieken zonder opdrachten —en uit millioenen al of niet berouwvolle overwonnenen, die ontredderd terneerzitten op de puinhopen der machtswellust, zich krabbend met de potscherf van een te late inkeer? Waarheen met de ontredderde continenten, die gelijk schepen op drift zullen zijn, uitgebeten door het zout van de haat? Zullen wij den loods van het nationaal eigenbelang opnieuw op elk schip het stuurwiel in handen geven, om na een schijnbaar voorspoedige vaart weer plotseling te pletter te lopen op het verzonken rif van een mislukte vrede?

Dit zijn de gedachten, die velen wakker houden. de denkende mens is nimmer tevreden met het bereikte; en dit is tegelijk zijn verderf en zijn kracht. Aan ons, deze kracht ten goede aan te wenden! De wereld van de toekomst, in gans haar onvatbare grootte, ligt besloten binnen het ronde schedelgewelf van den denker, den ziener, den staatsman, die enkel waarachtig staatsman is, wanneer hij zijn gedachten en visioenen in de daad vermag om te zetten.

De wereld had behoefte aan zulke staatslieden, en daarom zijn zij gekomen, midden in een strijd, die tevens een loutering betekende voor een democratische wereld, welke de democratie dikwijls al te eenzijdig zocht in het star vasthouden aan parlementaire gebruiken, en zich liet leiden door geglorifieerde kruideniers en glorieloze renteniers. Het was een eigenaardige wereld, die nu kapotgeramd wordt door het geweld van den strijd. Wat bestuursvormen betreft, was zij wijs en oud en zelfs aftands geworden; wat sociale vormen en ontwikkeling betreft, had zij nog de baard in de keel. Op technisch gebied was zij een uit zijn kracht gegroeide slungel; op zedelijk gebied leek zij nu eens een oude dépravé, dan weer een onbewust wreed kind. En dit is onze grote strijd: evenwicht te brengen tussen al deze onevenredigheden, en vooral tussen ons fabuleus technisch kunnen, en ons zedelijk bewustzijn, dat dikwijl reeds faalt wanneer het een verhouding tussen enkelingen betreft, en meestal hopeloos tekortschiet zodra grote groepen tegenover elkander blijk zouden moeten geven van opofferingsgezindheid. In onze kortzichtigheid zagen wij niet, dat de voor de hand liggende eigenbaat op den duur zekere ondergang betekende;

dat het waaghalzig schijnende offer rijke baten zou af werpen, naarmate de jaren voortschreden. En daarom zijn wij binnen de muren van onze nationale woningen, die tegelijk driedubbel vergrendelde tolmuren waren, verarmd en verkommerd gelijk de vrek naast zijn goud, door niemands schuld en door ieders schuld.

Maar de schuld bestaat; en wij vereffenen haar heden met bloed. Doch de besten onzer weten, dat de mens niet durend voortbestemd mag zijn tot een gewelddadigen dood, doch tot een zegenrijk leven. Daarom laten zij hun onbaatszuchtige gedachten uitzwerven als lichtstralen in het duister van de toekomst. En wanneer zij dat doen, dan gaan deze gedachten niet uit naar een geliefde politieke partij, waar zij na den oorlog weer in weg willen kruipen, alsof er niets gebeurd ware; neen, hun gedachten gaan uit naar de ganse mensheid. En de beelden, die zij mee terugbrengen uit het doorwoelde duister der slapeloze nachten, zijn evenzovele overwinningen op het kwaad, dat ons, door aller schuld, in deze hel van vernietiging heeft gestort. Zo gezien, is de laatste rede van Stafford Cripps even belangrijk als de Battle of Britain; de laatste rede van Henry Wallace even beslissend voor de toekomst der vrije mensheid als de Slag in de Koraalzee. Soldaten winnen den oorlog; denkers winnen den vrede. En onze taak is niet alleen, den oorlog te winnen; maar daarnaast en bovenal, den vrede niet te verprutsen.

Dit kan niet genoeg, en niet scherp genoeg, herhaald worden; want er zijn nog altijd te veel gedachtelozen, die luidkeels roepen; “ Laten we nu maar eerst zorgen, dat we winnen; dan zien we wel verder.” De twee noodlottige jaartallen: 1918-1939 vormen hierop een afdoend antwoord. Neen, het spreekwoord der Romeinen geldt thans andersom: wie den vrede wil, ruste er zich op toe tijdens den oorlog. Want de vrede die wij begeren, is niet langer een toestand van niet-oorlog, een toestand gelijk aan die van 1918. De vrede is een doel op zichzelf geworden, de inzet van een tweede strijd, een zedelijke, technisch-economische en sociale strijd, waaruit een verjongde wereld geboren moet worden. Wie deze strijd schuwt of weigert, stemt voor een volgende slachting op uitgestelden termijn.

De hunkering naar het “Waarom?” van dezen oorlog is almachtig geworden in de brede laag der strijders. Maar al te lang hebben de nazihonden ons kunnen tarten met het afgekloven been van hun Nieuwe Orde. Het is maar een been, maar je hebt er tenminste houvast aan; je weet tenminste, dat het als ploertendoder gebruikt wordt door een

machtswaanzinnig ras, om zich ee» levensruimte te verschaffen die voor andere rassen enkel een slavenkooi is. Goebbels heeft dit ideaal nog eens duidelijk afgeschilderd in zijn laatste rede, die niets anders is dan de projectie van den politieken droom in het hart van den langzamerhand strijdensmoeden Mof. “ Genoeg gepraat over idealen; wij willen eindelijk resultaten! Wij willen elk in ons eigen karretje rijden over mooie, brede wegen; wij willen goede huizen, lekker en voldoende eten; wij willen vette aarde en vette worstjes; wij willen .. .” Ja, wat willen zij? Andermans goed, anders niet.

Ziedaar het nazi-ideaal van vandaag: de zwarte ploert met hard aangetrokken koppelriem over een lege maag droomt van andermans varkenskarbonade. En nu even terloops dit: ligt hierin niet een supreme ironie der historie? Is het niet heerlijk lachwekkend, dat een nazipartij, oorspronkelijk brallend van verontwaardiging over ons gebrek aan idealen, over onze aanbidding van den Mammom, over onze verderfelijke verzonkenheid in kortzichtig materialisme, zich thans ogenschijnlijk bekeerd heeft tot het platste kleinburgerlijkste levensideaal je van een knus huisje, een leuk dagentje en een bolrond buikje?

Spotten is gemakkelijk, want een Goebbels heeft slechts ruggegraat zolang er overwinningen uit te bulken zijn. Maar daarom geldt de vraag: “ Zijn wij beter? Hebben wij het kleinburgerlijk egoistisch ‘ ideaal ’ overwonnen? Beseffen wij, waarom het gaat? ”

De Moffen weten het wel. Zij hebben het bij monde van den botten dronkelap Ley, minister van Arbeid oftewel chefslavendrijver van het Derde Rijk, volmondig erkend; “ Alleen het Herrenvolk heeft recht op een goed bestaan, ten koste van andere, largere rassen. Een lager ras heeft minder ruimte, minder kleren, minder voedsel, minder cultuur nodig dan een hoger ras.”

Het gaat er om, hier een werkelijk ideaal tegenover te stellen. Het gaa er om, de gelijkwaardigheid der rassen niet alleen met de mond, maar ook met de daad te belijden. En dat het bese zich baan breke: dit is niet alleen een zedelijk ideaal, maar ook een koombare practische noodzaak, wil ontredderde wereld weer tot een wevaart komen, welke de grondslag moe vormen voor bestaanszekerheid.

Laten wij daarom in een volgend kei trachten te omschrijven, boeyer gevorderd zijn sinds de Vrijbrief van den Atlantischen Oceaan; hoe , dikwijls gesmade luchtkastelen omlaaggedaald zijn naar de aarde.

A. Den Doolaakd.