is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrij Nederland; je maintiendrai-onafhankelijk weekblad voor alle Nederlanders, jrg 2, 1942, no 46, 13-06-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OORLOG EN VREOE

11. De vraag “ Waarvoor vechten wij? ” ligt vandaag aan den dag duizenden in den mond bestorven. Dit is een gezond en goed teken. Ten eerste bewijst het, dat heden, twee jaar na de verschrikkingen van Duinkerken, iedereen zich overtuigd houdt van de overwinning, zodat het denken over onze na-oorlogse wereld even natuurlijk en normaal is als het populaire aandringen op een offensief in het westen. Ten tweede bewijst het, dat het vage begrip “ democratie ” allesbehalve dood is, zoals de Moffen verkeerdelijk dachten. Men, beselft nu, dat het in één van haar uitingsmogelijkheden, de parlementaire, in een enkel land. Frankrijk b.v., “ad absurdum ” gevoerd was; vandaar dat het verlangen opgekomen is, die andere arbeidsvelden der democratie te gaan beploegen, welke tot nog toe bijna overal gedeeltelijk braak gelegen hadden: de sociaal-economische.

De vraag naar de nieuwe wereld wordt natuurlijk geheel verschillend beantwoord, of zelfs afgewezen, naarmate men er belang bij heeft. Allereerst heeft men natuurlijk de grote klasse der “ het-komt-van-zelf-terecht ”-ers. Dat er uit de vernieling van de Hitlerburcht hokus-pokus-pas een dragelijke nieuwe wereld te voorschijn zou kunnen komen is even dwaas gedacht, als dat er uit een brandende automobielfabriek plotseling een spiksplinternieuwe auto naar buiten zou komen rijden, opgebouwd door de ontketende energieën van het vuur. is echter het monsterverbond der lieden met oogkleppen, wier misleidend parool “het was heus vroeger zo slecht niet ” dikwijls de verhulling vormt voor wat zij eigenlijk bedoelen: “terug naar de liberale economie.” In deze tijd van geleide economie, welke in de eerste tijd na de oorlog nog straffer zal moeten ingrijpen, om economische wereldrampen te verhoeden, zijn zij gelijk een onmogelijk strateeg, die deze wereldbotsing tussen volkeren met huurlegers zou willen uitvechten.

Tegenover hen staan de ongetelde millioenen, die lijf en familieleven, hun enige aardse rijkdom dus, ter beschikking van de goede zaak hebben moeten stellen. Hun enige vraag is: “Komen wij na de oorlog soms weer zonder een cent op straat te staan ? ” Voor hen is de gestalte der nieuwe wereld geen theoretische speculatie, maar een levensbelang.' Wat er tot nu toe officieel gebeurde, is enkel, dat de geallieerde regeringen de vrij vage “ Atlantic Charter ” hebben onderschreven, waarin Roosevelt’s beroemde “ Vier Vrijheden ” zijn verwerkt. Dat wij voor vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van rechtspraak resp. bevrijding van de Gestapobloedhonden en verdere geweldenaren strijden, spreekt eigenlijk vanzelf. De belangrijke “ Freedom ” van de vier is de bevrijding van broodsgebrek oftewel de bestaanszekerheid; omdat zij de spil vormt, waar alle utopieën en vrome wensen om heen draaien.

Wat daarna gekomen is, zijn redevoeringen van staatslieden, en economen zoals Sir Stafford Cripps, Oliver Lyttleton, Cordell Huil, Henry Wallace, Milo Èerkins, Sumner Welles en John Winant en Eden. Het merkwaardige van al deze uitingen is dat zij zich voornamelijk met economische kernproblemen bezig hielden en in de tweede plaats slechts met politieke vraagstukken. Moet men hieruit de gevolgtrekking maken, dat in de naoorlogse wereld bestaanszekerheid gewichtiger zal zijn, voorlopig tenminste, dan stemrecht ? Zo ver zouden wij niet graag willen gaan. Het heeft er echter allen schijn van, dat in de democratie van de onmiddeilijke toekomst de nadruk voorlopig 'eerder liggen zal op “ ordening ” dan op “partijstrijd,” in de vorm tenminste zoals wij die kenden. Dit betekent geenszins de verwerping van het parlementaire stelsel in beginsel; het betekent slechts, dat dit stelsel, onder de druk der omstandigheden, waarin snel besluiten en handelen nodig zal zijn om millioenen voor hongersnood en ondergang te redden, wellicht plaats zal moeten maken, tijdelijk dan, indien de geschiedenis niet anders beslist, voor een combinatie van comité’s van openbaar welzijn, bekleed met grote bevoegdheden, en wetgevende lichamen, samengesteld uit de beste en meest vakkundige elementen uit alle partijen. Op deze manier, komt de nadruk niet langer op “ vrijheid,” maar op “ orde ” waar echter onmiddellijk bij gevoegd moet worden, dat deze “ orde ” niet de orde is van den Gestapo-beeldhouwer, die er de stukken afmept tot hij zijn misbaksel in de vorm heeft, maar een ordening, van binnen uit gegroeid, met toestemming van den waarachtigen staatsburger, die een deel van zijn politieke vrijheid voorlopig prijs zal geven, indien hij daardoor zijn economische vrijheid verzekerd .ziet.

Wij hebben bovenstaande gedachte, voor het eerst, zij het dan in enigszins andere vorm, naar voren gebracht door den scherpzinnigen Spaansen historicus en politicus de Madariaga, even globaal uitgewerkt, omdat wij anders geen gelegenheid zouden hebben scherp stelling te nemen tegen een gedeelte van de rede, uitgesproken door den vroeger zo zwijgzamen heer Sumner Welles. De heer Sumner Welles verbindt namelijk met zijn economische waarheden enige politieke uitspraken welke ons, burgers van het Koninkrijk der Nederlanden, enigszins vreemd in de oren klinken. De economische stelregelen van Sumner Welles zijn ons welkom: de binnenlandse politiek van een land mag niet meer beheerst worden door bevoorrechte en zelfzuchtige kleine groepen; zij mogen het vrije , internationale ruilverkeer niet meer smoren ten eigen bate; de aarde brengt genoeg voort voor iedereen, en waar het om is slechts een rechtvaardige verdeling, en het ophouwen van de koopracht overal ter aarde.

Tot zover gaarne accoord. Dan komt Sumner Welles echter over de bevrij-

ding der volkeren te spreken; en daarbij gaat hij wel heel snel te werk. “ Door deze oorlog moet de souvereine gelijkheid van alle volkeren ter wereld verzekerd worden ” zegt hij. “ Een gevolg van onze overwinning moet de bevrijding van alle volkeren zijn-Onderscheid tussen volkeren op grond van ras, geloof of kleur moet afgeschaft worden. De tijd van het imperialisme is voorbij. Het recht van een volk op zijn vrijheid moet erkend worden zoals de beschaafde wereld reeds lang het recht van een individu op zijn persoonlijke vrijheid erkend heeft.”

Een waarachtig democraat is, of hoof* te zijn, anti-imperalist; maar wat Sumner Welles ,een-twee-drie wil, is knoppen met behulp van heet water tot ontbloeiïng brengen. Volgens hem zouden I wij ons Rijk moeten amputeren, Insulinde de vrijheid geven, de politieke vrijheid, en dan de zaak maar laten reilen en zeilen: stembussen timmeren en neerzetten, weglopen en vooral de deur openlaten, zonder ons er een spaan van aan te trekken, of de dorpswachter wel orde binnen- en buitenshuis kan houden. Waartoe zou het toewerpen van politieke vrijheid dienen, indien niet allereerst een economische vrijheid, ep grondslag van de eigen krachtsontwikkeling der inboorlingen, verzekerd ware? Wij willen hier helemaal niet ! onze “ verworven rechten ” in hft I geding brengen; wij zijn er heih^ I van overtuigd, dat elk rassenvoor-I oordeel er voor goed uit moet (en hiermJ I onderschrijven wij slechts nederig de i mening van iemand die het weten kan> n.l. br. Van Mook). Maar het zoU> menselijk gesproken, rondweg misdadië wezen, zelfs al erkenden wij in beginne het recht op politieke vrijheid van ah® ! volkeren, wat voorzeker gewenst war^ ! ons Insulinde b.v. plotseling voilkonie» zelfbestuur te geven, zonder eers minstens de economische weerstand*' kracht van het volk volkomen te vet2® ' keren. De theorieën van den Sumner Welles rieken ons te veel na» een' open-deur-politiek, voordelig vo» economische zeeschuimers, gewetenlos dan wij zelf; maar zeer zeker ni voordelig voor een inlandse bevoilkid»' welke haar vrijheid voorzeker maar in het gebruik en het van die vrijheid terdege onderni® j. dient te worden. En, laten wij dadelijk bij zeggen, verder, grondig en onzelfzuchtiger onderricht, dan WM fel* hiA leval geweest is. .

'Laat de heer Sumner Welles denken, dat de lessen van den gp strijd in Insulinde voor ons verloren gegaan zijn. Maar besten onzer ongetwijfeld willen, anders en minder primitief gefor leerd worden.

! Waartoe wij, blanken, verplicbt^ > is de opvoeding der te bevrijden v ren overal ter aarde tot de staat .g, 5 politieke en economische gelijkwa gi heid. lets wat misschien wel eve tijd zal kosten, als Uncle Sam vo bouwen (op soma-imperialistische wu I- van zijn huis nodig gehad heet . A. DEN DOOLAARD-