is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrij Nederland; je maintiendrai-onafhankelijk weekblad voor alle Nederlanders, jrg 3, 1942, no 2, 08-08-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BLOEDIGE SCHEIDSLIJN

yiJDENS DE URENLANGE optocht, die de Waffen-S.S. deze week door Parijs hield, en die voornamelijk het doel had met hakkengeklap en wapenvertoon de inwoners van deze onbuigzame stad te imponeren en tegelijk de wereld te bewijzen hoe sterk de Moffen wel in het Westen zouden zijn deze reclamemars tegen de mogelijkheid van het Tweede Front gebeurde er iets merkwaardigs. . Het wordt ons verteld door een Mof, een zekere Dr. Friedrich. Voor hij de lof gaat zingen van deze paradepasbandieten, vertelt hij eerst over het gesprek, dat hij afluisterde, omdat drie Parijzenaars vlak onder zijn microfoon stonden.

“ Zo,” zei de eerste, “ ze moeten vast en zeker bang zijn voor opstand, dat ze zoveel troepen bij elkaar halen.” “ Ja,” zei de tweede, “ ze vliegen zelfs boven de stad, om gauw te kunnen zien, of er ergens samenscholingen zijn.” “ Ach,” zuchtte de derde, “ze doen allemaal dingen die we vroeger nooit gewend geweest zijn.”

De heer Dr. Friedrich, die het niet velen kon dat zijn aangebeden volk nog steeds zo verkeerd begrepen werd, waagde toen, zoals hij zelf zegt, een schuchtere tegenwerping. Hij zei beleefd: “ Maar, U ziet toch wel dat er muziekkorpsen zijn, om de toeschouwers te vermaken!” Hij bedoelde in zijn goeiigheid: “Als wij met de schuiftrompet en de trombone komen opmarcheren, dan is dat toch niet om kwaad te doen! Denk toch niet altijd het ergste van ons! ”

Maar tot zijn verbazing had hij geen succes, want hij besluit: “ Het was verwonderlijk, hoe snel die drie na mijn opmerking verdwenen. En waarom? Ik snap er niks van.”

Hij begreep het niet, omdat hij een Mof is. Want ieder ander mens begrijpt zoiets wel. Daar stonden die drie Parijzenaars, mensen uit een vertrapt volk, tussen de kerels wier taak het is, de dappere Franse saboteurs dood te slaan en de man, die hun wreedheden over de microfoon goed moet praten; tussen zwijgende, harteloze beulen en een maar al te welbespraakte prikkeldraadaanbidder. Daarom liepen ze weg; maar Friedrich begreep het niet, omdat hij een Mof is.-

Inderdaad, ze begrijpen het niet; ze begrijpen de doodeenvoudigste dingen niet. Ze begrijpen niet, dat men het vaderland en de vrijheid, de waarheid en het recht zo liefheeft, dat men dit alles verdedigen wil, zelfs ten koste van het leven.

De Moffen begrijpen het niet, dat er een bloedige scheidslijn is tussen hen en ons. Ze zijn gekomen met hun kranige horden; en ze dachten ons volk

verpletterd te hebben in vier dagen. En nu schreeuwen ze al twee jaar lang: “ Maar mensen, wat hebben jullie toch tegen ons? Dat brandje van Rotterdam dat is toch bijzaak? Waarom stribbelden jullie dan ook tegen? Begrijp dan toch, dat we jullie klein verzet moesten breken, juist omdat we het beste met jullie voor hadden; omdat we jullie zo snel mogelijk binnen wilden voeren in de Grote Nieuwe Tijd.”

Zo spreken ze, en ze begrijpen niet, dat de Nederlander stom en doof blijft, en de Noor, en Tsjech, en de Jougoslaaf, en de Belg, en de Fransman, en de Griek, en de Pool.

Waarom? Omdat er bloed is tussen ons en hen; omdat zij de wetten gebroken hebben, die de mensheid aanvaardde ; de wetten, waar in kleine volksgemeenschappen honderden jaren voor gestreden was. En door het verbreken der wetten hebben ze zichzelf buiten de gemeenschap der mensen geplaatst. Zo werd de keuze ons opgedrongen, aan hen die in vrijheid leven en aan de tijdelijk verdrukten: of wij moeten hen vernietigen; of zij vernietigen ons. Een tussenweg is er niet.

Maar omdat zij zo weinig begrijpen, en dat nog zo slecht, dachten zij, de Moffen, dat er wel een tussenweg was. Net zoals ze deze week de mensen in Parijs wilden paaien met hun schuiftrompet en hun trombone, net zo wilden ze heel Europa paaien met hun Nieuwe Orde. Deze is, volgens de allernieuwste definitie: “De kameraadschap der volkeren van Europa, onder het leiderschap van hen, die geroepen zijn om te leiden.”

Ja, de kameraadschap tussen hen, die het schraapsel uit de troggen mogen likken en hen, die zich zat eten aan onzen gestolen veestapel. En die roeping tot het leiderschap? Een gevaarlijk woord: roeping. De een voelt zich geroepen tot het verdedigen van zijn vrijheid; de ander tot het beroep van rover en plunderaar. En alleen een Mof alweer kan dit verschil in smaken niet begrijpen.

Maar wij begrijpen het. Tegenover de zelfuitverkorenheid van dit boos geslacht van hen, die God en de mensen tergen, staan de volkeren van Europa met hun roeping, die zich uit in stille smeekbeden en luide ontploffingen: de roepen van het verzet tegen de tyrannie.

Deze roeping is niets vreemds voor het volk der Nederlanden. Zij sliep slechts, in de diepe wateren van ons volksbesef, die sinds eeuwen in één richting stromen; en het zijn de Duitsers zelf, die haar wakkergeroepen hebben met de valse bazuin hunner Nieuwe Orde. Vier dagen duurde de strijd in Nederland; maar dat was slechts het kléin verzet. Daarop volgde het groot

verzet; het verzet, dat niet zijn oorsprong nam in algemene dienstplicht, mobilisatie en de oorlogsbegroting der laatste jaren voor ’39, maar in het hart van heel het volk, dat de herinnering bewaard had aan een strijd van eeuwen her tegen een eendere verdrukking. Reeds erder had een vreemd volk ons in willen schakelen in een orde, waar wij wars van waren.

Maar toen rees de Prins van Oranje omhoog, en hij riep het de burgers van Leiden toe, zoals hij het u allen heden toeroept: “Zo lang er nog één levend man in dit land over is, zo lang zvllen wij strijden voor onze vrijheid! ”

Woorden vervliegen op den wind; maar indien zij de ademstoot zijn, die bewerken, dat gans een’volk zich aangordt om zijn onafhankelijkheid te bevechten—dan zijn zij niet verwaaid, maar dan worden zij opnieuw geboren met eiken nieuwen Nederlander mee, die de naam van Nederlander niet had kunnen dragen, indien zijn voorgeslacht geweigerd had, deze wekroep te horen, die het van volk tot natie verhief. Een man kan de erfenis van zijn vader weigeren, maar een volk kan nimmer de erfenis weigeren van zijn voorgeslacht, evenmin als een boom tegen de grond kan rebelleren, waarin hij wortelt.

En, wortelend in eeuwen van zwaarbevochten onafhankelijkheid, heeft het Nederlandse volk de bedoeling doorzién van den sluwen graver, die ons over wil planten in zogenaamd beteren bodem, en die daarom een doodgraver is. Wij zien de Moffen zoals ze zijn; geen mensen zoals wij, maar gevechtsbeesten, die slechts denken in termen van roof en plundering. Er is geen gemeenschap tussen ons en hen; maar een bloedige scheidslijn. Tussen ons denken en hun vergeefse pogen is een verschroeide woestijn; en daarin zien wij de verbrande balken van Rotterdam; daarin bengelen de lijken aan de duizenden galgen, die zij met hun zwarte handen in het groene, gelukkige Europa hebben opgericht; in die woestijn wordt de kreuning gehoord der gemartelden in de honderden gevangenissen en concentratiekampen, waar geweend wordt in velerlei talen. Maar daarom juist worden daarbuiten de vuisten gebald in eender verzet.

Tussen ons en hen de diepe woestijn van het oneindige leed; tussen hen en ons de diepe drift van het oneindig verzet. En daarom zullen zij in die woestijn ten onder gaan; want de machtswellust is een tweesnijdend zwaard, waarvan de scherpste snede uiteindelijk neer zal kantelen op hem, die ons zelf wakkerschudden tot deze strijd tegen de tyrannie!

A. Den Doolaard.