is toegevoegd aan uw favorieten.

Vrij Nederland; je maintiendrai-onafhankelijk weekblad voor alle Nederlanders, jrg 3, 1942, no 13, 24-10-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE GEHALVEERDE VIER VRIJHEDEN

■p\E HERFST waast weg naar de winter toe. De stoppelvelden zijn lichtgoud in het gele licht der stormachtige zonsondergangen, en langs hun randen gloeit de donkergouden franje der eerste stervende beukenblaren. De korenmijten, dit jaar veelvuldiger en statiger dan ooit, hebben allen hun dak gekregen; in elke “ county ” was gelukkig nog wel een oud man te vinden, die wist, hoe dit kunstwerk van stroo en koord tot stand gebracht moest worden. De veldratten vreten zich vol; wanneer ik ’s morgens wakker word in onze weekeindwoonwagen hoor ik ze piepend van genot door het hooge gras rennen om hun ontbijt te verteren. Overal smakken de appelen zwaar in ’t gras; en de heggen voeren met woeste kleuren en uitdagend dorengeprik het festijn der vruchtbaai'- heid. De dikke bramen zijn dof geworden van moede zwaarte, en ritselen omlaag, wanneer men de hand er naar uitstrekt; en het zegevierend rood der rozebottels verslaat hun kwijnend blauw. Geelwitte kamillen, een enkele klaproos achter een beschuttende heg, een paar schaarse koekoeks- en boterbloemen wagen het op hun eentje een nieuwe zomer te beginnen; maar de bruine paddestoelen, de donkere klontervoren in de pasgeploegde velden die gereed liggen om het winterkoren te ontvangen, en de grijze nevel waarin zij de bloembladen openen en sluiten, manen hen, dat het geen tijd meer is voor zomerzotheid, De zonnebaan schrompelt weg naar de hoek des hemels waaruit de grote stormen te voorschijn razen; en de wereld bereidt zich in langzame gelatenheid op het winterse sterven voor, dat gevolgd zal worden door het heden onmogelijk schijnende wonder: de terugkerende lentewarmte, de opnieuw uitbarstende groeikracht.

Hoeveel gemakkelijker is het voor ons, die in de vrijheid leven, om aan dit wonder te geloven, dan voor hen, die ook in den zomer omhooggestaard hebben, naar een hemel, duister van verdrukking; die in de lente door ontkiemende velden gewandeld hebben, wier wasdom bestemd was voor de tyrannen, en niet voor hen zelf! Welk een pijnigend gevoel niets meer te bezitten, dan de hoop op de toekomst; een hoop, die telkens weer teleurgesteld wordt! In de lente hadden zij de vage verwachting de fanfares der bevrijders aan de stranden te horen voor de winterstormen zouden gaan razen over het duin, dat zij zelfs niet meer mogen betreden om over de woest» branding met de hand boven de ogen uit te staren naar het westen, vanwaar zij hulp verwachten. De eerste herfstwind heeft deze hoop ontbladerd; en het loodgrijs der herfsthemelen drukt hen zwaar op het hart. Een nieuwe winter, met hollere magen, scherper kou en venijniger dwang. Gijzeling, roof en moord zijn gemengd nieuws geworden; de overwinning wordt hun, ongeacht de seizoenen, toegezegd per radio; en via dit instrument spreekt men hen ook toe over de nieuwe wereld na die overwinning.

Indien wij onder in de put der slavernij zaten, zouden wij dan aan die nieuwe wereld geloven? En het is des te ontstellender van geestkracht, dat de verdrukten toch in de nieuwe wereld geloven! Maar wat voor ons wellicht het ontstellendst is: zij geloven er in, omdat zij zelf bezig zijn, buiten ons om, die nieuwe wereld in hun gedachten vorm en gestalte te geven. Op één punt staan zij daarbij ten achter bij hen, die in de vrijheid zijn: wie op de bodem van de put zit, kan het veld der wereld moeilijk overzien. Maar een geweldig iets hebben zij op ons voor: in hun harten is de oude wereld reeds verteerd tot as. Bloedige verdrukking heeft hun geleerd, waar de grootste zonden scholen in het oude wereldbestel.

Velen, die voorrecht der vrijheid genieten, zijn nog lang zo ver niet. Zij daarginds zijn gelijk het veld, waaruit koren en onkruid zijn weggerukt door maaier en ploeger. Zij liggen opengeschaard onder de hemel; het zaad der nieuwe denkbeelden valt in een gewillige aarde. Vele velden hier zijn verstopt door onkruid, dat het reinigend vuur behoeft van den harden strijd aan den lijve. Wanneer men echter hier en in de Vereenigde Staten over de toekomst hoort praten, dan ziet men soms het beeld van oude, verwaarloosde grasvelden voor zich, die nimmer met de zeis kennis maakten, en waarin lagen bruin en viltig gras het jonge spruitsel verstikken.

Dit was de gedachte, die bij mij opkwam, toen ik een vorig no. van Vrij Nederland een verslag las over de Nederlandsche Studiegroep te New York. Daar staat letterlijk, met betrekking to “ sociaal en economisch inzicht”: “Er zijn in de Nederlandsche Studiegroep velen en daartoe behooren de leiders • die op dit gebied slechts heil verwachten van het zuiver economisch liberalisme der 19e eeuw.”

Ik ben blij, dat deze heren zo openhartig voor hun mening uitkomen. Dit schept gelegenheid tot een even openhartig antwoord, dat uiteraard voor eigen rekening blijft. Wie heden meent, voor de toekomst van Nederland heil te kunnen zoeken in het zuiver economisch liberalisme der 19e eeuw is precies gelijk aan den “ dokter ” uit gelukkig langvervlogen decenniën, die met de beste bedoelingen ter wereld meende bloedarmoede en zelfs longtuberculose te kunnen genezen door middel van aderlatingen. Ik zie uit het verslag ook, dat de afdeling diverse leden opgedragen heeft, om boeken over deze onderwerpen te lezen. Wij zouden hun'allereerst aan willen raden, de redevoeringen van Roosevelt, Henry Wallace en John Winant te lezen; dan zal het hun waarschijnlijk duidelijk worden, dat het 19-eeuwse liberalisme de bodem heeft voorbereid, waarop het 20-eeuwse fascisme zo welig tieren kon. Deze hardnekkige- heren zijn slechts stalenmonsters van een helaas nog wijdverspreide collectie.

die zeer graag helpen wil de oorlog te winnen, om daarna de vrede voor one allen te verliezen. Hun kreet “ Alles bij het oude! de krakende wagen, hort! ” is de ware nektar voor de dorstige kelen der fascisten, die hun eigen nieuwe wereld in bloed verdronken hebben, zodat zij vol leedvermaak slechts één ding kunnen volhouden: wat wij, de Verbonden Volkeren, ook niets nieuws te bieden hebben. Deze liberale kampioenen willen Roosevelt’s vier vrijheden halveren; vrijheid van godsdienst, en meningsuiting zal worden toegestaan; maar de bevrijding uit vrees en de vrijwaring voor gebrek, deze nieuwt idealen, welke de democratie pas tot haar ware verwezenlijking brengen, worden uit hun programma geschrapt; zij vinden de noodlottige gevolgen van de liberale economie, als daar zijn productie in het wilde weg, economische crises, werkloosheid op grote schaal, monopolisering van grondstoffen, tariefoorlogen kortom alles wat de kiem gelegd heeft voor werkelijke oorlogen, blijkbaar veel verkieslijker. Zij wensen de collectieve veiligheid te verwaarlozen ten behoeve der individuele welvarendheid. Indien zij logisch doordenken, dan moeten zij tot de conclusie komen, dat zij het diep verarmde vaderland willen ophouwen op een basis van persoonlijk winstbejag;

Ik geloof niet, dat in het nieuwe Nederland van na de oorlog voor zulke reactionnairen plaats zal zijn. Ik kan hun wel de verzekering geven, dat ook “ rechtse ” kringen in het verdrukte vaderland rekening houden, niet met de wenselijkheid, maar met de onvermijdelijkheid van een gebonden (gedirigeerde) economie, niet alleen voor de tijd van de opbouw, maar als noodzakelijke richtlijn voor het ganse toekomstige economische bestel over de gehele beschaafde wereld. Er is geen andere keuze dan die tussen internationale samenwerking gegrond op overleg en een nieuwe chaos die tot een nieuwe oorlog zou leiden.

Deze liberale heren zonden hun plannen, (en ze zullen er ongetwijfeld van schrikken) en dan nog slechts voor korte tijd, en ten koste van heilloze verwarring, kunnen verwezenlijken met de hulp van een klein klusje politieke avonturiers, op wier intrigues het Engelse weekblad Observer j-I-Zondag terecht de aandacht vestigde door te zeggen: “ Het is algemeen bekend, dat in sommige politieke kringen plannen worden uitgebroed voor de toekomstige bestuursvorm van sommige West- en Midden-Europese staten, gegrondvest op het beginsel van de Staat-met-één-partij.” Wi] weten niet, of de Observer ook aan Nederland had gedacht: maar de ontwikkeling der Bruine Pest heeft ons tenminste geleerd, dat wij voortaan niet meer onverschillig kunnen blijven voor wat er in buurmans huis gebeurt. Op de interessante consequenties van een en ander komen wij spoedig terug.

A. DEN DOOLAAKD.