is toegevoegd aan uw favorieten.

Allen weerbaar; officieel orgaan van de Vereeniging "Volksweerbaarheid" en van de Koninklijke Nederlandsche Weerbaarheids-Vereeniging, jrg 9, 1910, no 49, 09-12-1910

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den aMeeli ngs-commandunte n wordt in overweging gegeven het reglement op den velddienst nog eens met de lieden te bespreken.

Toen Jameson in Transvaal zou vallen, zond Rhodes eerst den bekenden Amerikaanschen Scout Burnham en later tal van Engelsche officieren, die Transvaal verkenden, terwijl de Boeren er niets van schenen te begrijpen.

Maar Baden Powell gaf aan het woord een uitgebreider beteekcuis. Volgens hem is een Boy-Scout of padvinder een jongen, die zich onder allerlei omstandigheden weet te redden, die gelieerd heeft strenge plichtsbetrachting, opofferende, steeds tot hulp bereide naastenliefde, die de handen uit de mohwen kan steken, practisch is en praotisch doet, die gehoorzaamt zonder te vragen en tucht en ordezln heeft geleerd ■ (zie De Voogt t.a.p.).

Het is wel opmerkelijk, dat iemand als generaal Baden Powell, die uit een 35-jarige praktijk de disciplinaire waarde van het soldaatje-spelen kent, dit, afkeurt voor zijn jongens.

Volgens hem ontneemt de militaire dril den jongen het individueele karakter, dat B. P. juist wil ontwikkelen. Ook is het een gevaar voor trage en fantasie-looze leermeesters, die er te licht uit gemakzucht toe overgaan, de jongens te laten exerceeren, omdat ze geen takt hebben ze anders nuttiger bezig te houden.

De tegenwoordige toestand en de Boy-Scoutsheweging in ons land.

Wij moeten nu de vraag onder de oogen zien, of’t voor ons wei zoo erg noodig is tot ’n •organisatie, ais bovengenoemd, te besluiten.

Onze geëerbiedigde Koningin heeft het O. vroeger gezegd : Wij: willen groot trachten te zijn in alle dingen, waarin een klein volk groot kan zijn, en Zij gaf zelve het voorbeeld, toen Zij, liet is al weer lang gereden ! mensohlievendheid en eerbied betoonde voor den armen grijzen balling-president Kruger, wien Zij gastvrijheid aanbood op de „Gelderland”, goed doende, onbekommerd om wat „men” er van zei.

Onze „gouden eeuw” is lang voorbij. Zeker, wij zijn geëclipseerd door de groot,e naties rondom ons, maar is dit de eenige reden, dat wij thans tevreden moeten zijn met de piccolo, die wij bespelen in het concert der volkeren?

Is onze geschiedenis ook niet een weinig die van de groote cultuurvolken, Grieken, Romeinen, Cartbagcrs, Spanjaarden, die, na met moeite te zijn opgekiommen tot het toppunt van hun macht, in voldaanheid op hun lauweren zijn gaan rusten, onverschillig voor het feit, dat andere volkeren kwamen, die ze vernietigden, hetzij met de wapenen, hetzij door overvleugeiing van den handel? Gebrek aan patriot!,sme, aan goede burger-

schap, aan k a r a k ter ziedaar de hoofdoorzaak van hun verval.

En hoe staat bet thans met dezen volkskanker bij ons?

Zijn er niet duizenden en duizenden onder ons, die hun plichten en verantwoordelijkheid tegenover den Staat en tegenover hun medeburgers trachten te- ontduiken, die in hun hart allen arbeid verfoeien en daarom dan ook slechte arbeiders zijn?

Wij bestudeeren thans overal „het” kanker-vraagstuk, maar het is hoog tijd dat het vraagstuk van de behandeling van dezen kanker ook eens ernstig onder de oogen wordt gezien.

Het werkloozen-vraagstuk vraagt, vooral in den winter, de aandacht van allen. Daar zijn er onder, die werkelijk' gaarne zouden ■arbeiden en ’t ook kunnen, maar er zijn er helaas ook bij die om werk vragen en don Hemel danken, ais ze ’t niet krijgen, en tevreden zijn, als de Staat of een ander hun do verantwoordelijkheid afneemt voor hun zelf en. hun gezin.

En waar is de ondernemingslust gebleven van onze voorvaderen, de jongens van Jan do Wilt? Is er geen plaats voor duizenden van, ons in Oost- en West Indië, in. Amerika en Canada? Al heeft de uitslag van den oorlog in Z.-Afrika ook ten gevolge gehad, dat dit vroegere groote afzetgebied voor Hoilandsche spieren,,, hersenen

en kapitaal, thans bijna l,s gesloten, ook daar is nog een weg, als er een wil is.

Met een kolonisatie van, de bergstreken in Indië is men nog nooit ernstig begonnen. Duizenden van ons, met energie en opge-Wekten zin, die Zich het karakter en den wil om te slagen van den echten padvinder hadden eigen gemaakt, zich geoefend hadden, in zeifbeheersebing en matigheid, de reinheid iu alle dingen betrachtten en volhardend waren als een Fries, zouden daar immers een bestaan kunnen vinden, ais maar het llollandsche kapitaal daarvoor los was te krijgen uit den Amerikaanschen dobbelhcek.

Nu we eenmaal weten, dat het aan ona zelf ligt, als bet Blijft zooals ’t was, dringt zich Ook de plicht op, het geneesmiddel aan te grijpen. Evenals de zieke, die er met alle geestkracht voor vecht om „er door” te komen, veel beter kans heeft, dan hij, die geen levensdoel en idealen meer bezit, moet ook een klein volk, dat groote dingen wil doen, met ernst en kraohtigen wil de middelen aanvatten om zijn nationale idealen zooveel mogeiijk te verwezenlijken.

En de prikkel voor de genezing moet, evenals bij het individu, komen van binnen» 11 i t o n s z, e 1 f.

•Wij moeten „karakter” leeren, de gewoon te, o m goed 'te denken e n goed te handelen.

(Wordt vervolgd.)

Oorlogslbegrooting.

Verschenen is het antwoord van den Minister van Oorlog op liet aMeelingsverslag der Tweede Kamier omtrent zijn, begroeting. Het stuk telt 121 pagina’s druks.

Wij ontleenen er, voor dit blad, het volgende aan:

Met verwijzing naar verschillende maatregelen, door den Minister genomen, als: bevordering der opleiding van bet militiekader; uitbreiding van het reservekader; bevordering van de geoefendheid van den troep; verbetering: van den daarin levenden geest, iönz., verdedigt de Minister zich verder tegen hot verwijt dat hij de vroeger door hem geuite denkbeelden niet tot uitvoering zou trachten te brengen en, gehoor gevende aan een streven naar reactie, veeleer zijn aandacht zou schenken aan do doode weermiddelen, dan aan de levende strijdkrachten.

De rapporten omtrent de geoefendheid der viermaanders bij de herhalingsoefeningen, zijn niet voor publiciteit vatbaar. I;n algemeenen zin staan de 4-maanders in geoefendheid achter bij de 8-maanders.

Die Minister betoogt, dat bij de klachten over onvoldoende oefening. to veel wordt voorbijgezien, dat mét ©en zekeren graad van individueele geoefendheid nog geen strijdvaardige troep wordt verkregen, maar dat ook oefenen in afdeelingen en oefeningen. van officieren en kader niet mogen' worden verwaarloosd.

iMjedegedieeld wordt, dat uit de in te dienen Militiewet zal blijken dat de Minister BY2 maand voldoende acht voor behoorlijke oefening, maar dan moet ook gedurende dien tijd zonder onderbreking behoorlijk kunnen worden geoefend.

Uitvoerig bespreekt d-e Minister bet „marcbeéren” en herinnert daarbij aan de mars.clien van meerdere dagen achtereen in den afgeloopen zomer ter oefening gehouden. In bet bijzonder doet de Minister mededeelingen over den marsch van het regiment grenadiers en jagers, waaruit blijkt, dat inderdaad van het regiment grenadiers en jagers Veel meer inspanning werd géëiseht dan van bet 6e reg. infanterie1, terwijl de marsch van het 4e reg. infanterie uit Gouda onder nog gunstiger omstandigheden plaats greep. De uitslag der proefneming! bij de grenadiers en jagers was zeker verre van voldoende. Het boogie percentage van hen, die «te

oefening .niet tot het einde meamaakten ■— voor het grootste gedeelte vioetkrainken moet niet worden toegleschreven, meent de Minister, aan mindere wilskracht, luiheid of «enige andere slechte eigenschap,. maar aan te weinig training, voor een deel ook aan hiet schoeisel. Van nut is deze proef echter zeer zieker geweest uit een oogpunt van ervaring. De uitslag der proefneming! bij het 6e reg'. infanterie was aanmerkelijk gunstiger.

De Minister concludeerde, dat onder zeer gunstige omstandigheden* en wanneer uitgebreide voorzorgsmaatregelen worden1 genomen, zooals in den oorlog! slechts zelden mogelijk zal zijn, de marschvaardigheid van den troep gleen aanleiding geeft tot opmerkingen. Zoodra mén echter eenige meerdere inspanning cischt, door het inschakelen van enkele storende oorlogisfuctoren, laat de marschvaardigibeid te wenschen. In bet i algemeen mag men die derhalve niet als voldoende aanmerken.

Meer uitvoerig zet de Minister, in verband met een en ander, bet nut van training uiteen. Met Binnenlandse,hé. Zaken wordt reeds overleg gepleegd om te komen tot oprichting ©ener centrale gymnastiekschool. De Minister stelt zich voor, dat de betere oefeningisvoorwaarden, die zullen worden verkregen door de in te. dienen Militiewet, met behoud van den SVg-maandschfea eersten oiefeningstijd, toch ten aanzien van bet mamboeren een verandering ten goed© zullen brengen.

Naar aanleiding van de vraag nopens de niéuwe schietmlethode merkt de Minister op, dat de dienaangaande door de commandanten der infanteriekorpsen uitgebrachte rapporten hebben doen zien, dat die methode van schiietopleiidingi, zooals zij is neergelegd in Het Sc biet voorschrift infanterie 1908, door de groot© meerderheid der rapporteurs Wordt afgekeurd, al heeft zij ook haar goede zijde getoond. Aan den inspecteur,, der infanterie is thans opgedragen om, met behoud van dit goede, een nieuw schietvoorschrift voor die infanterie samen te stellen.

Door den Minister is ©en commissie aangewezen om het vraagstuk der infantexiebopakkingi in zijn geheel te bestudeeren. In afwachting: van haar rapport, en voorstellen, zal de Minister thans niet , spreken over. de kwestie van ransel of knapzak.

En wat het sterktecijfer en wat het gehalte aangaat, is er vooruitgang hij de tegenwoordige wijze van werving van vrijwilligers. Ook ten opzichte , van de vorming van het kader zijn 'er1, als gevolg van de nieuwe regeling, teekenen, die voor de toekomst goeds beloven.

Betreffende de landweer verdedigt de Minister breedvoerig zijn voorstellen.

Hij zal al het mogeljjke doen om tot verbetering der éncaidreering te komen. Bevelen zijn door den Minister gegeven, die tot een voldoende aanvoering van de grensen kustraacht en een meer gelijkmatige veidceling van bet dan noig beschikbare personeel over de aldeelingen leiden. Dientengevolge wonen thans Verscheidene officieren der landweer niet in. het district, waarbij zij zijn ingedoold.

De Minister z-et o. a, uiteen, dat, al zou op «enigerlei wijze op bevredigende manier ter voorziening in de handlangersdiensten eien uitweg worden gevonden, zonder daarvoor een zeker getal miliciens bij het blijvend gedeelte te moeten indeeilen, toch een daapmede gepaard gaande vermindering v;an bet blijvend gedeelte beslist verwerpelijk is te jachten, omdat een macht van pi. m. 4000 geoefende infanteristen ook voor andere doeleinden en onverwachte behoeften, als een uiterst minimum moet worden beschouwd.

Die Minister ontkent, dat de schietwaarde der landwoergeweron onvoldoende waisi, al waren er o. a. veel reparatiekosten. Teneinde te bereiken, dat meerdere zorg aan het onderhoud der medegegeven wapenen wordt besteed, zullen de koisten van herstelling der wapenen, indien daartoe aanleiding bestaat, op den landwieerplichtige worden verhaald, terwijl anders den landweerplichtiige arrest kan worden opgelegd, wanneer de wapenen zijn verwaarloosd.

Betrekfcelijk bet drankgebruik in bet leger acht de Minister vergelijkende schietproeven in juistheids- en snelvuur, enz. bij vuren, met en zonder gebruik van alcoholhoudende dranken, minder noodig.

Het ontwierp nieuw© Militiewet beoogt een geheel nieuwe regeling van de conti ngentsaanvulling.

De Minister is in overleg! getreden met zijn ambtgenoot van Binneinlandsch-e Zaken, om verandering te brengen in den toestand, dat jongelieden, die nog militairen dienst te vervullen hebben, van gemeentedienst worden uitgesloten.

Éi’'is op! gerekend, dat voor ’t jaarl9ll gemiddeld ongeveer 20,000 man gedurende 14 dagen meter voor herhalingsoefeningen ónder de wapenen zullen komen dan in 1910.

Voor het dienstjaar 1911 wordt gerekend op de aanstelling van pi. mi.; 110' vaandrigs en kornetten.

Reeds gteruimten tijd maakt het bij! den Min. een punt van overweging uit, om een wijze te vinden, teneinde de middelen, waarover de Nederlandse!!© Automobielclub en de Nederl. Motorwielrijdersvereeniging beschikken, aan het leger te verbinden. Stappen zijn gedaan om te komen tot de samenstelling van een com-

■missie, bestaande uit officièxten en. burgers, ter bestudeering van dit vraagstuk en ter indiening! va,n voorstellen.

Naar aanleiding van depadvindersplannen.

Een krachtig nationaal karakter, oen zoo groot mogeiijk aantal gezonde mannen en vrouwen, gezond naar lichaam en geest, vormen twee voorname elementen, welke een volk tot Voorspoed en bloei brengen op elk gebied.

Wanneer het nationaal gevoel verslapt, de volksgezondheid in de meest uitgebreide beteekenis van het woord, niet gunstig te noemen iiS, staat een volk – – niettegenstaande voorspoed op ander gebied om het zoo eens uit te drukken, niet meer op, soliden grondslag.

Hier kan uitmunten op het eene gebied, geen tekort dekken op een ander. Eenzijdigheid blijft er bet gevaar. En daartegen kan niet genoeg gewaarschuwd worden, omdat O 00 zij min of meer een gevolg ie van onzen schijnbaar veelzijdigen ontwikkelings-, beter gezegd, beschavingsgang zelve. De steeds verder doorgevoerde splitsing Van den arbeid, de zeer ongelijkmatige, vaak eenzijdige belasting van onze organen, die er het gevolg van is, zijn een voortdurende bedreiging van de harmonie onzer ontwikkeling, van ons lichaam, onzen geest, ons gemoed. Van hoeveien worden de hersenen, beter een deel daarvan, van jongs af methodisch, onafgebroken geprikkeld, overbelast mét dc meest uiteenloop,ende, vaak diepzinnige voorstellingen, terwijl daar naast de meerderheid van ons organisme, zoolang het geen sterke afwijking of bepaalde ziekte vertoont, aan zichzelf blijft overgeiaten. Opvoeding en beschaving, onze beste vrienden, kunnen, door het zicli niet in acht nemen voor het voorgaande, gevaarlijke volksvijanden worden.

Zoo de samenleving reeds bij; de opvoeding overdadige aanbidding van het intellect vraagt, in die mate, dat zorg voor liet physiek in evenredige mate op den achtergrond geraakt, wordt hier ook het moreel doel der opvoeding voorbijgestreefd. Want meer en meer blijkt, dat zonder een hoogstaand moreel, zonder beschaafde wilskracht, flinkheid, ondernemingsgeest, dtirf, doorzettingskracht en dergelijke eigenschappen, op den duur evenmin sprake kan zijn van nuttig gebruik van het intellect, als van de vorming daarvan. Verslapping van het physiek heeft onafwendbaar op den düür verslapping van karakter en intellect tot. gevolg. De natuur wil geen eenzijdigheid, waar het geest, hart eu lichaam betreft, en deze wet heeft het zoo hoog- verheven intellect in de eerste plaats te eerbiedigen.