is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederlandsch tijdschrift voor verloskunde en gynaecologie, jrg 15, 1904, 1904

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

massa zich vertoont op plaatsen, waar zelfs door de tegenstanders der mesonephrische afkomst van de adenomyomen een ontstaan uit de Müller’sche niet aan te nemen is (lig. rotundum, hilus ovarii en ovarium). Ten slotte moet nog de aandacht gevestigd worden op het feit, dat hier iu linker ovarium duidelijk blijkt, hoe cysten van ovarium (misschien ook ovariaalcysten) kunnen ontstaan uit adenomyoomweefsel. Deze mogelijkheid was reeds door Pfannenstiel geopperd, maar er waren o. i. geen feiten bekend. Hier ziet men duidelijk enkele klierlumina zich openen inde grootste der cysteuse holten, terwijl iu lumina van klieren zoowel als van cysteholten dezelfde inhoud zich bevindt, nl. bloed en derivaten met celdetritus van klierepitheliën. Demonstratie van microscopische praeparaten verduidelijkt de boven medegedeelde histologische bijzonderheden. Prof. Kouwet stelt de vraag, of ook de cervix mikroskopisch is onderzocht, en of daar de Gartner’sche gangen zijn gevonden. De heer Semmelink antwoordt, dat deze niet zijn gevonden. Ook Dr. de Josselin de Jong, die het gezwel met Dr. Semmelink mikroskopisch onderzocht, vond ze niet. De heer Stratz vraagt, op welke gronden de heer Semmelink aanneemt, dat dein den hilus ovarii gevonden klieren met den tumor in verbinding staan. Men vindt normaliter inden hilus ovarii klierbuizen, de bekende Markstrange. De heer Semmelink antwoordt dat aan zijn praeparaat te zien is, dat het tumorweefsel van den achterkant van den uterus inden hilus ovarii dringt. De heer Nijhoff demonstreert twee stellen van stereoskopische afbeeldingen van de zwangere uteri, die hij inde November-vergadering te Groningen heeft laten zien. Beide uteri zijn een langen tijd (meer dan anderhalf jaar) met de vagina ongeopend ineen 5°/0 formoloplossing bewaard en daarna sagittaal doorgesneden. Beide zijn uteri met een nagenoeg voldragen vrucht, en zóo doorgesneden, dat de vrucht intact bleef. Iu het eene geval was de uterus afkomstig van eene vrouw, die wegens een angina Ludovici inde chirurgische kliniek was opgenomen en plotseling stierf. In het andere was de patiënte lijdende aan pernicieuse anaemie en stierf zij plotseling in de vejloskundige kliniek zeer korten tijd na haar opname. In het eerste geval lag de vrucht in afgeweken hoofdligging, in het tweede geval in normale eerste schedelligging. De afbeeldingen geven te zien: I°. De helft van den uterus, waarin zich het kind bevindt, van de binnenzijde.

227