is toegevoegd aan je favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1947, no 9, 12-04-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blik was vast toen hij die van den detective ontmoette en zijn stem klonk kalm, toen hij zei: „Heeft Rose dien ring gekocht? Weet u dat zeker?" Morse knikte en bleef den ander oplettend aankijken. „De juwelier heeft gezworen, dat hij den ring aan haar haeft verkocht. Dat is van belang, want omdat het iets bijzonders is, lijkt het onwaarschijnlijk dat er 'n tweede exemplaar van zou bestaan."

Lynch trachtte tijd te winnen door den ring nog eens zorgvuldig te bekijken. „Vreemd, dat ik dien ring nog nooit heb gezien," meende hij. „Ik kan me ook niet voorstellen waarom Rose die zou hebben gekocht. Het lijkt me toch heelemaal geen ding om bijvoorbeeld aan een kamenier te geven als souvenir."

„Neen, want het is een ring voor een man."

„Inderdaad. Mijn smaak zou het niet zijn. Meer geschikt voor een man op leeftijd. Wie weet heeft Rose hem wel gekocht om aan haar vader te geven. Dat lijkt me wel waarschijnlijk. Die in elkaar gestrengelde handen kunnen wel bedoeld zijn als een symbool van de genegenheid die tusschen hen bestond." Morse boog zich naar voren en nam den ring van hem aan.

„Denkt u dat de ring dus eigendom is geweest van meneer Varley?" vroeg hij op lijzigen toon. „Hoe zoudt u dan verklaren dat de ring in het water van Black Mere terecht gekomen is?" „Dat is voor mij een raadsel," antwoordde Lyncl» ronduit. „Voor zoover ik weet, is de heer Varley nooit in de nabijheid van het meer geweest. Maar de ring kan natuurlijk gestolen zijn. Er waren juist in dien tijd zigeuners in de buurt, en bovendien op het verlovingsfeest 'n groot aantal vreemden — chauffeurs, diensters, enzoovoort." „Ja, ja," gaf Morse nadenkend toe. „Mary Shand was ook een extra helpster dien avond. U bracht haar immers thuis, dokter?"

„Jawel, zij werd plotseling niet goed, en ik was de eenige dokter in huis." Hij vond dat het onderhoud nu lang genoeg had geduurd, stond op om heen te gaan, en richtte zich toen weer tot den inspecteur. Die kerel uit Londen, met z'n vervelende vragen, kon wat hem betrof, naar den bliksem loopen! Wat had die vent hem toch zoo vrijpostig van onder z'n half gesloten oogleden aan te gluren? Men kon maar nooit weten wat er omging in die dikke kop en achter dat masker-achtig gezicht, dat hem heelemaal niet aanstond. „Dus, inspecteur, u zult wel bevestigen wat ik gezegd heb, nietwaar? John Shand is niet geschikt om op vrije voeten te zijn."

„Dat is hij zeker niet dokter, tenzij hij aanzienlijk is opgeknapt."

Lynch verliet het politie-bureau, en het gaf hem een gevoel van opluchting, weer in de open lucht te zijn. Die Morse werkte hem op z'n zenuwen. Wat 'n eigenwijs idee van dien kerel om hem plotseling dien ring onder den neus te duwen en hem te zeggen dat Rose dien had gekocht — een mededeeling die hem had getroffen als een messteek.

Waarom moest nu juist weer die gedachte bij hem opkomen — dat zeiden de menschen immers — dat er bij haast elke misdaad een fout werd gemaakt, 'n kleinigheid oogenschijnlijk, die den misdadiger noodlottig werd? Zou het in dit geval die vervloekte ring kunnen zijn — de kleinigheid, die hü over het hoofd had gezien, en die hem ten slotte zou verraden? Het klamme zweet brak hem uit bij die gedachte....

Gedurende de weken die volgden, zag Lynch den detective van Scotland Yard zoo vaak in Denwood, dat hij eraan gewend raakte, en zijn onrust langzamerhand verdween. Wat kon die vent hem ook eigenlijk doen? Hij slenterde maar door de straten met z'n handen in de zakken, altijd 'n sigaret tusschen de lippen, en hij scheen verder geen steek uit te voeren.

Kijken en kletsen, dat was alles wat hij deed, de menschen probeeren uit te hooren, en sigaretjes rooken. Eén keer had Lynch zich wel aan hem geërgerd, toen had hij namelijk bijna 'n heele middag tegenover de spreekkamer van den dokter naar den overkant staan loeren, en alleen het feit dat hij daar stond, maakte Lynch rusteloos en prikkelbaar. Telkens als hij uit het venster keek zag hij dien Morse daar staan, het type van 'n echten luiwammes. Lynch deed dien middag erg kortaf tegen zijn patiënten, en hij zei tegen Betty dingen die haar de tranen in de oogen deden komen.

Den volgenden dag ontving hij een brief die hem weer een aanval van felle woede bezorgde. Het was een formeele mededeeling van de Psychiatrische Inrichting, onderteekend door dokter Graham, dat binnenkort de

patiënt John Shand als volkomen hersteld uit de inrichting zou worden ontslagen en naar huis zou gaan.

Lynch kookte van woede. Dat had die Graham natuurlijk bekokstoofd om hem dwars te zitten, want hij mócht hem niet, dat had hij hesl goed gemerkt. En met Shand zou het spel natuurlijk opnieuw beginnen!

„Ik wil het niet, ik wil het niet!" mompelde Lynch, op en neer loopend in zijn spreekkamer als een tijger in zijn kooi.

Zoodra hij vrij was reed hij in een razend tempo naar de inrichting en stoof onaangediend bij dokter Graham binnen. De directeur keek op van zijn werk en mat zijn bezoeker met koelen blik.

„Wat moet die onzin met Shand beteekenen, Graham?" vroeg Lynch op ruwen toon.

Graham legde heel kalm zijn pen neer. „Dat is geen onzin, collega," antwoordde hij effen. „Ik heb u al eerder gezegd dat wij iemand die bij z'n volle verstand is, niet hier mogen houden. Shand is even toerekenbaar als u en ik."

Lynch begreep dat hij met opwinding en scherpe woorden niets zou bereiken en moest inbinden. Nog maar eens met redeneeren probeeren, dat was het eenige wat er op zat.

„Maar u kunt dat toch niet doen, Graham. Ten slotte zijn wij, March en ik, die Shand ontoerekenbaar hebben verklaard, toch niet zoo dwaas om een dergelijke verklaring af te leggen als wij er niet volkomen van overtuigd zijn dat hij gek is, en gevaarlijk ook. Hij kan maanden achtereen kalm en normaal blijven, maar er komt onvermijdelijk weer een nieuwe uitbarsting. Shand moet onder voortdurend toezicht blijven. U bent toch nog een jonge man, Graham en kunt toch nog niet zooveel ervaring hebben. Wees daarom verstandig, en houd rekening met het oordeel van oudere menschen."

Hij leunde op het bureau van den directeur, zijn stem klonk nu vriendelijk en hij glimlachte collegiaal en welwillend. Maar Graham scheen daarvoor, althans nu, niet toegankelijk te zijn. Zelfs werd zijn blik hard en zijn stem klonk scherp, toen hij antwoordde: „Volkomen juist opgemerkt, collega. Ik ben dan ook zoo verstandig geweest, om mij niet te verlaten op mijn eigen oordeel en mijn nog beperkte ondervinding. Weliswaar was ik al vrij spoedig overtuigd, dat Shand niet gek was. maar ik wilde mijn meening bevestigd zien door een erkende autoriteit. Daarom is John Shand ook onder observatie van sir Bruce Mortimer geweest, den beroemden specialist, die het volkomen met mij eens was, dat Shand hier niet mag blijven!"

„Sir Bruce Mortimer!" herhaalde Lynch ontsteld. „Wie heeft het in z'n hoofd gehaald om hem bij Shand te laten komen?"

„Dat is gebeurd door toedoen van detective Morse van Scotland Yard, die belast is met het onderzoek in verband met den moord op Mary Shand. Hij is verscheidene malen hier geweest, heeft meermalen lange gesprekken gevoerd met John Shand, en naar aanleiding daarvan heeft hij van zijn superieuren gedaan weten te krijgen, dat deze sir Mortimer verzochten, hier te komen."

Lynch stak een sigaret op en deed dat zoo langzaam mogelijk, om zich een beetje te kunnen herstellen. Het zou natuurlijk bespottelijk zijn, als hij zijn meening volhield tegenover een erkende autoriteit als sir Bruce Mortimer. Diens oordeel zou ongetwijfeld tot gevolg hebben, dat John Shand uit de inrichting werd ontslagen. Maar wat kon die Morse toch voor reden hebben gehad, om niemand minder dan sir Mortimer hier te halen teneinde te bereiken, dat Shand op vrije Voeten zou komen?

„Accoord," zei hij tenslotte op scherpen toon. „Als Mortimer zegt dat het met Shand in orde is, past het 'n eenvoudige plattelandsdokter, te zwijgen. Maar ook specialisten kunnen zich vergissen, en als er weer een drama gebeurt tengevolge van Shand's vrijlating, dan zult u zich moeten herinneren dat ik er tegen ben geweest, Graham." Na een korten groet verliet hij den directeur, en terwijl hij terug reed naar Denwood was hij zoo woedend en verstrooid, dat hij moeite had, zijn aandacht bij de weg te houden en geen ongelukken te maken. De gedachte aan dien Morse kon hij maar niet kwijtraken. Wat wou die kerel toch, met zijn urenlang gepraat met Shand en zijn pogingen om hem vrij te krijgen? En zijn onhebbelijke manier van doen om hem dien ring onder den neus te houden en hem lastig te vallen met z'n onbeschaamde en scherpe vragen!

(Wordt vervolgd)

HOHIG'S ARTIKELEN