is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 6, 1932-1933, no 4, 1932

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om winst of verlies. Ze minde en ze minde ieder. Avondlijke stilten stroomden vol van haar stem. Ze was er trotsch op harder te kunnen zingen dan de jongens. Ze stoeiden en zoenden.

Zoo speelt een jonge hond met een oude schoen. Armzalig overblijfsel uit een tijd van wouden en stormen en bloed. Maar dat weet hij niet. Zij wist het ook niet. Thuis schold haar moeder.

Dan was ze vermoeid en huilde ze zonder stem en zonder tranen om iets anders.

Maar wat? !

Op straat zeien de jongens: „Ze stinkt naar haring!” ’t Was waar. Dat wist ze ook niet.

Een avond Schemerende wegen. Maanlicht op ’t water. Een zwoele wind, overal en streelend. De donkere akkers verrieden het geheim, van groeiend leven. Na zachte regen bedwelmende geuren. In de lucht riep een enkele vogel. In de weiden loeide het eerste vee.

Ze liepen hier samen. Ze liepen stil. Vreemd was dat. Hij droeg een hoed en zei ~Juffrouw”. Naderhand: ~Mag ik je bij je voornaam noemen?” ~Natuurlijk jó!” Och dat was ook natuurlijk. Hij praatte over de maan hè, de maan ja hij praatte over handel, over haring. Dat was geen werk voor een meisje als zij. Misschien. . . . later. . . . Hij keek haar aan .... Ze was verbaasd.

~Wat! ’n Beste handel! Ben je gek jó!” Maar ze voelde haar eigen woorden ruw. Ze wist ’t niet meer. Nu zou ze maar meeloopen en luisteren. Bij iedere stap werd ze meer verward in dit wonder. Deze zachte stem raakte iets aan dat ze zelf niet wist te bezitten. In haar beenen kwam een vreemde loomheid en als een kind drong ze tegen hem aan. Hij praatte veel en mooi. Een vouw in z’n broek, dat zag ze. Even een groote vroolijkheid: Potdorie wat had ze nou aan d’r arm. Even maar. Dan maar wegvaren. Alles wat ze aan teerheid bezat bloeide deze avond op, begon te glansen in haar oogen. Toen stond ze aan hem opgericht en kuste hem. ~Daar, jij ben een schat.” Hard en onvoorzichtig, zooals ze ’t gewend was. Maar trillend van liefde en eerbied.

Later in ’t gras lag ze in z’n armen. Haar oogen groot, te groot. Haar mond open en was ze bang voor het branden van haar eigen bloed.

~Geef me wat”, vraagt hij. Ze kust hem.

~Geef me meer?” Ze kust hem, wild en lang.

Ze zegt niets. ~Geef me nog meer?”

~.Ach jongen. . . . hier ben ik. . . . wat dan. ... k weet niet meer. . . . Hij wist het wel.

Terug rookte hij. In de stad liet hij haar gaan. ~Voor thuis, weet je.”

Nee, ze wist ’t niet, maar ze vond ’t goed. Zij zou t wel vinden.

Verder weg riep ze hard: „daaag.” Dat was weer gek. Hij antwoordde niet.

Thuis wachtte d’r moeder.

„En nou morgen uit met de panharing! Heb t hart in je verd .. . .

„Ja moeder.” Ze glimlachte.

De andere dag. Ze laadde de bak. Haar schoenen waren jongensschoenen.