is toegevoegd aan je favorieten.

Die constghesellen; maandblad voor de beeldende kunst-orgaan van de Nederlandsche Vereeniging van Kunsthandelaren, jrg 1, 1946, no 1, 15-07-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

‘Boeken over | J | A I

JONGKIND. BRUEGHEL, DE HOOGH. OUDOT. OPSTELLEN VAN DELEN. HET ANIMISME

Groot is de oogst aan boeken, op het gebied van de beeldende kunst nog niet, maar er is toch wel weer een en ander verschenen. Zoo is de Paletserie (Becht, Amsterdam) weer uitgebreid met drie deeltjes, die volkomen op het peil staan van de vroegere; die constateering vatte men als lof op. Mr M. F. Hennus schreef over Jolian Bartold Jongkind. Het is nu eenmaal geen gemakkelijke taak een meester, over wien al zooveel is gepubliceerd, nog weer eens te belichten, doch de schrijver is er voortreffelijk in geslaagd een beeld van des schilders persoonlijkheid te geven. Aan Jongkind, zooals hij als mensch is geweest, wordt daarbij een groote plaats ingeruimd, doch ook den kunstenaar wordt alle recht wedervaren. Een aantal uitstekende afbeeldingen en een vrij volledige litteratuuropgave. Dr. J. B. Knipping schreef over Picter Bruegliel den oude, wiens werk „twee tijdperken verbindt: dat der vroege Nederlanders, die uit de miniatuurkunst waren voorlgekomen, en den bloeitijd van onze vaderlandsche monumentale schilderkunst, welke hij met zijn werk heeft „ingezet”. Op de hoogtepunten van zijn kunnen kwam hij tot de eenheid en concreetheid: want met buitengewoon tastbare, gedifferentieerde middelen heeft hij een universeele gedachte leeren uitdrukken”. Zeer conscentieus is pater Knipping BrueghePs oeuvre nagegaan; jammer is het dat hij vele schilderijen vermoedelijk niet uit eigen aanschouwing kent (zoo houdt hij in de „Triomf van den dood” de doodkisten voor schilden) doch zijn uitgebreide kennis van de litteratuur en zijn vermogen de composities te doorgronden vergoeden veel. Werkelijk heeleinaal kennen en begrijpen doet prof. Van Thienen het werk van Pieter de Hoogh en met rustige bewondering en waardeering schrijft hij over den Delftschen meester, wiens werk toch eigenlijk dikwijls inniger is geweest dan men vroeger wel eens veronderstelde. Natuurlijk heeft prof. Van Thienen het ook nogal eens over de kleeding, aan de hand van welke hij de schilderijen hun plaats geeft in het oeuvre van den mTcster. Er is een behoefte aan zulke degelijke kleine monographiecn.

Bij L. J. üitg. Mij. verscheen een bundel opstellen van A. J. J. Delen, den conservator van het Antwerpsche prentenkabinet, verzameld onder den titel „Oude Kunst en Graphielz'. Ze behandelen Rubens als mensch, Daniël Seghers, Antwerpsche grafiek, de Belgische grafiek sinds 1830 en de Zuid-Nederlandsche drukkunst in de XVlde eeuw. Ora eerlijk te zijn: hier en daar zijn ze

nogal dor geschreven, meer opsomming dan beschouwing, maar wie zich de moeite geeft, daarover heen te lezen, wordt ruimschoots beloond. Stuk voor stuk zijn het degelijke en boeiende studies, die animeeren tot verder zoeken en die een schat van wetenswaardige gegevens bevatten. Het boek is verlucht met bijna 70 goede reproducties; vooral die van de oude boekillustraties zijn heel mooi.

Uit het buitenland komt helaas nog niet veel binnen. Twee boekjes hebben we echter ontvangen. Het eerste is een deeltje van de serie „Les maitres de demaiti’*, die onder redactie van Francis Carco staat. Pierre Guéguen geeft er een rake karakteristiek van het werk van Roland Oudot. Waarom bestaan er toch in ons land ook niet van die uitgaven: voor enkele francs kan men in Frankrijk zoo’ii geschriftje koopen: 30 tekst op roman-, 30 reproducties op kunstdruk, een portret van den schilder op het omslag, een tekst, die alle groote woorden vermijdt. Met zooiets doet men de kunst een zeer grooten dienst. Geen figuren genoeg in ons land? Hier volgen 12 namen: Chabot, Buning, Van Heel, Van de Bundt, Braat, Verspyck, Roelofsz, Dijkstra, Van Tiel, Everse, Dick Elffers, Henrik Brouwer. En dat zijn er dan nog maar een dozijn waarvan het werk ook tot de „massa” spreekt. ledereen zal gretig aannemen, nog 4 dozijn zulke figuren te noemen. Welke uitgever durft het, al of niet met subsidie van 0., K. & W., aan?

Tot slot een boek, dat al weer een jaar geleden is iiitgekomen doch dat ons nu eerst heeft bereikt: „Retour a riiumain I’Animisme”, door Paul Haesaerts (Editions Apollo, Bruxelles-Paris). Met „animisme” wordt die richting in de Belgische schilderkunst bedoeld, welke in het expressionisme haar oorsprong vindt, doch die als onderwerp de gewone dingen van het leven van allen dag, de kamer, het huis, het werk in de keuken enz. heeft. Haesaerts behandelt in animeerende korte beschouwingen het werk van de belangrijkste kunstenaars van deze groep: Louis van Lint, Mayou, Iserentant, Wolvens, Maes, Stobbaerts Grard, Vinck, Van Dyck, Leplae, Dasnoy en Van Overstraeten. Vooral het werk van de beeldhouwers onder hen is, te oordeelen naar de goede reproducties, uitermate boeiend. Men denkt: waarom niet eens een tentoonstelling van de Animisten? Er rijden zooveel vrachtauto’s voor minder nuttige doeleinden tusschen Zuid en Noord.

Gs.