is toegevoegd aan je favorieten.

Die constghesellen; maandblad voor de beeldende kunst-orgaan van de Nederlandsche Vereeniging van Kunsthandelaren, jrg 2, 1947, no 4, 15-04-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Cen zelfportret ?

Oe renibrandtieke kop van Carel Fahrilius in Museum Boyuiaiis naJer oiitler de loupe («enonien.

In het verleden en niet eens zoo n grijs verleden heeft meer dan één knnsthistoricus vermeld, dat de schilder Carel Fahritins in het jaar 1614 in den midden-Beemster werd geboren. Wij weten thans, dat deze aanduiding onjuist is. Want in het doopboek van de Beemster, dat zich bevindt in het Rijksarchief te Haarlem, staat het zwart op wit: „Anno 1622 den 27 Fehrnary Pieter Carelses zoon Carel, Peet Jan Carelsz.” Dat het hier den doop van Carel Fahritins betreft valt niet in twijfel te trekken. Wij behoeven slechts iets meer van de familie Fahritins te weten om hiervan overtuigd te zijn.

Het geslacht Fahritius stamt uit Vlaanderen. De grootvader van den schilder was Carel Pietersz. uit Gent, die, na de inneming van deze stad door de Spanjaarden in 1584, naar Noord-Nederland uitweek en zich als predikant in Noord-Holland vestigde. Zijn zoon Pieter Carelsz. kon, omdat de financiën daartoe niet toereikend waren, niet voor predikant leeren en werd schoolmeester in de in 1612 ingedijkte Beemster. Behalve onderwijzer was hij koster-voorzanger der Gereformeerde Kerk, terwijl hij in zijn vrijen tijd de schilderskunst heoefende. In 1621 huwde hij te Purmerend de omstreeks 20-jarige Barbertje Barentsdr. van der Maas en dit huwelijk werd gezegend met 11 kinderen, waarvan Carel de oudste was. De naam Fahritins vinden we voor het eerst vermeld in de aantekening van Carels huwelijk met Aaltge Vélthuysen op 1 September 1641. Vermoedelijk is de naam afgeleid van het latijnsche woord faher (handwerksman) l).

Hoe kwam men nn aanvankelijk, blijkbaar voordat kennis was genomen van de gehoorte-acte. aan het geboortejaar 1614? Het is voor de hand liggend, dat het mansportret in het museum Boymans te Rotterdam de aanleiding is. Het is duidelijk gesigneerd C. Fahritius met als toevoeging Oct. 31 en een jaartal, dat zeer onduidelijk is, maar geïdentificeerd werd als ik me niet vergis door Schmidt Degener als 1645. Algemeen wordt het beschouwd als een zelfportret en dan zou dus, indien het inderdaad in 1645 werd geschilderd, de schilder in het jaar 1614 geboren moeten zijn.

En hiermede hebben we den kern geraakt voor het min of meer mysterieuze waas, dat er rondom dit product hangt. Vooral omdat we, met het oog op den Remhrandtieken stijl van dit schilderij, de vervaardiging ervan graag in het jaar 1645 zouden willen stellen, zon het zoo gemakkelijk zijn ons eraf te maken met de voor de hand liggende opmerking, dat hier geen sprake is van een zelfportret, maar van de beeltenis van een van Carels vrienden. Het act. 31 behoeft immers in het geheel niet te slaan op den schilder, maar kan evengoed den leeftijd van de in beeld gebrachte

persoon aandiiideii. In dit verl»and behoef ik slechts te wijzen op het bekende jongensportret van Jan van Scorel, waarop vermeld staat act. 12, hetgeen hier duidelijk op den knaap betrekking heeft.

Er bestaat voor mij gegronde reden om de veronderstelling als zon de afgeheelde persoon niet Carel Fahritins zelf zijn te verwerpen. Klaarblijkelijk is de geportretteerde een kunstenaar; daarop wijst onmiskenbaar zijn uiterlijk. Een magistraal of rijke koopman, die zich liet „conterfeiten”, zou zich ongetwijfeld voor zoon gelegenheid in het pontificaal hebben gekleed. Wanneer we echter zorgvuldig Carels vriendenkring, o.a. zijn mede-leerlingen hij Rembrandt, nagaan, is er geen enkele, die in aanmerking komt om op 31-jarige leeftijd door hem in 1645 te zijn geschilderd. Ferdinand 80l was in dat jaar 29, Gerhrandt van den Eeckhout 24 en Samuël van Hoogstraten slechts 18 jaar oud. En zoo kunnen we doorgaan, zonder in dit o)>zicht iets wijzer te worden.

Wij zullen daarom een oogenhlik het verraderlijke jaartal 1643 loslaten en nagaan wat pleiten kan voor de veronderstelling, dat hier wél sprake is van een zelfportret. In de eerste plaats is daar dan de algemeene indrnk. Zóó heerlijk nonchalant met het witte hemd open, zoodat de donker behaarde horst ver zichtbaar is, zal slechts een kunstenaar zichzelf of een van zijn kunstbroeders kunnen portretteereii.

En nn gaan we bet gelaat eens wat aandaebtiger bescbouwen; dat ernstig-mannelijke gelaat met de sprekende donkere bogen en de gevoelige wat gevulde lippen. Het is bet gelaat van een man, die, schoon nog jong, reeds met den diepen ernst van bet leven beeft kennis gemaakt. Een man, die veel smart beeft gekend. En zon er dan geen reden te over zijn om dit gelaat aan Carel Fabritiiistoe te kennen, die in 1642, dus op twintigjarigen leeftijd, zijn vrouw en een kind, en een jaar later zijn tweede kind verloor....?^)

Dan is er ndg een sterk argument, dat pleit voor de veronderstelling, dat we hier wel degelijk met een zelfportret hebben te doen. Van Carels broer Barent is er een schilderij bekend, voorstellende Petrns in bet bnis van Cornelius. In dit werk, dat vermoedelijk is ontstaan in 16.03, na den dood van vader Fabritius, beeft Barent klaarblijkelijk de familie, die den zegen van den overleden vader ontvangt, bedoelen uit te beelden. En wanneer we dan dit schilderij nauwkeurig bescbouwen, treft bet ons, dat de eenzame fignnr op bet linkerplan, de armen gekruist en bet gelaat door smart geteekend, een opvallende gelijkenis vertoont met de persoon van bet mansportret in Boymans. Deze omstandigheid wettigt dus bet vermoeden, dat zoowel de man op bet linkerplan van