is toegevoegd aan uw favorieten.

Aanleg en beroep; maandblad voor beroepskeuze, jrg 3, 1927, 01-06-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het kost St. Thomas geen moeite om aan te toonen, dat kloosterlingen in den staat van volmaaktheid zijn. Door gelofte verplichten ze zich om zich van wereldsche zaken, waarvan zij een geoorloofd gebruik konden maken te onthouden : en zij doen dat om zich vrijer met God te kunnen bezighouden, waarin de volmaaktheid van dit leven bestaat. Er is dus een verbintenis tegenover de volmaaktheid : verbintenis om bei paalde middelen daartoe aan te wenden. 1 Maar ten tweede die verbintenis wordt aangegaan met de plechtigheid van professie en zegening. (II II q. 183 a. 3 en a. 5). Terwijl de kloosterling zich plechtig en voor eeuwig verplicht tot onthouding van 3 sommige zaken, die wel niet met de liefde | Gods in strijd, maar toch voor de liefde hinderlijk zijn en haar werken bemoeilijken ! (IIII q. 184 a. 3) ; verplicht de bisschop zich, plechtig en voor eeuwig tegenover de vol( maaktheid, doordat hij bij zijn consecratie i; de herderlijke bediening op zich neemt, j| waarvan hem alleen de H. Stoel, die macht >: heeft om inzake eeuwige geloften te dispen:: seeren, kan ontheffen. Die herderlijke bediening eischt van hem volmaakte werken. ! De herder toch moet zijn leven geven voor : zijn schapen. (Joan. X 15). Zijn toewijding t en zelfopoffering in den dienst van den naaste moet voortkomen uit overvloed van Gods liefde : Christus vroeg eerst aan Petrus of hij Hem liefhad en daarna belastte Hij hem met j het weiden zijner kudde. De leering, die hij i, aan de geloovigen moet geven, dient vrucht < te zijn van zijn gebed en contemplatie. Al zijn goederen moet hij veil hebben voor de eer van God en het welzijn der hem toevertrouwde kudde. Is dus de kloosterling verplicht tot middelen ter zelfvolmaking, de bisschop is tot werken gehouden, die de volmaaktheid vooronderstellen en vorderen, en heeft tot plicht anderen te volmaken. Zijn staat is dus zelfs hooger dan die der

religieuzen : zij zijn leerlingen in het vak, waarin hij meester moet wezen. (II II q. 184 a. 5—a. 7).

Beiden, de bisschop en de kloosterling zijn knechten en slaven, wijl meer gebonden dan de anderen of door den dienst van den naaste of door uiterlijke observanties van geloften en regels. Zoo denken de Pausen, die sinds eeuwen zich dienaar van Gods dienaren noemen. Zoo wilde het Christus toen Hij de leerlingen tot zich riep en zeide : „Gij weet, dat de vorsten der volkeren deze beheerschen en de grooten macht over hen uitoefenen. Zóó zal het niet wezen onder u : maar wie onder u groot wil worden, zij uw dienaar. En wie onder u de eerste wil zijn, zij een knecht, evenals de Menschenzoon is gekomen, niet om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven tot losprijs voor velen." (Matth. XX 24—28).

Artikel II.

In het 6e artikel van q. 184 stelt St. Thomas de vraag of alle kerkelijke oversten, zoo men wil zielzorgers, in den staat van volmaaktheid zijn. En zijn antwoord luidt beslist ontkennend: alleen de bisschoppen en niemand anders. Hardnekkig verdedigt hij die opvatting in zijn kleinere werken, verweerschriften tegen Willem de Saint-Amour en zijn aanhang, warme pleidooien voor de kloosterlingen en hun bestreden rechten. De groote leeraar tracht zijn stelling aldus te bewijzen. Als de zielzorgers beneden den bisschop zich in den staat van volmaaktheid bevonden, zou dat komen óf van hun wijding öf van hun herdersambt. Maar noch de wijding noch het herdersambt brengt de plechtige en eeuwige verbintenis mee, die tot den staat ver eischt wordt.

De wijding niet. De wijding immers geeft alleen macht tot sommige bedieningen. Dat in de Westersche Kerk de plechtige gelofte