Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ii&iöbÊaaïï-ï^anblpibmg ben ©csrJjp-' bcnis oan Ijst Galmt isme in X^ïuwlantt.

LX VI.

IV. Schijnbare Ondergang, (3) (1713 — 1819)

2. De geest van het Humanisme: de Revolutiegeest, (2)

a. Als staatsrechtelijk beginsel.

Deze algemeene beginselen, in het vorige Art. besproken, zouden het eerst 't meest volledig uitgewerkt en praktisch worden toegepast op het terrein van den Staat.

Waar de oppermacht van de rede wordt geleerd, volgt ook spoedig die van den wil; vrijheid van denken, ook van handelen.

En als de mensch uit zichzelven goed i?, vanwaar dan het kwaad ?

Uit de vormen.

Deze dienen dus gewijzigd.

Als de souvereiniteit Gods wordt geloochend, blijft er geen grond voor de gehoorzaamheid van den een aan den ander; allen zijn vrij en gelijk. Staat en maatschappij vallen uiteen in individuen, eenlingen. En die behoeven geen gezag van een gelijke te erkennen, want „de mensch is te groot om zich voor een medemensch te buigen."

Zoo wordt de historische staat ontbonden.

Maar er dient toch een Staat en gezag en recht te zijn!

Welnu, dan wordt een revolutionnaire Staat gevormd, geconstitueerd.

B93taat slechts onderlinge vrijheid en gelijkheid, zoo kunnen gezag en recht niet anders dan conventioneel, gevolg van afspraak zijn, en de Staat kan geen anderen oorsprong hebben dan een Contrat Social, een maatschappelijk verdrag.

Uit deze grondgedachten worden door Rousseau, den grootmeester van het revolutionnair staatsrecht, consequent de gevolgtrekkingen voox de inrichting van het staatkundig leven afgeleid.

De regeeringsvorm moet zijn: republikeinsch-democratisch. De volkswil is de wet; het volk is souverein; de enkeling bezit geen rechten ; hij kent slechts onderworpenheid.

De Overheid bekleedt slechts een tijdelijke ambtsbetrekking ondergeschikt aan het souvereine volk, en ze verdwijnt zoodra dit te voorschijn treedt.

Vrijheid bestaat slechts in onderwerping aan de wet, d. i. de wil der meerderheid. Have en kroost en leven zijn feitelijk staatseigendom ; deze beschikt er over naar dat voor 't algemeen welzijn noodig is.

Deze Staat kent geen godsdienst; hij wil iederen vorm van godsdienst dulden, mits deze zich aan zijn voorschriften van politiek en zedelijkheid onderwerpt; geschiedt dit niet dan wordt hij uitgebannen. De zoogenaamde Openbaring is, volgens Rousseau, „een ziekteverschijnsel op welks uitroeiing men moet bedacht zijn 1"

Aldus het revolutionnaire staatsrecht in Rousseau's Contrat Social.

Ook hiervan werden de consequentie's niet direct en niet door allen aanvaard.

Montesquieu, 'tzü „uit kortzichtigheid of omzichtigheid" blijft halverwege staan en fabriceert „naar eene veelszins antihistorische voorstelling der Engelsche constitutie" een moderne Staat, waarin wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht harmonisch en onafhankelijk van elkaar, zullen samenwerken.

En praktisch vonden velen dit gewenschter en veiliger dan de tot het uiterste gedreven'leer van Rousseau.

Maar hoe verschillend men ook schik¬

ken en plooien wilde, op den bodem der Volkssouvereini teit stondenallen.

Zie en vergelijk : Groen : Ongeloof en Revolutie, blz. 173—189; Groen : Gesch. d. Vaderlands, blz. 675—679, 498, 499; Kuyper : Het Calvinisme, blz. 79 — 84; Kuyper : „Ons Program", blz. 38—40; Van Rijsens : Geschied, van ons Vaderland', blz. 330; Algemeene Geschied., blz. 307 ; IJzerman : Staatsregeling, blz. 89 ; zie verder iedere Algemeene- of Vaderl. geschiedenis.

Vragen en opgaven.

1. Hadt ge deze eerste toepassing op het terrein van den Staat verwacht ? Waarom ?

Vergelijk Art. XXXVIII.

Welke aanleiding zou er nog voor z^jn geweest ?

2. Vergelijk met deze leer enkele gebeurtenissen in den Staat der 19e eeuw.

3. Vergelijk met deze leer de inrichting van onzen tegenwoordigen Staat.

Wijs de revolutionaire trekken aan.

4. Zet hiernaast de Calvinistische opvatting der souvereiniteit afgeleid van de souvereiniteit Gods.

Zie ook Art. IX met vr. 3.

5. Laat zien dat deze leer de vaderlandsliefde bluscht en de politieke en burgerlijke vrijheid opheft.

Zie ook in Groen: Ongeloof en Revolutie, blz. 218 — 229.

Stel er naast de opvatting der vryheid volgens het Calvinisme.

Zie er bij Art. XXIX met vr. 5.

6 Geef den hoofdinhoud van ..Derech ten van den mensch en burger", waarin de staatkundige wijsheid der Revolutie is saamgevat. (Vastgesteld door de Fransche Nationale vergadering in Augustus 1789.)

Doe uitkomen dat daarin met de ééne hand wordt genomen wat met de andere gegeven wordt.

Vergelijk daartoe met de uitgewerkte consequentie's.

Wat is nu uw oordeel over de leuze: „Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap?"

Vergelijk ook de p r a k t ij k der Fransche Revolutie.

7. Toon, in verband met dit alles aan, dat alleen het Evangelie den stroom der Revolutie keeren kan, ook op het terrein van den Staat.

Xtëibïïraaït hij ö» ïn^anittlmg bsit

0)aafscl|0pf,®ni&& Onbetmuntpjq.

Sociale Verzekering.

V.

Schets.

I. Verplichte verzekering slechts te aanvaarden als noodzakelijk kwaad.

II. Welke taak de overheid ten opzichte der verzekering heeft.

I. 't Vorig artikel heeft reeds doen zien aan welk stelsel naar onze gedachte de voorkeur in zake verzekering moet gegeven. Staatspensioneering kunnen we niet verdedigen. Tegen haar moeten we als antirevolutionairen strijden en blijven strijden. Te kiezen valt dan tusschen vrije verzekering en verplichte verzekering. Tusschen vrije verzekering in den meest volstrekten zin van het woord, of 't stelsel, zooals 't Belgische, der „gesubsidieerde vrijheid", of vrij in zoo verre, dat de wet alleen de verplichting tot verzekering op legt, maar verder alles aan het particulier initiatief over laat, en verzekeringsdwang. De keuze valt moeilijk.

Tot roem van onze natie, van ons Nederlandsche volk zou het ongetwijfeld strekken, indien de vrijwillige verzekering een hooge vlucht in ons land had geno¬

men. 't Zou getuigen van een nationale veerkracht, waarop .wij mochten bogen. Onze plaats, die wij eens in de rij der volkeren bezeten hebben zouden we in één enkel opzicht weer bezitten. Maar helaas! De keuze valt moeilijk, maar toch gemakkelijk. Want de historie spreekt tot ons en wij kunnen niets anders dan de verplichte verzekering dankbaar aanvaarden. Daarom nog niet elke verzekering, die verplicht is.

De historie in eigen land. De vorige bladzijden verhaalden reeds van een bitter fiasco, ;dat de vrijwillige verzekering ten onzent geslagen heeft. Patrimoniums nervisch pogen liep op niets uit. De heer van Vliet schreef dan ook : Met het oog op de voortdurende ellende, die zonder een dergelijke voorziening onoverkomelijk bleek, hebben wij gezegd : het eenige mogelijke is een verplichte ouderdoms en invaliditeitsverzekering.

Van den gang van zaken in België spraken we reeds.

Een harde slag voor 'thart, dat vrije verzekering mint.

Ook in Duitschland zijn stemmen ter verdediging der vrijwillige verzekering gehoord. Niemand minder dan de groote Lujo Brentano, een man, die als econoom zijn sporen heeft verdiend, heeft de arbeiders opgewekt om zich te organiseeren en niet minder loon te willen ontvangen dan veertien gulden. Immers dan zouden zij zich kunnen verzekeren. Maar 't ideaal, waarop hjj 't oog richtte, is geen werkelijkheil geworden.

Ook in Frankrijk ziet ge 't zelfde. In't midden der negentiende eeuw werd gepoogd „het particulier initiatief in zake de ouderdomsverzorging tot breeder ontplooiing te breDgen. Maar 't einde is geweest in 19 0 een wet, waarin verplichte verzekering 't stelsel is, dat gehuldigd wordt.

Verzekering is, als om strijd verzekeren u het mannen van onverdacht antirevolutionair beginsel, een zaak van het vrije maatschappelijke leven. Maar de verplichte verzekering aanvaarden zij.

De hoogleeraar Diepenhorst schrijft over deze materie : In de verdediging der verplichte verzekering krachtens ons beginsel moet inkomen het besef, dat ze is een noodzakelijk kwaad, de droefheid over zoodanigen staat van zaken en eveneens doorstralen heimwee naar andere vrijwillige organisatie uit het maatschappelijk leven opbloeiend.

Of zoo ge vraagt een uitspraak van den leider der anti-revolutionaire partij dan citeeren wij u: Primordiaal blijft alzoo de plicht tot organisatie voor deze voorziening op het lichaam der maatschappij, niet op de Overheid rusten. Schiet de Maatschappij tekort, dan bewijst de Overheid nooddienst. En hoeverre die dienst, zich zal uitstrekken wordt niet door magistrale willekeur, maar èn door dien noodstand zelf èti door het plichtsverzuim of de onmacht der Maatschappij bepaalde

Terecht is dan ook omtrent dr. Kuyper in betrekking tot de verplichte verzekering geschreven: wij weten hoe zeer ook hij aan ander ideaal zijn liefde had verpand.

II. Voeren wij noode het pleit voor d& verplichte verzekering, dan doemt voor ons op de vraag, welke taak de Overheid ten deze vervullen moet.

En dan gaat, als wij die vraag oplossenv om protest aller*" rst tegen de staatssocialistische gedacb , die zich in verplichte verzekering r jiseeren kan, zooals dat geschied is in het Duitsche stelsel. Aan een apothese, een verheerlijking van den staat mogen wij nimmer meedoen.

Wie zich daartoe leent, pleegt gruwe-

Sluiten