Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870.

Een en Twintigste Jaargang.

N". 1.

EENE NEDERLANDSCHE STEM

VOOR

'S >ni!2Nn

Ps. CXVI: 10.

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

Vrijdag, 7 Januarij.

De uitgave van dit Blad, onder Redactie van Dr. C. SCHWAETZ, geschiedt geregeld des Vrijdags van iedere week. Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DE HOOGE & C°.

Het geloof is uit liet gehoor.

Kom. X : 1.

De bevestigde troon.

AbonnemenT.sprijs per Kwanaai j i,ow, iraneo per post ƒ 1,65. — De Prijs der Advertentie is van 1 elke regel meer 15 Centen. - Groote letters worden naar de plaatsruimte berekend.

-5 regels/1,_

En het geschiedde, als de koning in zijn huis zat, en de Heere hem rust gegeven had van al zijne vijanden rondom, enz.

2 Sam. VII.

Wij staan aan het begin van een nieuw jaar, en wij weten niet wat het in zijnen schoot verbergt. Yan alle zijden wenscht men elkander een vrolijk, of veel een gelukkig ja,av, en volgaarne bid ik den lezers een gezegend, en daarom gelukkig jaar toe. Wij allen hebben behoefte aan 's Heeren zegen; wij weten

dat wij dien niet kunnen missen, en wij gelooven, en teregt, dat in 's Heeren zegen de waarborg ligt van ons heil. Moge 's Heeren gunst ons bestralen, Zijn licht over ons opgaan en Zijne genade ten einde toe ons behoeden en beveiligen.

Waarmede zal ik de lezers van de Heraut in het nieuwe jaar begroeten ? Welke getuigenis Gods zal ik in het eerste nommer onder hunne oogen, en mogt het zijn door 's Heeren Geest in hunne harten brengen? Ik heb gedurende verscheidene maanden het leven van David voor u trachten te ontvouwen , en ik wenschte den weg der Voorzienigheid ook in dezen te volgen. En ziet, juist het gedeelte van dat merkwaardig leven, waartoe wij van zelve als het ware zijn genaderd, bevat zooveel heerlijke Godsspraken, voor een nieuw jaar allezins geschikt, en leidt ons zoo diep in het hart van den zanger naar het hart van God, dat het voorzeker niet aan het Woord te wijten is, zoo wij niet met eene rijke verkwikking versterkt dat gedeelte van Gods heilig en heerlijk Woord biddend onderzoeken.

David had voor zich zeiven $en prachtig huis gebouwd, met behulp van de Phoenische ambachtslieden, en terwijl hij aldus in zijn paleis gezeten was, genietende de rust en den vrede, die de Heer hem na het verslaan van zijne tegenstanders geschonken had, werd hij met een zeker gevoel van schaamte en onrust vervuld, omdat de ark des Heeren in eene tent was geplaatst. Zij bleef zoo als zij was in den tijd van den togt door de woestijn, en nu de koning eene vaste verblijfplaats had, scheen het onbetanamelijk voor de ark binnen de gordijnen te blijven.

Deze gedachte was zeer natuurlijk, en hij sprak daarover met den profeet Nathan, die oordeelde dat deze stap tot verheerlijking van God zou uitloopen, en hem daarom zonder aarzelen goedkeurde. Nathan, ofschoon hij den Heer niet bijzonder had geraadpleegd, sprak met groote beslistheid en zeide tot den koning: »Ga heen, doe al wat in uw hart is, want de Heer is met u." De koning bedoelde de eer van God, en Nathan deelde in de bedoelingen van den koning, nogtans werden beiden in hunne verwachting teleurgesteld, en moesten beiden leeren inzien, dat het in de dingen Gods niet voldoende is het goed te meenen, maar gehoorzaamheid, en gehoorzaamheid alleen,

de Gode welbehagelijke offerande is. Nathan moest buitendien gewaarschuwd worden, om wanneer hij als profeet geraadpleegd werd, niet te betrouwen op zijne welgemeende wetenschap , maar de leiding en onderwijzing des Heeren te zoeken. Deze les wordt niet gemakkelijk geleerd en het kost ons steeds nieuwen en voortdurenden strijd, het woord des Heeren, door Samuel gerigt tot Saul, tot het onze te maken: «Gehoorzaamheid is beter dan offerande."

Den volgenden nacht geschiedde het woord des Heeren tot Nathan, en werd hij belast met eene boodschap aan David, die geenszins strookte met hetgeen hij den koning daags te voren had aangeraden. Jehovali erkende David als Zijnen knecht, die volgaarne

I^em wilde eeren door het bouwen van een huis, maar wilde niet dat hij, die zijne hand met bloed had bevlekt, en een man des oorlogs van zijne jeugd af was geweest, Hem een tempel zou bouwen, maar deze taak was voor zijnen opvolger weggelegd, die een man des vredes zou wezen. Dit wordt wel is waar niet duidelijk uitgesproken in dit hoofdstuk, maar is aangewezen in 1 Kroii. XXVIII: 3. » God heeft tot mij gezegd: Gij zult mijnen naam geen huis bouwen, want gij zijt een krijgsman en gij hebt veel bloeds vergoten." En wederom 1 Kon. V. 3: »Gij weet dat mijn vader

c en naam des Heeren zijns Gods geen tempel kon bouwen van wege de oorlogen, waarmede zij hem omsingelden, totdat de Hei,ïi hen onder zijne voetzolen gaf."

Alzoo werd aan David de gelegenheid ontnomen aan de behoefté van zijn hart te voldoen; doch de Heer gaf hem een grooten zegen in de plaats; want terwijl hij geen huis voor den Heer mogt bouwen, beloofde hem de Heer een huis voor hem te bouwen , hem èn een eeuwig zaad èn eenen eeuwigen troon te schenken en voor altijd te bevestigen. Verre zij het van ons voorbij te zien, dat deze woorden in de eerste plaats zien ook op den onmiddelijken opvolger van David, maar de beloften reiken zoo ver

en zijn zoo veelomvattend, dat zij zich over het gansche zaad van David uitstrekken, en hare ware en laatste vervulling1 vinden in Hem, in wien alle beloften van God Ja en Amen zijn. Men kan daarom ook veilig zeggen, dat David zelf, zoo als uit zijn heerlijk gebed volgt, deze profetie als voor alle geslachten bedoeld, heeft leeren inzien, en dat alle Messiaansche Psalmen rusten op de hier gedane toezegging. Israëlietische uitleggers ontkennen dan ook niet, dat in dit woord de Messias wordt bedoeld.

De belofte zelve is in elk opzigt merkwaardig in hare tijdelijke zoowel als in hare eeuwige gehalte. Want David ontving de verzekering, dat zijn huis altijd zou blijven bestaan voor het aangezigt des Heeren. Saul had gezondigd en verbeurde door zijne zonde den troon, zoo voor zich zeiven als voor zijne opvolgers. Maar zoo Davids nakomelingen zondigden, dan zouden zij wel is waar gestraft worden, maar niet voor altijd verworpen, omdat de Heer met hen handelen zou als een vader met zijne kinderen. Daarom rustte de heerschappij der koningen uit het huis van David op een goddelijken grondslag, en was het zeer natuurlijk voor hen op dien grondslag de aandacht des volks

steeds op nieuw te vestigen. Jehovah veranderde het koningsAww, en in den regel volgde de eerstgeborene den vader, maar de Heer bewaarde, om zoo te spreken, voor zich zeiven het regt in bijzondere gevallen een bijzonderen persoon uit het koninklijk geslacht aan te wijzen, en zoo was dit het

geval met Salomo, den jongste der zonsn, die met voorbijgaan der ouderen, den troon beklom. Dit was evenwel slechts eene uitzondering , want in den regel volgde de eerstgeborene den vader. Van den beginne af heeft Jehovah zich dat regt voorbehouden; want niet Kaïn maar Abel gelooft, niet Ismaël maar Izaak is de erfgenaam; niet Ezau maar Jakob; niet Ruben maar Juda is de erfgenaam der belofte. En wij moeten gedurig herinnerd worden, dat niet vleesch maar geest, niet natuur maar belofte in Gods wegen en bedeelingen in aanmerking komen. Naauwelijks behoeft hier aangewezen te worden, dat de gansche belofte vernietigd zou zijn, indien Jezus van Nazarëth niet de Messias, Davids Zoon en Heer was. Immers gedurende meer dan 18 eeuwen is de troon van David zonder opvolger, en is het laatste overblijfsel nit het huis van David verdwenen; en wat zou er dan van

den eeuwigen troon en het eeuwige zaad zijn geworden? In zekeren zin was het waar, ook in de geschiedenis van Salomo, dat God met hem als een vader met een zoönhad gehandeld; doch van wien geldt het als van de eeniggeboren Zoon Gods: »Ik zal Hem tot een Vader zijn en Hij zal Mij tot een Zoon zijn? En verkondigde niet de engel aan Maria, dat aan het Heilige uit haar geboren, de troon van Zijnen vader gegeven zoude worden? In Hem, de getrouwe, waarachtige getuige Gods, worden alle beloften Gods waarheid en wezenlijkheid, en dus ook de beloften hier aan David gedaan.

De belofte: »uw huis zal bestendig zijn,

en uw koningrijk tot in eeuwigheid, uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid," vervulde des konings hart met diepe aandoening, en hij ging in voor het aangezigt des Heeren vol van blijdschap en dankbaarheid, om den Heer in Zijn tabernakel voor alle Zijne goedertierenheden te prijzen en te verheerlijken. En nu openbaart zich voor onze verraste blikken eene innigheid en teederheid des gebeds zoo als de Geest des Heeren alleen aan eene rijk begenadigde ziel schenken kan.

De goedheid des Heeren geeft aan David een levendig besef van zijne eigene onwaardigheid. Aan zijn stamvader Israël gelijk, bekent hij volmondig, dat hij de groote weldaden Gods niet waardig is en hoe meer

de Heer hem gezegend heeft, hoe meer hij zich tot in het stof voor Hem verootmoedigt. »Wie ben ik Heere, heere," roept

hi) uit, »en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebragt hebt ?" Dit is een heerlijk Eben-IIaëzer, en geeft moed voor de toekomst. En de Heer heeft niet alleen genadiglijk met hem gehandeld in de dagen van ouds, heeft niet alleen zijne ziel verkwikt met beloften voor het oogenblik, maar hem ook een ver gezigt in de toekomst geopend. »En is dit naar de wet of wijze van een mensch, Heere?" — alzoo behoorde het laatste gedeelte van vs. 19 overgezet te worden — want David wil daarmede te kennen geven, dat geen mensch alzoo gehandeld zoude hebben, omdat menschen slechts kariglijk geven, kunnen geven, en alleen de rijke God die mildelijk, overvloediglijk geeft, geven kon wat de Heer aan David heeft toegezegd voor hem zei ven, voor zijn zaad, en voor alle geslachten.

Zoo groot en onuitsprekelijk rijk is de barmhartigheid Gods, zoo beschamend de nederbuigende goedertierenheid, dat David geene woorden vinden kan, om de diepe aan¬

doeningen zijner ziel te drukken. Het ïsdan ook niet noodig, omdat de Geest weet wat de meening des geestes is. David is door den Heer gekend, en Hij kent zijne gedachten ook van verre. David echter weet voor zichzelven, dat er niets in hem persoonlijk is, dat hem een regt zoude geven om aanspraak te maken op zoodanige heerlijkheid; maar naardien he" den Heere behaagd heeft zich alzoo aan hem te openbaren, en God het in grondelooze goedertierenheid in Zijn hart gevonden heeft, alzoo met David in oppermagtige liefde te handelen, twijfelt hij niet, berooft hij zich niet van zegen en vertroosting door klein- of ongeloof, maar geeft den Heere de eer, die Hem toekomt , en vlugt hij als het ware van zijn hart tot Gods hart, waarin hij onuitsprekelijke lankmoedigheid en barmhartigheid vindt, en uit die onuitputtelijke fontein ontvangt hij genade voor genade, verblijdt hij zich in den Heer, en in de blijdschap Gods vindt hij de hope, de sterkte zijner ziel.

Niemand kan bij den Heere vergeleken worden; welgelukzalig dan ook het volk, dat dezen God den zijnen mag noemen. Want nooit heeft God voor een volk gedaan, wat Hij voor Israël heeft verrigt; een volk, dat

Hij als het Zijne heeft erkend, tot het Zijne heeft gemaakt, en als Zijn volk tot in alle eeuwigheid heeft beveiligd. In koninklijke sympathie vereenzelvigt David zich met het volk, waarover God hem tot koning heeft gesteld, en is hij zich bewust dat zijne veiligheid, de vastheid van zijnen troon, de bevestiging van zijn geslacht en de voorspoed van zijn volk allen rusten op 's Heeren goedheid en getrouwheid. En deze blijken Zijner liefde en trouw zullen verstrekken tot verheerlijking van Zijnen eigennaam , omdat uit dat alles zal blijken, dat de Heer der heirscharen God is over Israël.

En nu het heerlijk en hoogheilig verband tusschen belofte en gebed. »Gij Heere der heirscharen, Gij God Israëls! Gij hebt het voor het oor Uws knechts geopenbaard,

zeggende: Ik zal u een huis bouwen. Daarom heeft uw knecht in zijn hart gevonden, dit gebed tot U te bidden." Ziedaar, het hart van God en het hart van den geloovige in hun onderling verband. Gij God der genade hebt het in Uw hart gevonden de belofte der genade aan Uwen knecht te schenken. Gij zijt de eerste, die uw hart geopenbaard en uwe goedertierenheid bekend hebt gemaakt; daarom vindt Uw knecht blijmoedigheid en vrijmoedigheid in zijn hart te spreken tot ü." Het gebed rust op de belofte, en zoo wij uit ons hart tot God zullen spreken, moet God er mede be¬

ginnen om uit Zyn hart tot ons te spreken. O! dat heerlijk daarom! Een gebed dat op de belofte Gods rust, heeft den waarborg van verhooring in zich, omdat God Zijne toezeggingen gestand doet, en wat Hg ons heeft beloofd voorzeker zal vervullen op Zijnen tijd.

David zelf is daarvan zoo volkomen overtuigd, dat hij er niet aan twijfelt, dat God Zijne waarheid zal bevestigen. »Gij, Heere! hebt het gesproken en met Uwen zegen ■ zal' het huis van Uwen knecht gezegend worden tot in eeuwigheid." Ziedaar de verzekerdheid des geloofs, die beslag legt, om zoo te spreken, op Gods goedertierenheid, die nooit wankelt en nimmer begeeft en in de getrouwheid van Hem, die was, en is, en komt, den waarborg vindt, dat alle Zijne beloften, al vertraagt Hij, vervuld zullen, moeten worden. Mij dunkt, dit is een woord, door den Heer in de ondervinding van een Zijner gezegendste dienstknechten, voor het nieuwe jaar ons geschonken. Zijn naam zij geprezen in alle

beraal" lid zijne adhaesie aan de motie schonk ?

Mag men hieruit niet afleiden, dat de »liberalen" de onderwijs-kwestie tot eene politieke kwestie verlagen?

ï •hou<^ng van de heeren de Casembroot en verheijen — conservatieve tegenstemmers — om niet te spreken van de heeren' 's Jacob, Kien, van Goltstein, en van Voorthuizen, trekwij de gevolgtrekking, dat er bij de zoogenoemde behoudende partij geene nevenbedoeling in het spel was.

De motie van orde van den heer baron van Wassenaer was vrij van politieke bestanddeelen, en kenmerkte zich door gematigdheid-, dit verhinderde met dat de verschillende liberale iracties en lloc het voorstel verwierpen.

Men heeft den heer van Lynden van Sandenburg hard gevallen over zijn antwoord aan den heer van Houten, op 30 November, toen hij den Groningschen spreker toevoegde: «Bedenk dat waar naar uwe opmerking, bij degenen, die tot de Christelijk-historische rigting behooren, sympathie wordt aangetroffen voor de conservatieve rigting, dit onder anderen hierin zijn oorsprong heeft, dat zij bij de liberale partij, bij degenen, die behooren int hntcmpn ïlr nnflm liof

subjectief liberalisme, steeds teleurstellino- hebben ondervonden, en dat, wanneer zjj bij die liberalen als consequentie Tan hunne beweringen medewerking hadden mogen verwachten, hun die steeds is ontzegd en tegenwerking van die zijde hun deel was." Bij de toepassing van deze bewering van den hooggeschatten spreker uit Tiel, op de stemming van 15 December, lag er eene profetische waarheid in verborgen.

Het veldwinnen van het naturalisme en het radicalisme zal misschien aan vele conservatieven do oogen doen opengaan. Koorders schreef mij weinige weken vóór zijn sterven: «De o;*rf-conservatieven verdwijnen, en allengs vormt zich eene nieuw-conservatieve partij, waaraan we, omdat ze Christendom en Historie in haar banier schrijft, met vrijmoedigheid de hand mogen reiken."

De geniale Koorders, roor wien trouw aan eigen beginsels levensvoorwaarde van elke politieke partij was, en die nooit aan mannen als de eer van Naamen (warme voorstander der schoolwet van 1857), de verzoenende hand zou hebben gereikt, zag in de conservatieve gelederen eene talrijke zelfstandige fractie zich vormen, bereid, om gemeenschappelijk met de Christelijkhistorische rigting alle vermomde of verklaarde vrijzinnigen te bestrijden.

Arnhem. A. Schimmelpenninck v. d. Oye.

Het Concilie te Rome.

eeuwigheid.

C. S.

Aaiiteekeiiiiigeii.

Onlangs, het was in de Eerste Kamerzitting van 3 December, gewaagde de heer van Rhenen, doelende op den Minister van Koloniën, van een liberaal man met conservatieve neigingen. Wanneer wij het oog vestigen op twee hoogst belangrijke stemmingen in de Tweede Kamer: die over het amendement van Lynden van Sandenburg, d.d. 7 December, bij de vaststelling van hoofdstuk VII C. der staatsbegroting voor 1870 (Administratie der Hervormde Eerediensten), en die over de motie van Wassenaer Catwijck, d.d. 15 December, treft het

onmidcteiijk onze aandacht, dat bijkans alle conservatieven aan de zijde der Christelijk-historische partij zich schaarden. Toenadering van conservatieven kant was hier merkbaar. Men kan, om met den heer van Rhenen te spreken, in de conservatieve gelederen eene neiging tot verbroedering met het «kleine hoopje" in de Kamer ontwaren.

Ik weet wel, dat velen hierin slechts eene tijdelijke politieke combinatie willen zien, en aan die twee stemmingen geen groot gewigt héchten; toch eisclit de billijkheid, met dankbaarheid te erkennen, dat de conservatieven sympathie hebben getoond voor de vaderlandslievende bedoelingen van de heeren van Lynden en van Wassenaer. Door haar goedkeurend votum te hechten aan de motie van den geachten afgevaardigde uit Leiden, heeft de meerderheid der conservatieve partij het ondubbelzinnig bewijs geleverd, dat ook zij van oordeel is, dat enkele bepalingen der wet op het lager onderwijs de ' vrije ontwikkeling van het bijzonder onderwijs belemmeren.

Is het niet opmerkelijk, dat geen enkel «li-

Wanneer de meest gezaghebbende en invloedrijke bladen dagelijks hunne lezers trachten op de hoogte te houden van hetgeen te Rome

gesenieat, aan is net zeker pligt van dit blad, wekelijks mededeelingen te doen omtrent de vermoedelijke uitkomsten, die deze bijeenkomst opleveren zal. De moeijelijkheid om iets bepaalds en betrouwenswaardigs te zeggen, oestaat voornamelijk daarin, dat de meest tegenovergestelde geruchten verspreid worden, en men van Roomsche zijde alles beproeft om de waarheid te onderdrukken, en allen den indruk te geven, dat de volkomenste overeenstemming tusschen alle leden ter vergadering aanwezig, bestaat, en slechts de ketters, uit ongeloof of kwaadwilligheid of om beide redenen, de zaken in een verkeerd licht plaatsen.

Men heeft dan ook van de zijde van het Roomsche hof alle mogelijke maatregelen en voorzorgen genomen, om elke discussie te smoren en het opkomen van oppositie te beletten, en men heeft gedurig herhaald: «Er bestaat hoegenaamd geen verschil, wij zijn het allen eens." Nu men het bestaan van verschil niet meer loochenen kan, nu wordt gezegd: «maar het beteekent niet veel, en weldra zullen alle geschillen zich oplossen in volkomen harmonie." Dit laatste is zeer wel mogelijk, met dien verstande, dat de minderheid niet den moed hebben zal om ten einde toe tegenstand te bieden, en daarom goed- of kwaadschiks zich uitwendig zal onderwerpen, al is zij geenszins van de juistheid of waarheid der genomen besluiten overtuigd. En het is te betwijfelen of de bisschoppen wel tot eene andere uitkomst kunnen geraken. Want welke is de tegenwoordige toestand der pauselijke kerk?

Het concilie is begonnen met de stellingen

in den bekenden Syllabus, die de gansche tegenwoordige maatschappij veroordeelen, in behandeling te nemen. Naar men zegt hebben verschillende sprekers en onder anderen kardinaal Rauscher, aartsbisschop van Weenen, tegen het ontijdige van deze besluiten gesproken. Men kan dit gemakkelijk verstaan, daar ook Oostenrijk als constitutioneele staat de meeste door den Syllabus veroordeelde beschouwingen heeft aangenomen. Voorts wordt berigt, dat kardinaal Schwartzenberg geenszins de oppositie heeft vaarwel gezegd, maar integendeel vast staat, even als de Hongaarsche bisschoppen. Hiernaar te oordeelen zou men zeggen, dat een ernstige en eerlijke strijd begonnen is, en dat die partij de overwinning behalen moet, die de beste argumenten en de waarheid aan bare zijde heef

Sluiten