Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870.

JEen en Twintigste Jaargang.

EENE NEDERLANDSCHE STEM

N\ 2.

VOOK

I SK A ELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

■0* " T cm, * Vrijdag, 14 Januarij. b* i..« *« i**r.

De uitgave van dit Blad, onder Eedaetie van Dr. C. SCHWARTZ, geschiedt geregeld des Vrijdags van iedere week. Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DE HOOGK & C°.

Abonnementsprijs per kwartaal ƒ1,50, franco per post ƒ 1,65. —De Prijs der Advertentiën is van 1—5 regels/1,elke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naar de plaatsruimte berekend.

Bij dit blad behoort een BIJVOEGSEL.

INHOUD : Aanteekeningen. — Zuid-Afrika. — Nieuwjaarsbede voor Palestina. — Spanje. — Kerk. —■ Portret van wijlen den weleerw. Heer J. DE LIEFDE. — Liefdegaven. — Correspondentie.

jPP"" II. II, Abounenfen worden beleefd verzocht de abonnementsgelden voor het vierde kwartaal van den Heraut franco per postwissel over te maken. De Uitgevers.

Meten met snoeren.

Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te dooden, en met een vol snoer om in het leven te laten.

II Sam. 3:2.

Wanneer men bedenkt dat David in vroe¬

ger tijd op een zoo goeden voet met den koning van Moab stond, dat hij hem gedurende de vervolgingen van Saul zijne ouders ter bescherming overgaf, dan verwondert men zich grootelijks, dat hij zijne hand tegen de Moabieten keerde en zegestrengelijkstrafte.

Joodsche uitleggers hebben om dit verschil te regtvaardigen beweerd, dat de koning van Moab den vader van David had vermoord, en David hierover in toorn ontstoken, zich op den koning en zijn volk wilde wreken. Maar niets in de heilige oorkonde regtvaardigt deze onderstelling, en men kan veilig zeggen dat zij bedacht is om eene zwarigheid, die men anderzins niet oplossen kon, uit den weg te ruimen. De Schrift noemt geene bijzondere reden op. Het kan zijn dat er eene bijzondere oorzaak bestond tot het uitbarsten van oorlog, ofschoon dit niet noodzakelijk was, daar in Oostersche landen en vooral bij de volken die Israël

aanvielen, er geene bijzondere gelegenheid wordt vereischt, en het voldoende is zoo de aanrander meent, dat hij eene gunstige gelegenheid heeft en de verlegenheid van den aangevallene zich ten nutte kan maken. Het zwijgen der Schrift bewijst noch het een noch het ander. Hoogst waarschijnlijk was de verhouding der stammen aan de andere zijde van de Jordaan tot de naburige volken zoo ingewikkeld, dat het tusschen beide komen van den vorst noodzakelijk werd. De veldtogt tegen de Moabieten wordt in weinige woorden verhaald; maar deze weinige woorden zyn niet gemakkelijk verklaard en dikwerf tot beschuldiging van David en alzoo tot een aanval tegen alle geloovigen en ten laatste tegen den Heer des geloofs gebezigd. Want het is kenmerkend voor het ongeloof, dat het zich nooit de moeite getroost en den tijd geeft om de vraagstukken, welke bij het lezen der Schrift even als bij elk boek, vooral van den ouden tijd, opkomen, naauwkeurig te onderzoeken en in hun historisch verband gade te slaan, maar met eene ruwe hand alles uit zijn historisch Verband rukt, vergetende, dat wanneer het 111 zijne kraam past, juist »historisch-gramMatisch" de groote kreet is.

Wij ontkennen niet, dat hier eene ontzettende daad wordt vérhaald. Men kan verschillen over de wijze waarop het oordeel werd voltrokken, en terwijl sommigen gelooven, dat met de snoeren het land der Moabieten werd gemeten en zekere deelen aangewezen, waarvan de bewoners ten doode Waren gedoemd, beweren anderen, dat alle gevangenen op den grond moesten nederliggen en een snoer werd getrokken, dat twee derden van de gansche schare afzonderde, die dan ter dood werden veroordeeld, terwijl de overigen werden gespaard. Dit werd gedaan in plaats van «aftellen, dat welligt van wege de groote menigte te veel tijds vereischte; doch waarschijnlijk werd het snoer zoo getrokken, dat het grootste derde werd gespaard, hetgeen in de woorden wordt aan¬

geduid: »en met een vol snoer om in liet leven te sparen/' .

Niemand zal ontkennen, dat wat hier op bevel van David geschiedde, verschrikkelijk is, maar alle gebruiken van den oorlog uit den ouden tijd zijn verschrikkelijk, en hoogst waarschijnlijk zullen vele oorlogswetten, die thans nog onder ons algemeen erkend worden, onzen nakomelingen na een niet zeer langen tijd ontzettend toeschijnen. Men moet daarom niet vragen of Davids handelwijze jegens de Moabieten verschrikkelijk was, maar wel of 'tgeen liy deed overeenkomt met de gewoonten van den tijd, waarin hij leefde, en van het volk waarmede hij te doen had, en of deze maatregel Davids tijdgenooten zoozeer schokte, als zij ons zonder twijfel grooten aanstoot geeft.

Het was de gewoonte in die dagen bii

o f

alle natiën, om de mannen te dooden, die met de wapenen in de hand gegrepen werden , ja bij eene bijzondere gelegenheid was de zachtmoedige Mozes, die zeer zeker niet tot wreedheid geneigd was, genoodzaakt om ook de vrouwen der Midianieten, die vooral de oorzaak van het kwaad en de verleiding der Israëlieten tot afgodendienst waren geweest, te doen dooden met de mannelijke kinderen. De Israëlieten moesten wel" dergelijke dingen doen, zoo zij zich niet met gebondene handen aan hunne tegenstanders wilden overgeven. Want zoo hunne vijan¬

den de Israëlitische gevangenen vermoord-

o o

den, en de Israëlieten de Heidensche gevangenen hadden gespaard, hoe hadden zij dan ooit hun tegenstand kunnen bieden?

Naar welke beginselen werd de oorlog gevoerd, of juister gezegd: hoe werden de gevangenen behandeld? In de eerste oorlo¬

gen werd niemand gespaard , en noch geslacht noch ouderdom ontzien. Alle gevangenen werden vermoord; dit was de wet van de oudste oorlogen. De wet verbood dit, enkele gevallen uitgezonderd met betrekking tot de Kanaanitische natiën. Langzamerhand begon men te begrijpen, dat men veilig de vrouwen en kinderen sparen kon, ja dat men zelfs zijn voordeel zou kunnen doen door óf ze zelf te gebruiken voor allerlei arbeid, óf ze te verkoopen als slavinnen. Aanvankelijk beperkte men deze uitzonderingen tot de vrouwen en vrouwelijke kinderen, daar men vreesde, dat de knaapjes tot mannen opgegroeid, het geleden onregt zouden wreken. Later echter werden ook de mannelijke kinderen gespaard. In Egypte, waar veel' veldarbeid verrigt werd, spaarde men welligt de mannelijke gevangenen, doch Mozes ging in de door hem gemaakte bepalingen zeker de gewoonten in Arabië en Syrië ver te boven. Mozes stelde immers vast dat, met uitzondering der Kanaanitische stammen, het geheele volk gespaard zoude worden, zoo zij zich zonder vechten onderwierpen en cijns wilden betalen. Maar zoo zij weerstand boden en met de wapenen in de hand werden gegrepen , dan zouden zij gedood worden.

In het onderhavige geval was deze wet geheel van toepassing, en dien ten gevolge hadden alle gevangenen moeten worden gedood , daar zij weerstand hadden geboden en vechtende in de handen der overwinnaars waren gevallen. David overtrad de wet, doch niet naar de zijde van wreedheid, maar van gematigdheid; want hij doodde niet meer dan de wet gebood, maar veel minder, daar hij het grootste derde der gevangenen spaarde. En hoogst waarschijnlijk wordt dit feit en de geheele handelwijze van David bij deze gelegenheid uitdrukkelijk vermeld, om de gematigdheid van David te doen uitkomen. En juist datgene wat het grove ongeloof hem verwijt en als eene groote wreedheid toerekent, is in waarheid een blijk van zachtmoedigheid, voor zoo ver dit met de ge¬

woonten des tijds, de eischen der wet en de welvaart van den staat overeen te brengen was. Men kan er zeker #an zijn, dat elk der Moabietische gevangenen verwachtte gedood te worden, en het sparen van een zoo groot gedeelte als eene bijzondere daad van barmhartigheid aangemerkt en opgenomen werd.

Men kan zeer gemakkelijk vragen: »Zoo hij toch een derde der gevangenen spaarde, waarom heeft hij dan niet alle gevangenen gespaard?" Niets is gemakkelijker dan wanneer iemand iets heeft gedaan, te vragen waarom hij dit niet of dat wel gedaan heeft Niets is gemakkelijker dan dergelijke vragen te doen, doch niet zoo gemakkelijk is het altijd het juiste antwoord te geven. David wilde zeer zeker door .den oo. log tegen de Moabieten eene zekere uitkomst bereiken, en wenschte niet slechts een indruk te maken voor het oogenblik maar ook voor de toekomst. Doch nu kon hij al ligtelijk denken, dat deze uitkomst niet door het sparen van het derde gedeelte der gevangenen zou lijden, maar zij geheel zoude verloren gaan zoo de vijanden tegen wie hij nog strijden moest, zijne gematigdheid zouden misbruiken en zich te meer veroorloven hem aan te vallen en te weêrstaan, daar hij hen toch zoude sparen, terwijl zij de Israëlietische gevangenen, overeenkomstig de gewoonten van dien tijd, zouden dooden.

De oorlogswetten waren vooral in die streken zeer barbaarsch , en behielden dit wreed karakter zelfs nadat andere natiën hare ge¬

woonten grootelijks hadden gewijzigd en

gematigd. De Karthagers die van Cana-

nietischen oorsprong waren , behandelden de Romeinsche gevangenen, volgens de Romeinsche geschiedschrijvers, met groote hardheid,

ofschoon de Romeinen zeiven voorzeker alles

behalve zachtmoedig waren.

Ik heb deze zaak in een afzonderlijk

hoofdstuk behandeld, omdat ik geloof dat het goed is de Schrift, en vooral de mannen Gods in het Oude Testament regt te laten wedervaren, ook in vergelijking met de helden der historie, die de wereld zoozeer bewondert en grootelijks prijst. Een Griek of een Romein kan niets zeggen of doen zonder de bewondering der toongevers dezer eeuw in hooge mate op te wekken. Zij trachten de schoonheid hunner woorden in alle bijzonderheden aan te wijzen, en verlustigen er zich in om het edele hunner daden ten nadrukkelijkste te doen uitkomen. Wij hebben er volstrekt niets tegen, dat eiken Heiden regt wedervare, en zijn volkomen bereid, om alles wat juist en goed en edel in hen is volmondig te erkenner en te waar¬

deren ; maar waartegen wij ten nadrukkelijkste moeten protesteren is, dat dezelfde mannen zoo onregt vaardig, zoo hoogst onbillijk zijn tegen al wat uit God is. Mozes en Jozua, David en Salomo kunnen zeer gemakkelijk met de groote staatslieden der oude wereld vergeleken worden, zonder dat wij die vergelijking behoeven te vreezen; dichters gelijk Jezaja, Hozea, Micha en Habakuk kunnen veilig naast het schoonste dat Griekenland of Rome hebben voortgebragt, worden ' geplaatst, en wij behoeven de vergelijking niette vreezen; Davids psalmen, Azafs liederen, Jeremia's treurzangen, Jobs stoute beeldspraak kunnen gernstelijk

naast het verhevenste, dat de Heidenen hebben geschreven, worden geplaatst, en wij behoeven de vergelijking niet te vreezeu. Doch wien kunt gij vergelijken met den onbaatzuchtigen vader der geloovigen Abraham, wien met den kuischen Jozef, of met den zachtmoedigen Mozes, of den edelen Jonathan? Ik zoude bijna wenschen, dat men den Bijbel eens van zijn goddelijk gehalte kon ontdoen, en hem zuiver als een litterarisch werk beschouwen, zoo als men de litteratuur van andere volken beoordeelt, en ik twijfel er

niet aan, of zoo de mannen der wetenschap niet wisten, dat het de oude Bijbel is, Gods

boek, door hen zoo laag gesmaad en gehaat, zoo zij voor een oogenblik zich van hunne vooroordeelen konden ontdoen, zij dan zeer zeker een gunstig oordeel zouden vellen.

Dit is van toepassing op de woorden en op de mannen Gods. Beiden deelen hetzelfde lot, beiden worden op dezelfde on-

rigtvaardige wijze mishandeld. De aan-

. allen zeiven bewijzen, dat de Schrift teregt zegt, dat des menschen hart van natuur met vijandschap tegen God is vervuld, en huns ondanks moeten nog altijd de Judassen en Pilatussen voor Jezus getuigen, en de Kajafassen van Hem profeteren; doch dat verontschuldigt hen niet, al verheerlijkt het Hem. Laat ons niet voor een oogenblik toegeven dat wij de aanvallen der ongeloovigen vreezen, dat wij voor een grondig en ernstig onderzoek eenigzins beducht zijn; wjj weten dat wjj met mannen vol van vooroordeel en vijandschap te doen hebben, dat noch wij, noch Gods Woord, noch Gods knechten op billijkheid mogen

rekenen; desniettegenstaande vreezen wij het grondigst onderzoek in geenen deele, maar weten dat Gods gedachten hooger zijn dan der Heidenen gedachten, even als de hemel hooger is dan de aarde.

Daarom heb ik ook eene uitvoerige en naar ik vertrouw juiste voorstelling van het gedrag van David en het meten der gevangenen met de snoeren gegeven, opdat men zien zou hoezeer Gods helden al de wijsheid en barmhartigheid der wereld en hare wijzen beschamen.

C. S.

liet Concilie te Rome.

Het is goed, zoo niet noodig, om de handelingen van dit concilie gade te slaan, en daarover een verslag te geven, maar het is eene zeer moeijelijke taak, omdat er zoo veel gegist en zoo weinig in waarheid gezegd,, en nog minder gedaan wordt. Hoogst waarschijnlijk worden ook de berigten der verschillende correspondenten gekleurd, naarmate zij ultramontaansch of anti-pauselijk gezind zijn en met dezen of genen in aanraking komen. Zooveel is zeker, dat het concilie al zeer weinig op eene vergadering gelijkt, die opregtelijk zich plaatst onder de leiding van den Heiligen Geest en slechts tracht Gods wil te kennen en te doen. Overal zijn kuiperijen en omkoopingen, en de keizer Napoleon heeft zonder twijfel meer te doen met de be,duiten, die te Rome genomen moeten worden , dan de Heilige Geest, die een Geest der waarheid en niet der leugen is.

Er wordt gedurig nog gewag gemaakt van een geest van oppositie bij de Hongaarsche, Duitsche en Fransche bisschoppen, en sommigen gaan zoo ver van te beweren, dat do oppositie op 200 rekenen kan. Ik beken ronduit dit, niet te gelooven. Het Heidensch en het Pauselijk Rome hebben steeds de kunst gekend en in praktijk gebragt: »Verdeel en hcersch," en dien ten gevolge hebben zij door allerlei onderhandelingen, schikkingen en gunstbewijzen do verschillende partij (in trachten te isoleren, en ze door zoodanige kunstgrepen niet alleen verzwakt maar tegen elkander opgehitst en gebruikt. Niets is gemakkelijker dan hetzelfde middel ook thans te bezigen, en van de verschillende eigenaardigheden der onderscheidene nationaliteiten gebruik te maken, om wantrouwen te zaaijen en te Rome te doen wat Oostenrijk zoo meesterlijk eeuwen lang op staatkundig gebied in het keizerrijk heeft gedaan.

Voorts de verschillende kerken hebben verschillende ceremoniën en behoeften, en de Oostersche bisschoppen, die arm zijn, leven thans op kosten van den paus , die voor elk hunner

8 francs dagelijks betaalt. Nu is het zeker moeijelijk voor deze bisschoppen, nadat zij gedurende maanden de gasten van den paus zijn geweest en uit zijne beurs hebben gegeten en gedronken, om stemmen tegen hem te verheffen en zich aan zijnen toorn bloot te stellen. Deze Oostersche bisschoppen zijn in zekeren zin

de meest onafhankelijke geweest, daar zij door hunne patriarchen werden benoemd, en waar

geen patriarch was door de gezamenlijke bis

schoppen der provincie. In 1867 trachtte het hof van Rome door allerlei onderhandelingen ze in meer regtstreeksche afhankelijkheid van

den paus te brengen, en natuurlijk zullen ze

nu meer dan ooit in banden geslagen worden. Nu is het zeer mogelijk, dat de Oostersche bisschoppen den moed niet hebben om den paus

weêrstand te bieden, en zich dus alles laten welgevallen wat men huil te Rome, zoo lang zij in Rome zijne oplegt; maar het zoude volstrekt niet vreemd zijn zoo deze bisschoppen, zoodra zij de atmospheer van Rome hebben verlaten, en wederom zich te huis vrij gevoelen, alle banden verbreken en hunne oude vrijheid handhaven. Dan zullen natuurlijk nieuwe intrigues beginnen, en Rome dat nooit een behaald voordeel uit het oog verliest en nooit iets opgeeft dat haar magt versterkt, zal ten slotte zegevieren ; maar hoe weinig gelijkt dit op een werk des Heiligen Geestes!

Do volgende feiten zijn nog al belangrijk. In de eerste plaats schijnt het vast te staan dat de paus een Italiaan zijn moet. Andere natiën kunnen de kerk bisschoppen en cardinalen geven, maar de pauselijke kroon of kroonen moeten door een Italiaan gedragen worden. Het is zonderling, dat de paus, die voorgeeft de opvolger van don Israëliet Petrus te zijn, een Italiaan en dus ook geen Israëliet moet wezen. Ik geloof niet, dat een Israëliet immer naar die eer gestreefd heeft, en God verhoede, dat ooit een Jood opnieuw een Judas zou zijn; maar vreemd is het dan toch, dat de Israëlitische natie, waaruit Petrus kw»m, geen paus mag voortbrengen. Natuurlijk niet; want Rome heeft immers het Christendom heidensch gemaakt, en van zijnen isr.vëlitischen grondslag losgerukt. Hoe zoude dan die pauselijke kerk ooit of immer het Israëlitische element regt laten wedervaren ?

Voorts alle bisschoppen moeten verklaren, dat zij de besluiten van het laatste concilie goedkeuren. Dit is op zich zeiven regt en billijk, want indien het concilie onfeilbaar was, dan is het regt, dat zjj die te zamen zijn gekomen, om het toen begonnen werk voort te zetten , beginnen met plegtig te verklaren, dat zij den ouden grondslag vasthouden. Maar dan

volgt ook hieruit, dat alle dwalingen, ooit door

de Roomsche kerk beleden, tot op dit oogenblik door deze kerk worden beleden, zoodat zij dezelfde dweepzieke, bloeddorstige, de geloovi¬

gen vervolgende kerk is, die zij ten allen tijde is

geweest. Zij moge bet raadzaam en voordeelig achten, zekere dwalingen thans uiet op den

voorgrond te plaatsen, zii moge de kracht mis¬

sen om Protestanten thans te vervolgen, te martelen en te verbranden, doch den teil mist zii

even weinig als zij het beginsel ooit heeft verloochend.

Al de bisschoppen hebben op 6 Januarij, — den dag van het zoogenaamde Epifaniënfeest — in handen van den paus een eed gedaan op de geloofsbelijdenis van paus Pius IV. Deze geloofsbelijdenis is zeer belangrijk, en daar de meeste onzer lezers ze zeer zeker nooit hebben gelezen, geloof ik haar in eene Hollandsche overzetting volledig te moeten mededeelen, omdat ik wensch allen die deze artikelen lezen den indruk te geven, dat het mijn ernstig streven is den toestand der Roomsche kerk naar waarheid te schetsen. De geloofsbelijdenis bestaat uit 12 punten en luidt aldus:

I. Ik beken en neem op het krachtigst aan, de apostolische en kerkelijke overleveringen en alle andere ceremoniën en verordeningen van dezelfde kerk.

II. Ik neem ook aan de Heilige Schriften in den zin, in welke de heilige moederkerk ze verklaard heeft en nog verklaart, daar het haar toebehoort te oordeelen over den waren zin en de uitlegging der Heilige Schriften, ook wil ik ze nooit anders aannemen en uitleggen dan naar de eenstemmige uitlegging des vaders.

III. Ik beken ook dat er zijn waarlijk en eigenlijk zeven sacramenten van do nieuwe wet, door Jezus Christus onzen Heer ingesteld en noodig voor de zaligheid des menschen, ofschoon niet allen zijn voor iedereen, en wel: Doop, Bevestiging, Eucharistie (mis) Boete, laatste Oliesel, Ordening en Huwelijk, en dat zij genade mededeeleu. Doop, Bevestiging en Ordening kunnen niet zonder heiligschennis herhaald worden; voorts neem ik ook aan de erkende en goedgekeurde ceremoniën der Katholieke kerk, die gebruikt worden bij de plegtige uitdeeling van de voornoemde sacramenten.

IV. Ik neem aan en omhels alle en elk der bepalingen, die door het heilig concilie van Trente vastgesteld werden aangaande erfzonde en regtvaardigmaking.

V. Ik beken tevens dat in de mis aan God gebragt wordt eene ware, wezenlijke en verzoenende offerande voor de levenden en de dooden, en dat in het hoogheilig sacrament der Eucharistie zijn waarlijk, wezenlijk en subslintieel het ligchaam en bloed tegelijk met de ziel en de godheid van onzen Heer Jezus Christus, en dat de geheele substantie van het brood veranderd wordt in het ligchaam en de geheele substantie van den wijn in het bloed, welke verandering de Katholieke kerk noemt: Transsubstantie.

VI. Ik beken ook,'dat onder eb der twee gedaanten alleen Christus gansch en geheel wordt ontvangen in een waar sacrament.

VII. Ik houd staande dat er een vagevuur

is, en dat de zielen die daarin gehouden worden , geholpen worden door de gebeden der geloovigen.

Sluiten