Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870.

Een en Twintigste Jaargang.

EENE NEDEfiLANDSCHE STEM

N'. 3

VOOR

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

*i3ix »5 ^niöxn

Ps. CXVI: 10.

Vrijdag, 21 Januari).

Het geloof is uit liet gehoor.

Kom. X : 1.

—■ ——" . , , Ar.nTinpmpnt,sr)riis ner* kwartaal ƒ 1,50, franco per post ƒ 1,65. —De Prijs der Advertentiën is van 1—5 regels f 1,-

Do uitgave van dit Blad, onder Redactie van Dr. C. SCHWARTZ, geschiedt geregeld des Vrij a^™n ' 'e]ke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naar de plaatsruimte berekend.

Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DÜ HU j 1 1' , ,

Een doode hond.

Toen boog hij zich en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar eenen dooden hond als ik ben II Samucl IX: S.

Wjj weten hoe naauw do ziel van David aan die van Jonathan verbonden was. Wij herinneren ons, dat beiden een innig verbond hadden gesloten, dat zich over hunne nakomelingen uitstrekte. Toen Jonathan op de heuvelen van Gilboah sneuvelde, uitte David zijne diepe smart in het aandoenlijk lied, in het eerste der hoofdstukken, van dit tweede boek van Samuël vermeld; ea men tan veilig onderstellen, dat hjj het gemis van dezen getrouwen, geloovigen, zich zeiven verloochenenden vriend steeds diep gevoelde. Wat hij voor Jonathan niet doen kon trachtte hij voor zijnen zoon Mefiboseth te doen. >Is er nog iemand," sprak David, »die overgebleven is van het huis Tan Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe

om Jonathan's wil?" Zeba, een der knechten van Saul, werd voor David gebragt, en toen de koning deze aandoenlijke vraag in zïne tegenwoordigheid herhaalde, luidde het antwoord: »Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten." Weldra zond David tot Mefiboseth, en deze toen hij tot David inkwam, boog zich neder, en als David hem de verzekering gaf: »Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen om uws vaders Jonathans wil, en ik zal u allé akkers van uwen vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten van mijne tafel," zeide Mefiboseth: * Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar eenen dooden hond als ik ben?" Maar juist deze woorden van den zoon van Jonathan luiden vreemd, hebben aanstoot gegeven en zijn dikwerf verkeerd begrepen geworden. Immers volgens Joodsche begrip¬

pen kan men geene meer vernederende en lage uitdrukking gebruiken dan deze; want de hond was van wege zijne vuile gewoon¬

ten een afschuw voor den Hebrëer, en was bjj het volk een voorbeeld van al wat gemeen en laag is, ofschoon men zich den

hond van wege zijne nuttigheid bij het hoe¬

den der schapen en bij het jagen liet wel¬

gevallen. Men kon dus iemand aiet grover beleedigen dan door hem een hond te

noemen, en een man kon zich onmogelijk dieper verlagen dan van zich zeiven als van «en dooden hond te spreken. Want een hond

te heeten was reeds smartelijk en smadelijk

genoeg; maar »een doode hond'' overtreft alles, want hier wordt de vuiligheid van het lijk gevoegd bij die van den hond, die reeds op zich zelf verachtelijk is.

En wie noemde zich aldus ? Een man die van geboorte een prins was; van wien wij niets weten dan wat goed en regtschapen is, en die zoo dikwerf als wij hem hooren, Woorden van gezond verstand, van takt, edelmoedigheid en vroomheid spreekt, en wiens privaatleven, voor zoover het ons bekend is volstrekt onberispelijk, even als ziin

openbaar leven zonder vlek is. En die man noemt zich zelf »een doode hond," dat is de onwaardigste der menschen, een jammerlijk schepsel. Hiermede vergeleken is de uitdrukking: > ik ben een worm en geen mensch," als niets te achten. Al geeft men ook toe, dat volgens Oosterschen stijl hier eene zekere overdrijving is, nogtans schijnt het dat Mefiboseth zich veel te diep vernedert, en uitdrukkingen gebruikt die niet waar kunnen zijn.

Wat moet men hiervan denken? Deze vraag reikt veel verder en raakt veel dieper dan menigeen onderstelt, en wel om de eenvoudige reden, dat in de woorden van Mefiboseth een beginsel opgesloten ligt, dat door de wereld zeer weinig begrepen

wordt en van ruime toepassing is. Het raakt

een der dingen , die de wijsheid der wereld

als dwaasheid toeschijnen, en die het natuurlijk verstand volstrekt met begrijpt, omdat het hier eene geestelijke zaak geldt, en geestelyke dingen geestelijk onderscheiden moe-* ten worden. De wereld ziet mannen, als Me-1 fiboseth, regtschapen en godsdienstig, onbe-;

rispelijk naar het oordeel der menschen j mannen op wier gedrag niets aan te merken^ valt, en die zelfs bereid zijn alles te verduren; om des Heeren wil, ja alles voor schade te achten vergeleken bij de uitnemendheid der kennisse Gods in Christus , waarom die eerder hun leven in den dood zouden uitstorten dan tegen Gods wil zondigen, en deze mannen spreken van zich zeiven in woorden die zy, de wereld, slechts van de grootste kwaaddoeners, van bet uitvaagsel der menschheid zoude gebruiken. Verwondert het u nu zoo de wereld, die baar eigen maatstaf en spreekwijze heeft, zich hierin niet weet te vinden

en deze mannen op de eene ol anclere wijze

miskent ?

Zij kan zich in het hand aan hand gaan

van deze beide toestanden niet vinden, en gelooft tusschen beide te moeten kiezen, en

of het een öf het ander uitsluitend voor waar te houden. Zij zegt: deze mannen moeten zei ven het best weten , wat zij eigenlijk zijn, en daar zij zich noemen zoo als zij doen, zijn zij zeker zeer slecht, en niet

waard onder menschen te leven, al schijnen

zij veel beter te zijn. En zoo men dit niet

aannemen mag, dan spreken zij van zichzelven met zooveel gemaakten ootmoed, wel wetende, dat zij niet zijn, wat zij voorgeven te zijn, en dat zjj het zeiven zeer kwalijk zouden nemen, zoo iemand hen bij het woord nam en ze noemde zoo als zij zeiven doen.

Maar nu, hoe staat de zaak wezenlijk? Waarheid moet dan boven alles gaan. Een mensch moet niet met bewustzijn liegen al is het in Gods zaak — en juist dan zeer zeker niet — noch om zijn eigen voordeel, noch om zijnen ootmoed te bewijzen. Hij heeft geen regt om onwaarheid tot zijn nadeel of tot zyn voordeel te zeggen. Waarheid blijft waarheid, en hare eischen zijn onverbiddelijk. Zij wil geëerbiedigd zijn in alle omstandigheden èn in alle betrekkingen des levens. Niets in den hemel of op aarde kan dit veranderen, en hare wetten moeten daar¬

om steeds betracht worden. Er is evenwel

eene zoodanige neiging in ons om ons zei¬

ven beter te denken dan wij wezenlijk zijn,

dat, ofschoon het onbetamelijk geacht wordt, zoo niet verachtelijk, iets tot zelfverheffing te

zeggen, het evenzeer onbetamelijk ge¬

acht wordt, iets tot eigen nadeel te zeggen

Wtéligt zoude het anders beschouwd worden, zoo men daclit, dat hij de waarheid spreekt, of ten minste zegt, wat hij voor waarheid houdt; want zoo sterk is de mate van eigenliefde, die de een den ander toeschrijft, dat iemand niet ligt geloofd zal worden, wanneer hij iets ten zijnen nadeele zegt; en juist omdat niemand hem gelooft, juist om¬

dat men onderstelt, dat hij öf zich zeil bedriegt, öf zegt wat hij weet niet waar te zijn, dat zelfvernedering niet evenzeer voor onbetamelijk wordt gehouden, als zelfverheffing. Nogtans is het waar, dat, indien

zelfvernedering met bewustzijn onwaar ist dit even verkeerd is als zelfverheffing.

Nogtans noemt Mefiboseth zich » een dooden hond;" Agur noemt zich dwazer dan eenig mensch" (Spreuken XXXI) en Paulus bekent, dat hij de voornaamste der zondaren is (1 Tim. 1: 13). En Mefiboseth was een achtenswaardig man, en er waren dwazere menschen dan. Agur, en zeer zeker grootere zondaars dan Paulus. Zeiden , deze mannen dan eene leugen? In geenen deele. Een man van een verlicht en teeder geweten weet, dat voor God zelfs de hemelen

niet rein zijn, en dat Hij vlekken vindt ook in Zijne Engelen, Zijne boden. Hoe meer liij in geestelijk leven vooruitgaat, hoe meer en dieper hij doordrongen is van de heiligheid en vlekkeloosheid van God, hoe meer hij overtuigd is, dat in de oogen Gods alle onreinheid een gruwel is, en dat elke onzuiverheid van gedachten, woorden en werken, hoezeer ook voor menschen verborgen , voor Hem openbaar is, door Hem verworpen wordt en de ziel scheidt van Hem, die het licht is en in het licht woont. Hij kent niet het hart van anderen en kan evenmin hen oordeelen en nog minder zich met lien vergelijken, om dan zich boven hen te verheffen en hen teil diepste te veroordeelen. Maar terwijl hij het hart van anderen niet kent, al moge hij hun inen uitwendig leven weten door hunne woorden en hunne daden, omdat hij niet kan oordeelen over de beweegredenen, die hun gedrag regelen en de oorzaken des gemoeds die hen aansporen dit te doen en dat na te

laten, — nogtans kent hij zijn eigen hart; hij weet dat hij geoordeeld zal worden naar de mate van het licht dat Ai)'ontvangen lieeft, naar 't geen hij heeft en niet naar 't geen hij niet heeft. Juist dit is. van het hoogste gewigt.

De waarheid: » wien veel gegeven is van dien zal veel geëischt worden," is van het hoogste gewigt in het beoordeelen van de waarde of onwaarde, die aan eene enkele hande¬

ling of het geheele gedrag van een mensch

ehecht moet worden.

Iemand die in eene zondige omgeving is

opgevoed, iemand die in een land geboren is waar de Schrift een verboden boek is, die

met onzedelijke menschen alleen in aanra¬

king komt, die geene gelegenheid heeft het

woord .der waarheid te liooren, staat m eene gansch andere verhouding tot God, dan hij die al deze voorregten geniet. Wanneer liij zich nu naar dien maatstaf beschouwt en beoordeelt , dan gevoelt liij dat eene twijfeling, eene böoze gedachte, een vleeschelijke lust,

hem die veel meer licht heeft en meer van de

liefde Gods heeft gesmaakt, veel schuldiger ïnaakt dan anderen, die zich in deze voorregtennietmogen verblijden. Hij kan zich van de gedachte niet ontdoen: Indien ik, terwijl mijne

oogen door zonde ,en zelfbedrog zijn verblind , zooveel reeds zie van het verderf in mijn eigen hart, wat moet God, die heilig en volmaakt is, en die alle dingen kent zoo als zij waarlyk zijn , over deze uitgangen mijns harten oordeelen ?

Wanneer uw geweten waarlijk is wakker geschud, wanneer gij in opregtlieid

des gemoeds en met naauwgezetheid des harten uw gansclie - leven voor Hem onderzoekt — aan Zijnen onfeilbaren maatstaf toetst; wanneer dan voor u oprijzen alle de heilige mannen Gods, die overigens menschen waren van gelijke bewegingen als wij zei ven, maar door de kracht der genade en des geloofs in strijd, in lijden en in overwinnen hebben uitgemunt; wanneer een geloovige in het licht van de Zon der gereg-

tigheid zijn gansche hart toetst, en zijne geheimste gedachten en zijne onbesuisde

woorden en verkeerde handelingen, wat kan hij dan anders doen dan in opregtlieid voor God bekennen, dat hij de voornaamste der zondaren is ? Het kan hem weinig deren wat anderen van zichzelven oordeelen, ja wat andereii van hem oordeelen. Hij heeft immers niet te oordeelen over anderen en menschen kunnen hem niet beoordeelen, omdat zij de verborgenste gedachten zijns harten niet kunnen lezen, en hem dikwerf zouden prijzen waai? hij te berispen was, en berispen waar hij behoorde geprezen te worden. Hij staat en valt zijn eigen heer, en hoe meer hij van ;de volmaaktheid van God doordrongen is, hoe meer hij tot dien God zal zeggen:

vragen één antwoord kunnen geven? Hij kan niet eii hij behoeft niet te antwoorden. Want er is één, die voor ons geantwoord heeft; voor Zijne heerlijkheid buigen wij ons in het stof, en zoo wij onzen mond openen, dan is het om ons zei ven te vernederen en Hem te verhoogen. Want wij weten, dat wij minder, niets moeten worden, en Hij wassen, alles in allen zijn. Van de eene zijde geregtvaardigd en heilig, en van de andere zijde arm en schuldig; hij die de voornaamste der heiligen is, was tevens, misschien was juist daarom de voornaamste der zondaren. Ci S.

Het Concilie te Rome,

>Ik ben ellendig, 'lioe zal ik op duizend

Volgens berigten van verschillende zijden afkomstig, werd er in de laatste week eene zeer ernstige poging gedaan om het dogma der on¬

feilbaarheid op eens te doen aannemen. Men trachtte een verzoek aan het concilie te rigten, om dat dogma af te kondigen, en verwachtte dat dit verzoek door eene overweldigende meerderheid onderteekend zoude worden. Zoo zij op

die wijze zich door hunne onderteekemngen had

den verbondeu, kon het later, dacht men, niet moeijelijk vallen, van de vaders toestemming te

verkrijgen tot al wat het hol van Kome kon begeeren. Immers men deed hen verklaren, dat het

concilie aan het geheele vraagstuk een einde zou maken door op de meest nadrukkelijke en onbewimpelde wijze te verklaren, dat het gezag van den paus het hoogste iSj en dat hij daarom vrij is van de mogelijkheid van dwalen, omdat liij zoowel in zaken van geloof als in zedelijkheid de wereld regeren en onderwijzen moet en den geloovigen zeggen moet wat zij gelooven en doen moeten, Een berigt luidt, dat twee aartsbisschoppen, verwachtende dat de grond volkomen toebereid was 0111 het zaad uit te strooijen, het bovengenoemde voorstel in het concilie" deden, doch niet volkomen stilzwijgen werden aangehoord.

Aller oogen ziin 011 Frankrijk gerist. Het is

bekend dat de eerste minister Ollivier tegen de bezetting van Bome door Fransche soldaten is,

of althans was'zoolang hij in de oppositie was

en de Italiaansche nationale organen meenen nu hierop te kunnen staat maken en te verwach¬

ten dat de minister uitvoeren zal wat liet 11a der oppositie zoo dikwerf en zoo krachtiglyk

heeft aanbevolen. Van de andere zijde spreken de pauseliike organen gedurig van Frankrijk, en

de groote offers die dat land gebragt heeft, en

de liefde die de paus hare regering toedraagt. Men -weet immers, dat Napoleon zijnen minister Rouher eens deed uitroepen: »Nooit zal Bome in Italië ingelijfd worden", en nu wordt dit nooit gedurig herhaald, hetzij om den keizer

zyne eenmaal gedane belette gedurig te nerinneren, hetzij om zich zeiven moed toe te spreken, daar men in Rome Frankrijks keizer toeh niet geheel vertrouwt, al geeft men in het openbaar hoog op van de zelfverloochening en standvastigheid van den oudsten zoon der kerk. Hoe weinig een concilie dat aldus door allo mogelijke staatkundige redenen wordt bestierd, onder de leidingen van den Heiligen Geest staat, behoeft niet aangetoond te worden.

Doch de vergaderde vaderen zijn dan ook in eene zeer moeijelijke positie. Zij zijn te Rome vergaderd, om öf zeiven een werk te doen dat buiten liet bereik is zelfs van 800 bisschoppen en aartsbisschoppen, of dat werk geheel over te laten aan den paus en zijne eigene mannen. Maar zoo de vaders in Bome zeiven het werk moeten doen, zal het nooit tot stand komen, omdat zij overvleugeld worden door de ge¬

beurtenissen van den dag; want terwijl zij dit of

dat trachten te onderzoeken en beslissen, vinden zij spoedig uit, dat intusschen deze of gene staatkundige vergadering, deze of gene natie

dn zaak veeds uitgemaakt heeft. Sedert drie¬

honderd iaren werd geen concilie gehouden en

in deze drie eeuwen is alles grootelijks ver¬

anderd en verandert gedurig, zoodat Kome deze veranderingen tegemoet gaan moet met zelve

veranderingen in te voeren. Van daar dan ook

dat het geheele dagelijksche leven van de Koomsche kerk, hare jaarfeesten, vasten, werk en godsdienstige gebruiken in discussie worden gebragt: Alle de middelen om tucht uit te oefenen, en wederom om dispensatie te verleenen moeten eenvoudiger en krachtiger gemaakt worden. De regelen der orden, hunne kleeding, levenswijze, gewoonten en wetten, voor privaat bezit en als een ligchaam moeten gewijzigd worden. De wijzigingen zijn noodzakelijk geworden, omdat de priesters hunne bezoldiging door den staat verliezen in bijna alle landen, zoodat zij van vrijwillige bijdragen moeten leven, die tot dusverre de grootste steun der ordens waren. Immers, zoo het volk zijne eigene priesters onderhouden moet, heeft het geen geld over voor de monniken en de broeders en zusters, die in den laatsten tijd zoozeer vermenigvuldigd zijn als de sprinkhanen in Egypte.

Dan komt het geheele werk voorde Oostersche kerken. Daar moet een verschillend werk verrigt worden, maar het is dan toeh werk. De bisschoppen zijn daar alles behalve naar den smaak van Rome, want zij genieten eene zekere onafhankelijkheid, hebben hunne bijzondere ceremoniën en ritus, hunne zendelingen en hunne schijnbare erkenning van den heiligen stoel, en hun aannemen van de bestreden geloofspunten en hun vieren van den Faaschdag op den door Rome bepaalden tijd, komt naauwelijks in aanmerking bij de finantieële kosten die het onderhoud dier kerken veroorzaakt. Dit moet veranderd worden, maar wie zal het doen, en hoe kan het gedaan worden? Het Concilie of de paus? Geen van beide kan het alleen doen, en beide te zamen zullen het moeijelijk tot stand brengen.

Het concilie kan het niet doen; want dit is immers geen werk te noemen, dat 800 personen te zamen zitten in prachtige kleederen, in eene groote en grootsche zaal en lange Latijnsche redevoeringen houden, waarvan men naauwelijks eene enkele zinsnede verstaan kan. De vaders wen-

sclien zeiven daarvan verlost te worden. 50—70

aanvragen om verlof zijn ingekomen, en een grooter getal wenscht eene maand vacantie te heb¬

ben, om een uitstapje naar het heilige land te doen. Het eenigste ~wat gedaan is , is dat vier comité's gekozen zijn, die alles moeten bepalen en bestieren. Zij zijn allen Jezuïten of vrienden

der Jezuïten. Aan het concilie zelf is ook van

de vastgestelde regelen niets overgelaten, dan Latijnsche redevoeringen te houden en te hooren. Natuurlijk wensehen de bisschoppeu liever te huis te zijn en in hunne paleizen te zitten, maar de paus verlangt ook niet dat zij blijven zullen. Al wat hij wenscht is, dat zij hem een votum van vertrouwen geven, op de eene of de andere wijze hem onfeilbaar verklaren, vier voorzitters benoemen, die het concilie permanent vertegenwoordigen, en aldus zijne handen schragen en hem meer gezag en magt dan ooit te voren toekennen. Men zal zorg dragen dat de woorden niet te sterk gekleurd zijn; want wie bekreunt zich om woorden, wanneer hij de zaak zelve krijgt? Van daar dat velen gedurig verkondigen , dat het dogma der onfeilbaarheid niet verklaard zal worden, en anderen wederom zeggen, dat het niet behoeft verklaard te worden, omdat het reeds bestaat. Beiden is waai-, men zal dus trachten door allerlei staatkundige intrigues een uitweg te vinden, in algemeene, onbestemde, rekbare uitdrukkingen, eu hierin zal Rome zeer zeker slagen. Maar wat moet men daarvan zeggen, zoo men dit noemt een algemeen concilie der kerlc van Christus, waarvan de Koning der waarheid het heilig Hoofd is? Neen, ik vergis mij, het is enkel een concilie der Boomsche kerk, waarvan de paus het hoofd beweert te zijn en

welligt is.

u. ö.

Over NedeilvindsclieBijbeluitgaven.

In nommer zeven van sVoor drie honderd

jaren" heeft Professor Doedes allerbelangrijkste

mededeelingen gedaan over Dovengenoema onderwerp. Tot mijn groot leedwezen moet ik hier herhalen, dat ik van de eerste zes slechts twee ontvangen heb, en wel een van Prof. Brill en een van Dr. Beynen. Ik twijfel er niet aan, dat ook de andere vier gewigtig en leerzaam zijn, maar ik heb ze niet ontvangen. Ik zeg dit uitdrukkelijk, omdat ik niet den indruk geven wil dat ik onverschillig ben voor den arbeid, door de andere uitstekende medewerkers verri'gt. Professor Doedes heeft dan in elk geval in weinige bladzijden den arbeid van vele jaren nedergelegd en in boeijenden vorm mij 'althans vele dingen geleerd, die ik óf in het geheel niet èf slechts zeer onvolledig wist. ° Hij zelf heeft de waarde van dien arbeid in deze woorden aangeduid: » Schoone bladzijden heeft onze geschiedenis, de geschiedenis van Nederland. Maar wat onze vaderen onder het Spaansche geweld door Bome's inblazingen geleden hebben, om den Bijbel te mogen blijven lezen; wat zij hebben geleden, om het Evangelie der zaligheid volgens de Heilige Schriften te mogen hooren; wat zij hebben geleden om Jezus Christus onzen eenigen Heer en Zaligmaker, volgens het Evangelie der Heilige Schrif¬

ten te kunnen belijden en re Kunnen uujven belijden; wat zij daarvoor hebben doorgestaan en daarvoor hebben gedaan in het midden der zestiende eeuw, de bladzijde die dit vei meldt, behoort zonder twijfel tot de schoonste. Het is waar, dat Prof. Doedes niet deze bijzonderheden ter sprake brengt, maar hij geeft ons gelegenheid als het ware met eigene oogen te aanschouwen, hoe het Nederlandsche volk. den Bijbel in die dagen heeft gewaardeerd, en vertalers en boekdrukkers gedurig er mede bezig geweest zijn om het volk van dien kostbaren schat te voorzien; hoe men in den beginne zich vergenoegd heeft met eenvoudig Luthers groote werk te vertalen, om allengs tot zelfstandigen arbeid over te gaan; en men kan de uittrekselen uit voorberigten en handteekeningen niet lezen zonder er van overtuigd te zijn, dat het een hoogheilige en heerlijke arbeid was, dien die edefe mannen hebben aanvaard, en dat zu ge-

Sluiten