Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870.

Een en Twintigste Jaargang.

Hm "

N" 4.

VOOK

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

"O-IN >ruüNn

Ps. CXVI: 10.

Vrijdag, 28 Jannarij.

Het geloof is uit liet gehoor.

Kom. X: 1.

De uitgave van dit Blad, onder Redactie van Dr C SCHWARTZ, geschiedt geregeld des Vrijdags van iedere week. Abonnementsprijs per kwartaal ƒ 1,50, franco per post ƒ 1,65. De Prijs der Advertentiën is van 1—5 regels/1,— Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DE HOOGE & C°. elke regel meer 15 Centen. - Groote letters worden naar de plaatsruimte berekend.

De geschoren gezanten.

Toen nam Hanun Davids knechten, en schoor hunnen baard half af, en sneed hunne kleederen half af, tot aan hunne billen , en liet hen gaan. Als zij dit David lieten weten, zoo zond hij hun te gemoet; want deze mannen waren zeer beschaamd. En de koning zeide : Blijft te Jericho, totdat uw baard weder gewassen zal zijn, komt dan weder.

II Sam. 2:4 en 5.

Nahas, de Ammoniet, is clen oplefctenden bijbellezer niet onbekend. In den beginne der regering van Saul belegerde hij Jabes in Gilead, en gaf den mannen van Jabes die hem aanzochten met hem een verbond te maken, dat hij dit doen zou, nadat hij allen het legteioog uitgestoken en alzoo schande op gansch Israël had gelegd. Saul haastte zich de bedreigde stad te hulpe te komen, en versloeg de Ammonieten (1 Samuel 10). De mannen van Jabes waren Saul zoo dankbaar voor de hun geschonken hulp, dat zy met levensgevaar de beenderen van Saul en zijne zonen van den muur van Beth-San namen, ze naar Jabes bragtten en aldaar brandden en op betamelijke wijze begroeven (1 Sam.

31: 11—13).

Ik vermeld dit opzettelijk, omdat dankbaarheid onder mensclien zoo zeldzaam is, en zij veel meer en veel beter en veel langer zich eenig onregt herinneren, dat zij hebben geleden dan weldaden, die hun bewezen zijn; want in den regel vergeten zii

deze zeer spoedig, zoo zij er niet over murmureren dat niet genoeg voor hen is geschied.

Doch Nahas schijnt zich vriendelijk gedragen te hebben jegens David in den tijd der verdrukking. Wij weten niet wat hij voor hem heeft gedaan, maar men kan gemakkelijk onderstellen, dat het leven van David gedurende zijne veelvuldige en lange rondzwervingen rijk was aan allerlei gebeurtenissen, die niet zijn te boek gesteld. Toen nu David hoorde, dat Nahas dood was en zijn zoon Hanun den troon had beklommen, zond hij een gezantschap van aanzienlijke mannen, om den nieuwen koning de deelneming van den heerscher van Israël over te brengen. Het is niet de eerste keer, dat m ^n Bijbel een gezantschap vermeld wordt; maar wel is het de eerste keer, dat het voor zoodanig doel werd afgevaardigd. Wij weten, dat de koning van Tyrus gezanten zond tot David, toen deze tot vorst over Israël werd benoemd; voorts dat de koning ïoï van Hamath gezanten tot David afvaardigde, om hem met behaalde overwinningen geluk te wenschen; dat Jephta afgevaardigden zond aan den koning van Ammon, om hem op het aan Israël gedaan onregt te wijzen. Voorts zonden de mannen van Gibeon tot Jozua afgevaardigden, voorgevende, dat zij van verre landen waren geomen ; de koning van Moab zond herhaalde keeren gezanten tot Bileam, om hem uit te

uoodigen tot hem te komen en Israël te vloeken, terwijl Mozes aan de koningen van Edoni en Hesbon afgevaardigden zond om van hen een vrijen doortogt voor Israël te verkrijgen. Deze zijn, voor zoover .ik mij herinner, de eenige voorbeelden, waarin vóór en na den tijd van David van gezanten voor verschillende aangelegenheden gesproken wordt. Alle deze gezanten waren, wat men thans zoude noemen buitengewone, dat is gezanten voor bijzondere gelegenheden en bijzondere omstandigheden afgevaardigd; want 9ewone gezanten, die aan het hof van een

ander vorst regelmatig -.vertoeven, zijn eene ®ur°pesclie instelling, die niet meer dan 300 jaren 0ud is.

De regten der gezanten, hunne bijzondere privilegiën, zoo als zjj aan }iun ambt verbonden waren, voor zoover zij de mogendheid die ze uitzond, vertegenwoordigden, en onder wier bescherming zij ook in het vreemde land stonden, waren ook in die oude dagen

bekend en erkend. Gezanten waren hierdoor als het ware onkwetsbaar, en voor elke beleediging in een vreemd land gevrijwaard, hoedanig ook huilgedrag mogt zijn. Zij waren in geenen deele. verantwoordelijk aan den koning of de wetten van het land waarheen zij gingen; zoo zij eenige oorzaak tot beklag gaven, dan kon de vorst weigeren ze te ontvangen of ze wegzenden of een beklag indienen bij de mogendheid die ze afgevaardigd had; maar gezanten te mishandelen of hun eene beleediging toe te voegen, werd evenzeer kwalijk genomen in den ouden tijd als in onze dagen.

Men kan dus gemakkelijk begrijpen, hoe diep verontwaardigd David was, toen hij hoorde, dat zijne gezanten, overigens achtenswaardige en aanzienlijke mannen, met zooveel onbeschaamdheid door den nieuwen koning van Ammon behandeld waren geworden, onder voorwendsel, dat zij gekomen waren om te zien waar het land bloot was. De hovelingen van Hanun hadden waarschijnlijk getracht, dit den koning diets te maken, en ofschoon het zeer wel mogelijk is; dat zij dit geloofden en dat zij daarvoor welligt

eenige reden vonden in de onlangs behaalde overwinningen en de onderwerping van naburige natiën kon evenwel de smadelijke behandeling die de gezanten hadden ondervonden, door niets verontschuldigd en nog

minder geregtvaardigd worden. Zij hadden ze uit hun land kunnen wegzenden, doch dit was voor de Ammonieten niet genoeg. Zij zonden ze niet weg zonder hunnen baard half te hebben afgeschoren, en den schoot hunner kleederen afgesneden, zoodat zij half naakt waren. Men wilde hen dus bespottelijk en verachtelijk maken. Eene zijde van den baard af te scheeren was zelfs nog kwetsender dan -den geheelen baard, ofschoon dit eene der zwaarste beleedigingen is bij die volken in het Oosten, welke een baard dragen. In den ouden en tegenwoordigen tijd wordt de baard door Perzen, Arabieren en andere baarddragende volkeren hoog in eere gehouden. Zij zeiven bewaren den baard voor alle vuiligheid en zorgen er grootelij ks voor. Elk haar dat uitvalt begraven zij, en den baard door een ongeval te verliezen zou bijna erger zijn dan het hoofd te verliezen, omdat het hoofd zonder den baard van zijn sieraad, zijne waardigheid, zoo niet van 'tgeen het tot hoofd maakt, is beroofd. Eens mans baard oneerbiedig aan te raken, ligtvaardig daarover te spreken of te bespotten is een beleediging die niet ligt vergeven en vergeten wordt, en den baard met geweld of list

af te snijden is een smaad, en onregt, dat

naauwelijks met het leven van den belee

diger verzoend kan worden. Daar de baard

O

het mannelijk van het vrouwelijk geslacht

onderscheidt, werd de baard allengs het symbool van mannelijke waardigheid en kracht,

en het ontbreken daarvan een teeken van verwijfdheid en zwakheid. Men kan dus

gemakkelijk denken aan welke bespotting

en dien ten gevolge aan welk hartzeer Davids

ongelukkige gezanten blootgesteld waren,

toen zij door het land der Ammonieten

huiswaarts trokken, hunne baarden half geschoren en hunne kleederen half afgesneden

Het is zonderling maar toch waar, dat ondeugende menschen door hunne lage streken een achtenswaardig man in eene bespottelijke positie kunnen brengen, en zoo

wij eerlijk zijn, moeten wij toegeven dat wij

zeiven, indien deze gezanten plotseling voor

onze oogen hadden gestaan, bij allen afkeer van elke laagheid en allen eerbied voor de

achtenswaardige mannen, toch een glimlach

niet zouden kunnen weerhouden. Het men-

schelijk hart is een zonderling iets, en in

geenen deele zoo eenvoudig en beslist als veelal ondersteld wordt; neen het laat de

meest tegenstrijdige gevoelens toe en vereenigt ze niettegenstaande alle protesten der geleerden en ongeleerden.

David, die een teeder hart had, wist zeer wel dat zijne gezanten onmogelijk die mannen zouden kunnen wederzien, die hen in dezen bespottelijken toestand hadden ontmoet, en zond een bode tot hen om hen te doen weten, dat zij niet aan het hof behoefden te verschijnen , maar vertoeven konden in de eerste stad aan deze zijde van de Jordaan^ Jericho, totdat hunne baarden wederom waren gegroeid. Doch aan de andere zijde begrepen de Ammonieten zeer wel, dat David de smadelijke bejegening zijner gezanten niet ongewroken kon laten voorbijgaan, eh hetzij dat David deze keer met de grootste bedaardheid, of de Ammonieten met bijzondere vlugheid handelden, genoeg, de Ammonieten waren in dezen oorlog van den beginne tot aan het einde de ophitsers en de gansche verantwoordelijkheid rust dus op hen. David van zijne magt bewust, bleef kalm als een magtige leeuw; maar wanneer hij eenmaal tot handelen besloot, was hij in zijne be¬

wegingen onweerstaanbaar.

Een zeer merkwaardige trek wordt in de¬

zen oorlog vermeld. De Ammonieten, die wel wisten dat zij alleen David niet over¬

winnen konden, huurden de hulp van Sy¬

rische vorsten en bragten deze huurlingen in den strijd. De vorsten waren waarschijnlijk gaarne bereid om den gemeenschappelijken

magtigen tegenstander te verslaan, maar de

Ammonieten betaalden de kosten van den

oorlog en bragten het verbond tot stand.

De kosten bedroegen duizend talenten zil¬

ver , dat eene zeer groote som is, vooral in die onde dagen; want het is niet minder dan 4,320,000 gulden; meer dan 32,000 wagenen werden, volgens het boek der Kronijken, gehuurd met de daartoe behoorende paarden en manschappen, en men kan dus ook gemakkelijk begrijpen, dat de magten van die vereenigde koningrijken eene groote uitgaaf eischten.

David was geenszins onverschillig, maar zoodra hij kennis kreeg van het gesloten verbond, zond hij Joab om de plannen der vereenigde koningen te verijdelen. Deze besloot om de vereeniging der verschillende afdeelingen te beletten. Met het beste gedeelte van liet leger rukte hij op tegen de Syriërs, en aan zijnen broeder Abisaï droeg hij het bevel op over dat gedeelte, dat tegen de Ammonieten bestemd was, met de uitdrukkelijke verklaring, dat de een den ander in geval van nood te hulp zou komen. Joab had zeer zeker groote fouten, en heeft vooral tegenover Abner allerjammerlijkst gehandeld, nogtans schijnt hij meer geloof gehad te hebben dan gewoonlijk ondersteld - wordt. Immers zijne laatste woorden tot zijnen broeder waren, toen beiden zich gereed maakten voor den geweldigen en gevaarlijken strijd: »Wees sterk en laat ons sterk zijn voor ons volk, en voor de steden onzes Gods; de * Heer nu doe wat goed is in Zijne oogen. (vs. 12)

Er is iets in deze woorden, dat aan de stemming van David vóór zijne ontmoeting met Goliath herinnert, en de uitkomst was niet minder schitterend. De gehuurde wagenen en de ruiters weken spoedig voor den krachtigen aanval van Joab en zijn leger, en zoodra de Ammonieten dit zagen en bevonden dat Joab zich bij zijnen broeder Abisaï had gevoegd, verloren zij den moed en begaven ziöh op de vlugt. Zij sloten zich op in hunne vestingen en trachtten de Syriërs nog eenmaal aan te sporen den strijd op nieuw te beginnen, welligt hun voorhoudende, dat zij niet genoeg hulp voor hun geld hadden ontvangen. De kleinen prinsen weigerden, doch de magtigste HadarEzer van Zobah , die zijne eigene grieven

tegen Israël had, bragt alle beschikbare manschappen bijeen , en wel zelfs van de andere zijde van den Euphraat. Het alzoo versterkte leger was magtig genoeg om een geheel koningrijk omver te werpen, te meer daar het door den schranderen generaal Sobach aangevoerd werd. Deze keer nam David zelf het opperbevel op zich. De Syriërs werden wederom geslagen, en Hadar-Ezers magt schijnt zoo volkomen verbroken te zijn geworden, dat hij niet verder in de geschiedenis wordt vernield. De Syrische vorsten trachtten nu zoo goed als zij konden vrede met David te maken en bekreunden zich weinig om de Ammonieten.

De geschiedenis van het ontstaan en den uitslag van dezen oorlog is op zichzelf leerzaam; want wij kunnen daaruit vernemen, hoe de vijanden van Gods volk steeds elkander de hand hebben geboden, om den Heer in de Zijnen tegen te staan en te vernederen. Zij hebben gedurig hun vertrouwen gesteld op de dingen, die zigtbaar en uit den mensch zijn, en hebben altijd uit het oog verloren den Onzienlijke, die in waarheid meer hulp verleent dan al wat menschen kunnen aanbieden. Maar dan mogen wij wel een stap verder gaan en herinneren aan de gezanten, die Jezus Christus, Davids groote Zoon en Heer, uitgezonden heeft met de boodschap van vrede en heil; en hoe werden de gezanten van dien grooten Koning ontvangen? Men behoeft slechts de

Handelingen en Brieven aer Apostelen, men behoeft slechts den lastbrief van Jezus zei¬

ven te lezen (Matth. 10), om zich te overtuigen, dat hunne bedoelingen werden miskend , hunne boodschap verminkt en hunne personen mishandeld. En die handeling, ze is volstrekt niet veranderd; want tot op dezen dag worden knechten Gods niet alleen door Israëlieten, maar ook door naamchristenen gesmaad en gelasterd, ofschoon in die gezanten van Jezus niet alleen zij, maar ook de Heer zelf, en de Vader, die Hem heeft gezonden, worden bespot. De «volken dan murmureren en de magten der leugen vereenigen zich te zamen tegen God en Zijnest Gezalfde. En zij vertrouwen op hunne getalsterkte, op hunne verschillende, welgeordende en gerangschikte strijdkrachten , en op hunne tact en hunne wijsheid, en op hun overste, en verder op den vorst der wereld. Doch Hij, die in den hemel zit lacht, Hij bespot hen in Zijne groote kalmte en onuitsprekelijke majesteit. Hem zijn de volken en de einden der aarde, allen moeten voor Hem buigen en allen voor Zijne majesteit bukken, hetzij geveinsdelijk, hetzij gewilliglijk. C. S.

Wat zegt gij hiervan?

Voor degenen, die eenigzins met den aard en de geschiedenis der Roomsche kerk bekend zijn, kan 'tgeen ik nu mededeelen wil, volstrekt niet vreemd zijn; want zij weten dat deze kerk aan Bah/Ion gelijk is, en moeten daarom van haaiden zin en de werken van Babyion verwachten. Doch juist dit wordt door velen geloochend, en zij gelooven, beweren thans dat wij te donker kleuren, en in onze verbeelding Rome dingen toedichton, waaraan zij zich nooit heeft schuldig gemaakt; en zoo zij dan nog toegeven dat het Rome der middeneeuwen groote ongeregtigheden heeft begaan en aan gruwelijke vervolging zich heeft schuldig gemaakt, dan nog verkondigen zij luide, dat het tegenwoordige Rome vrij is van alle ongeregtigheden, en dat Rome zelve de eerste zou zijn om hiertegen luide te protesteren. Wel herinner ik mij, dat ik in het jaar 1859 in de Heraut uiteenzette, dat de Roomsche kerk zoo zij de mfigt bezat — de wil ontbreekt niet, en vooral is het beginsel onveranderd gebleven, al zijn de omstandigheden en redenen van wijsheid, waarin Rome steeds uitmunt, togen eene onmiddelijke toepassing — de Protestanten in Nederland even als in den tijd der hervorming zou vervolgen. Dit werd mij doof de Tijd zeer ten kwade geduid, en ik werd beschuldigd van een onruststoker te zijn, en de Roomsche kerk van bedoelingen en beginselen te betichten, die volstrekt niet de hare zijn. Mjjn eenvoudig antwoord was: »Gij be¬

weert immers, dat uwe kerk onfeilbaar ' is en zich dus nooit heeft vergist, zoodat zij dan ook niet behoeft schuld te belijden, en allen die hare eischen, lioe hoog gespannen dan ook, verwerpen, als vijanden Gods beschouwt en behandelt. Indien nu de Roomsche kerk onfeilbaar is en in de vervolging, marteling en het verbranden der kettefs gehandeld heeft overeenkomstig Gods wil, hoe kan zij ooit zich deze dingen schamen, en hoe kan zij ooit anders handelen in deze * onze dagen, dan zij toen heeft gehandeld? Ketters zijn thans even als toen rebellen tegen God, en zoo de kerk zich in die dagen verpligt gevoelde, — immers men mag en moet onderstellen dat de kerk van Rome niet gemakkelijk noch gewillig tot zoodanigen stap is overgegaan — de ketters op allerlei wijzen en door de verschrikkelijkste martelingen op te sporen en van het leven zelf te berooven, waarom zoude zij nu niet hetzelfde om »Gods wil" doen? De kerk heeft dan ook, en dit strekt haar in zekeren zin tot eer, want consequentie moet men erkennen waar men haar ooit ontmoet, nooit schuld beleden noch zich de bloeddorstigste vervolgingen geschaamd, al vonden hare woordvoerders onder eene protestantsche bevolking vooral raadzaam deze dingen te verbergen of rondVeg te loochenen. Maar nu wordt eene poging gedaan, en zij zal zeer zeker gelukken, om den paus voor onfeilbaar te verklaren, zoodat in ronde woorden uitgesproken zal worden,* dat al wat de pausen op het stuk van geloof en zedelijkheid hebben beleden, de volstrekte waarheid behelst. Maar de pausen hebben deze vervolgingen herhaaldelijk goedgekeurd en bevolen, en hunne bepalingen zijn onfeilbaar, mogen dus noch tegengesproken noch ter zijde gesteld worden.

In het voorbijgaan zij hier aangemerkt, dat dit dogmatische vaststellen der onfeilbaarheid eene zeer zonderlinge zaak is. Indien deze leer tot dusver in de Roomsche kerk niet bestaan heeft, waarom wordt het thans noodzakelijk iets te. bepalen, wat gedurende 18 eeuwen niet is geschied en dat geen .der "onfeilbare pausen noodzakelijk heeft geacht? Maar indien het altijd heeft^bestaan , waarom moet iets, dat reeds bestaat, fiogmaals uitdrukkelijk verkondigd worden? Of de onfeilbaarheid heeft bestaan gedurende

18 eeuwen, en dan behoeft zij nu niet door een concilie bepaald te worden ; of de onfeilbaarheid is niet waar, hoe kan een concilie dan den paus onfeilbaar maken? Baitendien; indien het concilie de onfeilbaarheid des pausen zal verkondigen, moet het dan niet zelf onfeilbaar zijn, zoo zijne verklaring iets afdoen zal? Want iudiên het concilie zelf feilbaar is, wat beteekent het dan, zoo eene feilbare vergadering beweert, dat do paus onfeilbaar is? Zal de zaak voldoende zijn, dan moeten twee onfeilbaar .verklaard worden: Het concilie, dat de verklaring aflegt, en de paus, ten wiens gunste de verklaring wordt afgelegd. Maar nu, wie beslist, dat deze twee onfeilbaar zijn? Moet niet een derde zelfs onfeilbaar zijn, opdat wij onfeilbaar weten, dat de twee onfeilbaren wezenlijk onfeilbaar zijn? Maar het ergste van alles is, dat de eene pans somwijlen den anderen paus heeft tegengesproken, ja, dat twee, zelfs drie pausen tegelijk bestonden, en wederom, dat pausen en conciliën elkander hebben tegengesproken en de een den ander verworpen; welaan, wie is daö onfeilbaar ? En hebben wij dan niet gegronde redenen, om de gansche theorie van onfeilbaarheid van pausen of conciliën, als door de geschiedenis der pausen en conciliën zeiven veroordeeld, te verwerpen?

Doch gij vraagt mij misschien: „Hecht gij niet veel gewigt aan deze.geheele zaak, en houdt ge ons niet veel te veel bezig met deze dingen?" Mijn antwoord hierop is, dat, zoo de 800 bisschoppen 800 predikanten waren, die tot een kerkdag waren bijeengekomen, het betamelijk zou wezen, naauwkeurig na te gaan, wat deze mannen, die ondersteld moeten worden den toestand dor verschillende bevolkingen te kénnen, en hare belangen te behartigen, te zeggen hebben tot verbetering en verheffing des volks. Maar deze 800 bisschoppen met den paus bestieren niet slechts de talrijkste en magtigste der kerken, zoodat zij overal van zelf een zeer grooten invloed moeten uitoefenen , en wel te meer omdat zij altijd in gesloten gelederen voorwaarts gaan, maar zij beweren, dat hun de gansche Wereld behoort, en dat zij althans het regt hebben over alle Christenen, over allen die gedoopt zijn in den naam van Christus, te beschikken. Zij bemoeijen zich dus met en beschikken voor ons eu over ons, zonder ons te raadplegen, zonder ons zeiven slechts te willen hooren in het Concilie. Eii moeten wij dan niet eens naauwkeurig nagaan, wat aldaar wordt verhandeld en bésloten, voor zoover de geheimhouding, een kenmerk niet vau werken des lichts maar der duisternis, dit toelaat? C. S.

De onfeilbaarheid des pausen en de vervolging der ketters.

Allerbelangrijkste mededeelingen worden over dit zeer gewigtig vraagstuk door een Roomsche in de Times van gisteren gedaan. Ze geven de

Sluiten