Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870.

Een en Twintigste Jaargang.

^TEN SSTM ^ "

NSLfll

VOOR

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

Vrijdag, 18 Maart.

"tt-rx 13 ^njüxn

Ps. CXYI: 10.

'Jü iutga^ve van^it Bkd ^ Redactcur Dr. C. SCHWABTZ, London 5 Strathmore Gardens, Kenzington, W. geschiedt des Vrijdags. Abonnementsprijs per kwartaal ƒ 1,50, franco per post ƒ 1,65. — De Prijs der Advertentiën is van 1—5 regels ƒ 1,Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DE HOOGE & C°. elke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naar d6 plaatsruimte berekend.

Het geloof is nit het gehoor*

Rom. X: 1.

I>rie ontmoetingen.

h ^ ,nu de pont overvoer, om het nuis des koning over te halen, en te ' " wat goed was in zijne oogen, 'Oo viel Simeï, de zoon van Gera, neder jooi- ]lej aangezigt des konings, "'J over de Jordaan voer; en hij ide tot den koning. Mijn heer rede l m'"'- ^oe misdaad, en gej ,..,e niet, wat uw knecht verkeerelijk gedaan heeft, te dien dage, als Mijn heer de koning uit Jeruzalem uit8lng, dat het de koning zich ter harte oude nemen. Want uw knecht weet « zekerlijk, ik heb gezondigd; doch > *k ben heden gekomen, de eerste Va_n het gansche huis van Jozef, om fijnen heer den koning te gemoet af te komen.' 2 Sam. 19: 18-20.

Jeruza/U'^Jen -^8n ^erugkeer van Davicl naar zoow li eni| Schreven van hare voordeelige kan a S Van ^are nadeelige zijde. Men "root r ]Ue^ aan twÜfelen, dat David eene loir 6 (>yerW"ln'no had behaald over AbsaJiiet Z°°We^ a^s over Bichri, doch men kan ble °n^eillleri! dat de kiemen van tweedragt har t"1 ^es^aan en dat, al werd eene uitgezaaid^ °'' 00Senhlik belet, er wind werd ^ GU eer^ang storm geoogst. Op den Sime" 0U^mO6^e David in de eerste plaats ei, den zoon van Gera, die hem met zend man van Benjamin te gemoet ging. ':7J' man had, wij weten het immers, c"en oning bitter gesmaad en grootelij ks beleeigd, toen hij voor Absalom was vlugtende. Doch nu boog hij zich voor des konings aangezigt en bekende zijne schuld. Men nag twijfelen of dit wel ernstig gemeend was en Simeï wezenlijk zijn onregt heeft erkend; hoogst waarschijnlijk was hij, de ijverige aanhanger van het huis van Saul bevreesd voor. zijn leven en zijne veiligheid' en ij die onbeschaamd was toen Davids roon je reigd was, was nu even lafhartig t,eree »de eerste uit het huis van Jozef e zijn en zijnen heer en koning te gemoet a» te komen."

De verontwaardiging van Abisaï was zeer ^a uurlijk, want hij was getuige geweest van den smaad, die David aangedaan- werd, en in diepe verontwaardiging riep hij nit: »Zou dan Simei hiervoor niet gedood worden, oo hij toch den gezalfde des Heeren gevloekt heeft?" En David, die zelf den ver-

hidruk r/aUl had °ntzien Gn 6en diePeu waardth /aU ^ maJesteitder koninklijke zelf re ' mogt dat beroep als op zich zonde u ar g ei'keiinen en gevoelen, en ik J e bijna zeggen dat de verontwaardiging waarmede In'i rlo i.i ■ . ° 8'

ziob nn Q- • 7 i van Abisaï om

- P met wreke" afwijst, bewiist

_ Y 0 ORIUND E R E \

volgende

e ai me kinderen in Madrid.

in Spanj^wïlen h^ol-en-Swel"6 ie-lS Tan de kinderen onder mijne leiding waar ft""' -b er b'jna 300 vertellen kan. ' u menig staaltje van

aan orde te dofn ^gewennen °nS heel wat moeite hen ei oneerbiedig; maar door lWv? Waren zi-> bewegel'jk ben wij dit lélulS r°°, lletde en veel geduld heb-

H goede orde onder Ken TiW?"' en tbans heerscht 1'jke versjes en WVi„i ' i-* Zlngen reeds vele lieer[okt de ouders nft nn»i ï- ,meermalen te huis; dit *}• en hebbpu b'jeenkomsten eens te bezoe-

ondervonden n mf velen hunner grooten zegen onenrl ~ Op zekeren rl™

ÊWwA. _trof M p™ht*

Ik werdern W0°rfen;

dat ik ? veriansen,

DOVor. 1* ^ 1 Adill

innemend i roeuen . f.npn 7ni

fc vnlo-ortci nilnn

cu net)

ondervonden.

opeud ,—,

geS^.^^ken, en^Tmij hetpraëhÏÏg onbedui(jencie ' n®ne kinderstem op straat, het waren

ii ^erc* zoo voi-i ' ®aar de wijs was zeer mooi. dat ik . venaneend

OQyp i. « " XVltlliCil Z-clllifüJl llC hl VU,

innemend jongste P't roePen, en toen zag ik een lief

"injucu vaaer mpt 7- zijne woorden vooreen

Ik trachtte den KHlnfen ^ro°d verdienen moest.

naar de Zondagschool +n man te bewegen den jongen

[k zag hen beiden r)„ z®nden; dit beloofde hij, en

{jet Sind herhaaldeliikr ® straat voortgaan, terwijl hooren. eiu<taiaeiijk Zljne schoone stem deed

jezoclite stranT ïl on^moette ik hen in eene druk

eene yan'on" 00^®,^ m'inegroote verrassing

¥en kan zioh ,nrl% MP.^koosde versjes aanheffen.

maakte Tn voorstellen welk een indruk

^e'i een kie;n i.-, , midden van het gewoel der stra-

zo° liefelijk fp , •een blinden vader aan de hand,

"jk te hooren zingen:

tl K Hok T

Wie wee+e^US m^n en kracht.1

n-,-,— .r* uOftVPlon flnAv rlii- tvh.jm.

Wie weet v^US ^ 1S m^n en kracht

houden Zijn ' "e,cn «oor mt predikende gezang be §'J weet het fs ^,r,den van den eeuwigen food! wanl den t.» „.„,.1 'UK eene eenvoudige zn nlr nm k/ilt/M-i.

- — "Viuen* wil k l. • 1° , «tuuu-

Jezus te êoS behoeven mets anders te doen dan "er-i dan dat HM «n' al,weten wij niets meer van zu-len wij tot de 7HnS \er!ossen kan en Wll> 611 dan Jv' nneer Hii Ziinp behooren in den grooten dag, buis Jes Vaders? Pen zal binnenleiden in het

deze woorden weerklank in zijn hart hadden gevonden, en dat hij juist daarom zich te meer haast om het aanbod te verwerpen. »Wat heb ik met ulieden te doen?" roept hij uit, >gij zonen van Zeruja, dat gij mij heden tot Satan zoudt zijn? Zou heden iemand gedood worden in Israël! want weet ik niet, dat ik heden koning geworden ben over Israël?" Simeï te straffen 'zoude op dit oogenblik eene fout geweest zijn en zwakheid hebben getoond. Davids magt was op dit oogenblik zoozeer bevestigd, dat hij grootmoedig zijn kon zonder de belangen van zijn huis en troon te benadeelen. Het is buitendien niet onwaarschijnlijk, dat Davids hart wezenlijk tot medelijden werd gestemd door dit bewijs en deze bekentenis van schuld, en dat het onregt door Absalom, zijnen eigenen zoon, jegens hetn gepleegd, hem bewoog de verkeerdheden van vreemden met zachtmoedigheid te bejegenen. Misschien heeft ook het getal van duizend man, dat Simeï vergezelde, op Davids besluit invloed gehad, zoodat ook staatkundige redenen hem tot vergevingsgezindheid hebben aangespoord.

Het is niet onwaarschijnlijk, dat alle deze redenen te zamen, want het menschelijk hart is vatbaar voor de meest tegenstrijdige gevoelens, David hebben doen besluiten om het leven van Simeï op dit oogenblik te sparen. Toen echter later geene dezer redenen bestond, heeft hij aan Salomo den last om Simeis zonde te bezoeken opgedragen, en dus geenszins vergevingsgezindheid in den christelijken zin des woords bewezen.

Men kan deze geschiedenis naauwelijks lezen zonder zich de woorden te hèrinneren van Jezus tot Zijne discipelen, toen de Samaritanen Hem herbergzaamheid hadden geweigerd, en zij tot Hem zeiden: »Wilt Gij, dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale en dezen verslinde, gelijk ook Eliagedaan heeft?" » Gij weet niet,"luidt het antwoord van Jezus, »van hoedanigeu geest gij zij t. Wantde Zoon des menschen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven, maar om ze te behouden." (Lukas 9: 54—56). En Hij heeft ook later de Samaritanen niet verdorven, maar tot eene diep gezonkene arme Samaritaansche vrouw woorden des levens gerigt en haar met Zijnen vrede vervuld, en later door Zijne apostelen én evangelisten den Geest der genade en der liefde op hen doen nederdalen. Ja, als de Joden Hem bespotteden, lasterden, smaadden en een moorde¬

naar boven Hem hadden verkoren, heeft Hij

niet de hulp van engelen gevraagd en nog minder wrake over hen afgesmeekt, maar integendeel voor hen gebeden: »Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen/' En zoo diep was deze overtuiging ook in de harten der apostelen ingeprent, dat Petrus en Paulus beiden, het voorbeeld van Christus volgende, op de onwetendheid der oversten en van het volk tot verzachting van schuld wijzen. Petrus antwoordde het volk: »En nu, broeders! ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uwe oversten (Handelingen III: 17); en Paulus schrijft: »Indien zij ze (de wisheid Gods) gekend hadden, zoo zouden zij den Heer der heerlijkheid niet gekruist hebben." (1 Corinthe II: 8) Welligt is ook ons hierin een wenk gegeven, hoe wij met Israëlieten, die Jezus Christus verwerpen, ja, met allen die de boodschap des heils afwijzen, behooren te handelen. Wij zijn genegen slechts op hunnen onwil, op de hardigheid hunner harten te zien, en wij behoorden welligt meer te zien op hunne onmagt, hunne onwetendheid , en hen niet zoozeer aan te klagen als te beklagen. Een gevoel van diep medelijden en een gebed om geloof zouden voorzeker veel eerder hunne harten bereiken, dan een veroordeelen van hunne verkeerdheid. Doch ik mag niet vergeten, dat ik hier slechts met het leven van David en zijn gedrag jegens Simeï te doen heb. David heeft heerlijke hoedanigheden, niettegenstaande menige zwakheid en grove zonde, die ook zijn leven ontsiert; maar wat is ook hij, de koninklijke stamvader, vergeleken bij den zachtmoedigen, ootmoedigen, heiligen, hoogheerlijken Zoon en Heer van David? Voor Hem zijn allen als niets, minder dan niets, en de Heer schonk de Simeïs genade, en zonder Hem kunnen ook de Davids niet bestaan voor God.

Barzillaï, de Gileadiet, kwam ook af van Rogelim en toog met den koning over de Jordaan, om hem over de Jordaan te geleiden. Hij had den koning onderhouden toen deze zijn verblijf hield te Mahanaim, want hij was oud en weibedaagd. David noodigde hem uit om met hem naar Jeruzalem te gaan, opdat hij aldaar eene gelegenheid mogt hebben Barzillaï, de groote diensten, die deze hem gedurende den tijd zijner verwijdering had bewezen, eenigzins te vergoeden. Doch het vooruitzigt op het hofleven had niets aantrekkelijks voor den ouden goeden man.

Ik ben heden tachtig jaren oud," spreekt

hij tot den koning, »zou ik kunnen onderscheiden tusschen goed en kwaad ? zou uw knecht kunnen smaken wat ik eet en drink.... Laat toch uw knecht wederkeeren, dat ik sterve in mijne stad, bij het graf mijns vaders en mijner moeder."

Dit is een diepe aandoenlijke trek, zeer natuurlijk en vooral zeer Oostersch. Onze moderne beschaving maakt ons voor dergelijke dingen veel te onverschillig, en zoogenoemde sterke geesten roemen er in, dat zij er zich weinig om bekommeren, hoe en waar zij sterven, en het graf van een vader en van eene moeder wordt velen onverschillig. Niet alzoo in den eenvoudigen tijd, toen vader en moeder het middelpunt van het geheele leven waren. Zouden wij hierin niet ook een wenk mogen zien, dat Barzillaï aldaar wilde sterven, om even als Jakob tot zijne vaderen vergaderd te worden? En voorzeker zoude dit voor Jakob en voor Barzillaï onverschillig geweest zijn, zoo zij geloofd hadden, dat ons geheele leven met den dood eindigt; maar indien zij de hope der onsterfelijkheid hebben gehad, dan was het van het hoogst gewigt voor hen, met hunne vaderen vergaderd te worden. Een eeuwig leven moge dan niet zoo duidelijk in den beginne der geschiedenis des Ouden Verbonds als aanheteinde verkondigd zijn geworden, doch de voetstappen volgende vau Jezus Christus, die ons in de woorden: » God van Abraham, Izaak en Jakob" heeft leeren verstaan-: »God is niet een God der dooden maar der levenden mogen wij ook in deze verschillende wenken de aanwijzingen of aanduiding311 van een eeuwig leven opmerken.

Ten laatste ontmoette David Ziba, de knecht van het huis van Saul, met zijne vijftig zonen en twintig knechten. Deze man had goede reden om te komen. Toen David Jeruzalem verliet, vlugtende voor Absalom, was Ziba hem te gemoet gegaan met wijn en brood, en toen de koning hem naar zijnen heer Mefiboseth vroeg, zeide hij, dat deze te Jeruzalem was gebleven om van eene gunstige gelegenheid gebruik te maken en zich den troon te verzekeren. Toen David dit hoorde werd hij met toorn oveï de ondankbaarheid van Mefiboseth vervuld, en gaf liij de landerijen des meesters aan den knecht. Dit was een haastig besluit, en men zoude denken, dat David onder andere omstandigheden regtvaardiger jegens den zoon van Jonathan zoude hebben gehandeld.

Te Jeruzalem zocht Mefiboseth, die rouw had bedreven zoolang David afwezig was geweest, David op, die hem onmiddelijk toevoegde: »Waarom zijt gij niet met mij getogen, Mefiboseth?" Doch deze herinnerde hem dat hij kreupel was en evenzeer door Ziba was bedrogen geworden als David zelf. Het geheele voorkomen van Mefiboseth bewees dat hij waarheid had gesproken, en zonder twijfel gevoelde David dat hij hem onregt had gedaan. Mefiboseth was er slechts op gesteld 's konings welwillendheid te mogen genieten en bekende: »Mijn heer de koning is als een engel, doe dan wat goed is in uwe oogen."

David wilde niet toegeven dat hij zich vergist had, en geloofde welligt ook aan zgne koninklijke waardigheid te kort te doen, zoo hij zijne dwaling bekende; buitendien had Ziba zich jegens hem goed gedragen in dagen waarin anderen, die hij voor beproefde vrienden had gehouden, hem hadden teleurgesteld. Voeg daarbij dat hij op dit oogenblik genegen was alles te vergeven en met den mantel der liefde te bedekken, en gij begrijpt gemakkelijk dat hij uitriep: »Waarom spreekt gij meer van uwe zaken? Ik heb gezegd: Gij en Ziba deelt het iand." Deze beslissing was klaarblijkelijk onregtvaardig. Wantzoo hij Mefiboseth niet geloofde dan had hij alles aan Ziba moeten laten, die immers in dagen van benaauwdheid hem had geholpen, terwijl Mefiboseth hem had bedrogen. En zoo hij Mefiboseth geloofde, dan had Ziba voorzeker geen aanspraak op de helft van het land, daar hij David had bedrogen.

Voor David kan men slechts dit in het midden brengen, dat hij zich in eene zeer moeijelijke positie bevond. Hij had kort geleden twee magtige opstanden moeten onderdrukken, en ofschoon hij hierin was geslaagd, waren toch daarmede de zaden van misnoegen en wantrouwen geenszins uitgeroeid. Hij trachtte zoo veel mogelijk in eene goede verstandhouding met de verschillende partijen te geraken, en een man als Ziba was niet gansch onverschillig. Het was zeer zeker hard voor Mefiboseth, het land met een man te deelen, die hem op de meest pijnlijke wijze had vernederd en verdacht gemaakt; ja het was pijnlijk zulk een man in zijne nabijheid te moeten verduren; maar de koning gunde zich den tijd niet om de zaak naauwkeurig te onderzoeken, en wilde

-vooral niet op zijn haastig genomen be¬

sluit terugkomen. Mefiboseth handelde op eena

Baar _ zullen honderden en duizenden aanlanden, maar niet al/en! alleen die den Heere Jezus liefhebben. Lieve kinderen hebt gij Hem lief? zult gij daar zijn. Als gij zeker weet dat gij Hem nu liefhebt, dan kunt gij ook zeker zijn dat Hij u dan binnen zal leiden.

Nu zal ik u iets van een anderen jongen vertellen. Hij wilde zoo gaarne een Bijbel hebben, maar kon dien niet betalen, omdat die bijna twaalf stuivers kostte en hij maar vijf stuivers daags verdiende; hiervoor moest hij_ zich kleeden en voeden, zoo als de meeste kinderen hier in hun eigen onderhoud voorzien. Wat zou hij doen ? wat denkt gi] ?.... Hij nam veertien dagen lang voor zijn ontbijt niets anders dan een snede droog brood, en nam geen chocolade zoo als hier de gewoonte is; dit ontbijt was het beste dat hij den geheelen dag kreeg, en hij miste dien voedenden drank niet weinig, maar op hoop dat hij spoedig geld genoeg zou hebben opgespaard om eenen Bijbel te kunnen koopen, getroostte hij zich deze groote opoffering.

ïoen hij bij mij kwam met de aldus verkregen stuivers, durfde ik ze hem niet wedergeven, uit vreeze hem te beleedigen, omdat hij er zich zooveel van had voorgesteld den Bijbel te koopen, maar ik gaf hem dien met een hart vol dank aan den Heer en bewondering van dezen edelen knaap.

Een ander jongske, die Cerillas heet, verkoopt lucifers langs de straat. Zijne ouders zijn zeer streng voor hem, en als hij niet het bepaalde getal doosjes aan den man brengt, krijgt hij 's avonds niets te eten. Op zekeren namiddag dat hij zeer naar eenig avondeten verlangde, omdat hij den vorigen dag te weinig geld te huis gebragt had en daarom nog geen eten gekregen had, telde hij zijne doosjes na, en zag dat hij er nog 4 moest verkoopen, om goedsmoeds naar huis te kunnen gaan; hij verlangde zoo dat men er hem afhielp, en overlegde wat hij hieraan doen kon. Eensklaps schoot hem te binnen wat men hem op de school van Jezus gezegd had.

Hij ging een weinig ter zijde, knielde neder, daarin de straat, er. vraagde den Heer om hem te willen helpen deze 4 doosjes te verkoopen dat hij zijn avondeten mogt krijgen. Toen hij opstond kwam er een heer naar hem toe, die juist 4 doosjes ran hem kocht, en onze kleine vriend liep zoo hard hij kon naar huis met een hart vol van dank aan dien trouwen Heer, die hem zoo vriendelijk verhoord had.

Wij vraagden hem later, waarom hij niet gebleven was totdat er meer koopers kwamen, die hem meer hadden afgekocht.

,0," zeide hij, „ik had genoeg voor dien dag, en Jezus zou wel voor den volgenden zorgen." — Verwondert het u wel kinderen, als ik u zeg, dat ik dikwijls schreijende door de straten ga. De Heer Jezus wordt meer en meer geopenbaard hier in Spanje , dat is, wij zien Hem werken en daar is eene groote schudding hier onder de menschen; de Heer opent veler hïtrt. Als ik maar meer tijd had, dan zou ik u nog zoo heel veel meer kunnen verhalen, maar er is zooveel te doen! — Toch nog eenige bijzonderheden. Ik ken een jongentje, dat acht jaren lang ziek is geweest — bijna zijn geheele leven. — Zijn vader kwam in onze zamenkomsten door een liefderijk bestuur van God, want hij woonde zeer ver van ons af, aan 't andere eind der stad, en wij zouden hem anders niet hebben gevonden. Toen ik van dit arme kind hoorde, zond ik eiken, dag een mijner helpers in de school, die den Heer liefhebben, naar hem toe, om met hem te bidden en te lezen, en liet de kinderen van de rchool gedurig bij hem aan huis hunne versjes zingen. De vorige week ging ik hem zelf eens opzoeken. Ik vond hem in een kamertje op de bovenste verdieping, niet grooter dan 12 vo.et in 't vierkant; hier waren twee bedden, een voor de ouders en een voor den zieke, één stoel, eene kist en eene soort van stookplaats. Dit was al. Hier was de kleine lijder 8 jaar opgesloten geweest. Hij zag er zeer mager en bleek uit, en hij zal niet lang meer leven; maar o, wat een gelukkig kind! Hij heeft Jezus lief, hij heeft geloofd wat men hem van dien lieven Heiland heeft verteld en hij ondervindt het welk een Zaligmaker Hij is.

Ik las hem eenige verzen .voor uit Gods Woord, en zocht die gedeelten op, die op Zyn toestand het meest toepasselijk waren;, toen zongen wij een liefelijk gezang, waarmee hij, zooveel zijne stem toeliet, van harte instemde; weldra moest hij zwijgen, uitgeput van vermoeijenis. I}£ bad met hem en vraagde: „Hebt gij veel pijn, lieve jongen?"

„Ja mijnheer! ik heb zeer veel pijn, gisteren beproefde ik het op mijne knieën te gaan liggen, maar ik kon het geen oogenblik uithouden (hij had eene inwendige kwaal.)

„Ik werd zoo bedroefd, dat mijn hoofd zoo klopte, ik kon niet denken, en bad Jezus, die hoofdpijn van mij weg te nemen; ik werd er zoo moê van en dadelijk ging het over, en zoo dikwijls ik het weêr voel komen, ga ik weêr naar den Heere Jezus om bulp, en het wordt altijd onmiddelijk beter,"

„Gelooft gij dat de Heer m Zaligmaker is?"

„O ja, ik zing immers:

Jezus neemt de zondaars aan,

Mij ook heeft Hij aangenomen."

„Iiunt gij geduldig uwe pijn dragen?"

„Ja, ik denk maar gedurig, dat ik niets anders voor Jezus kan doen dan geduldig zijn, en al zou ik o zoo gaarne meer voor Hem doen, ik lean niet, en dat weet Hij wel."

In dat armoedige enge vertrek stonden wij allen vol eerbied om, het schamele bedje geschaard; wat had de Heer hier ruimte in dat hart gemaakt en hoe vervulde Hij Zijne belofte.

Een ander lid van onze kudde (die 416 personen telt, waarvan wij op goeden grond mogen hopen dat hunne namen allen opgeschreven zijn in het Boek des Levens) had eenige weken geleden een ziek kind. Toen de ziekte op het hoogst was, en de geneesheer geen hoop durfde geven op den uitslag van de crisis, was het kind bewusteloos; onze broeder knielde aan het bedje neder en riep uit den nood zijns harten tot den Heiland, om als het met Zijn wil overeenkwam, nog één enkel helder oogenblik voor zijn dochtertje af te smeeken; ep opdat hij zeker mogt zijn dat zij behouden was, _ vraagde hij, of het den Heer mogt behagen, hem hiervan een teeken te geven in het kind.

Toen hij opstond ging hij in eene nabijzijnde kamer, om lucht te geven aan zijn overkropt gemoed; maar naauwelijks daar gekomen, vernam hij een zacht

geiuia, ais liet snikken van zijn kind. Hij snelde naar de ziekekamer, en hoorde het lieve kind met eene zwakke, gebroken stem eenige regels uit een versje zingen, "dat zij op onze Zondagschool geleerd had: O hoe heerlijk,

Hoe begeerlijk.

Is de dienst van Jezus niet.

Haar gezigt straalde van vreugde, en van toen af is zij hersteld.

Ik heb dezen geliefden broeder, die tot onze evangelisten behoort, dit aan eene groote vergadering hooren 'verhalen, en ik wenschte wel dat gij den indruk eens gezien hadt, dien dit op al de hoorders maakte; men heeft steeds zeer ongunstig over de Spanjaarden gedacht, maar de Heer heeft het teedere plekje in hun hart gevonden en geroerd, en nu ondervinden zij dat er eene ledige plaats in hunne ziel was, die Jezus alleen vervullen kan.

Maar voor dit kleine mèisje had de Heer' wat te doen. Zoodra zii beter was ging zii weêr naar school,

en daar wij tot heden nog geene protestantsche scholen

konden oprigten (maar spoedig zoo de Heer wil, hopen wij het in Zijne kracht te ondernemen) zijn er slechts Roomsche; toch nam zij haar nieuwe Testament mede. De onderwijzeres vroeg haar wat dit voor een boek was, en zag het eens in. Toen zij het herhaaldelijk en naauwkeurig onderzocht 'had, vraagde zij aan de kleine Paz (zoo heette het kind) of zij haar zulk een boek kon bezorgen. O ja, zeide Paz, want papa preekt er driemaal elke weekuit in de G.straat No. 5; gij moet hem ook maar eens gaan hooren. Toen Paz te huis kwam en haar vader verzocht om een Bijbel voor haar schooljuf vrouw, nam hij er dadelijk één van zijnen voorraad af, schreef er een uitlokkenden tekst in, benevens den naam van de onderwijzeres, en zond haar dien terstond toe. Met dankbaarheid werd dit geschenk aangenomen, en van dien dag af wordt er in dio school eiken dag een gedeelte van Gods Heilig Woord gelezen. Dus werd de Bijbel in eene Eoomsche school, die door het gouvernement ondersteund wordt, ingevoerd door een jong onervaren meisje. Zoo werkt de Heer.

Paz is nu al zeer gelukkig, de jufvrouw bezoekt geregeld onze zamenkomsten, en spreekt dan met de meisjes over hetgeen zij gehoord heeft, en dus is er goede verwachting van den invloed voor de school.

En zoo zou ik kunnen verhalen van eene onzer vrouwelijke Evangelisten die haar werkkring vindt in de sigarenfabrieken, waar honderde vrouwen werken, die in droevige onwetendheid verkeeren. Antonia, die haar

nent te midden van deze duisternis tracht te doen schnnen, en reeds door menige vrucht van haren arbeid is verblijd, was zoo eenvoudig en krachtig in hare

feloofsbelijdenis, dat ik het n nog met weinige wooren moet mededeelen.

Toen ik haar vraagde of zij den Heer Jezus liefhad, zeide zij: „O ja, ik heb nu een geheel nieuw leven."

„Hoe ving dat aan in uw hart?"

fik begrijp niet wat gij meent," zeide zij.

„Hebt gij den Heer altijd lief gehad?"

„Neen, vroeger wist ik niets van Hem, maar toen ik hoorde dat ik niets behoefde te betalen, en zoo als ik was tot Hem komen kon, toen ging ik, en na dien tijd heb ik Hem altijd lief gehad."

„Bidt gij tot Hem?"

„O ja, onder mijn werk, te huis, overal."

„ Maar voordat ik uw naam in dit boek vaii lidmaatschap zetten kan, moet gij mij toch een of ander bewijs geven dat gij Hem toebehoort."

„Ik ben zeer onwetend," zeide zij; „maar al wat ik u zeggen kan is, dat als ik tid, dan voel ik dat God mij hoort."

Sluiten