Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870.

Een en Twintigste Jaargang.

N°. 12.

NEDERL APACHE STEM

VOOR

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

■<"» •= ^ Vrijdag, 25 Maart. Det seloof ls he' £«»r;,

De w»tgave van dit Blad. Redacteur Dr. C. SOHWARTZ, London 5 Strathmore Gardens, Kenzington, W. geschiedt des Vrijdags. _ Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DE HOOGK & C°.

Abonnementsprijs per kwartaal ƒ 1,50, franco per post ƒ 1,65. — De Prijs der Advertentiën is van 1—5 regels ƒ1,elke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naar d6 plaatsruimte berekend.

:<

BlJ W behoort een BIJVOEGSEL, inboiiChristelijke pers. . Honger en wraak.

Doch de koning verschoonde Mefibo" seth, den zoon van Jonathan, den zoon ^an Saul, om den eed des Heeren, die tusschen hen was, tusschen David en tusschen Jonathan, Sauls zoon. Maar üe koning nam de twee zonen van ™zpa, dochter van Aja, die zij Saul gebaard had, Armoni en Mefiboseth; waartoe de vijf zonen van Michals zusr> Sauls dochter, die zij Adriel, den zoon van Barzillai, den Meholathiet, gebaard had; en hij gaf hen in de nand der üibeonieten, die ze ophingen op den berg voor het aangezigt aes Heeren en die zeven vielen te ge■)k ; en zij werden gedood in de dagen van den oogst, in de eerste da&eo, in het begin van den gerste-oogst.

Toen Mn 1 (2 Sam' 21: 7—9,)

tro • Z^U6 deling1311 met zijn wan-

jj" , 11 JeoeBs David bekend maakte, uitte

ze merkwaardige woorden: » Hoort toch

Isaï2011^11 VaU zal ook de zoon van

Zal ^h" ^e^ac^er akkers en wijnbergen geven? en ^ U a^en ^ot vorsten van duizenden 22.°I!.r3ten van honderden stellen ? (1 Sam. • ) Waarmede hij te kennen gaf, dat

Hen T°°r ^6n zouc^e w^en noch kun, 611 doen, wat hij Saul ten hunnen be-

eye }jaci gedaan. Maar dan mag men 11 ijkerwij ze vragen, hoe kon Saul voor hen Zoo veel doen, van waar kreeg hij de middelen om hen van wijnbergen en akkers te v°orzien ? Voorzeker niet door veroveringen van naburige landen, want de Amaleleten woonden ver af," en het is niet waarschijnlijk, het is althans nergens vernield, dat hij hunne bezittingen altijd heeft bezeten en daarover beschikken kon. In het eigen land waren alle akkers onder de verschillende stammen en huisgezinnen verdeeld 11 on de grond niet dan. voor geld verbreS,en worden. Sauls regering was de eerste ïad Sra^' en er waren dus nog geene verni ^ ^ewees^> °P wier landerijen de kohp ac' kunnen beslag leggen. Zijne eigene zittingen waren onbelangrijk, en hij kon het aauwelijks wagen zijne onderdanen met ge-

Er ;; unne eigendommen te berooven. eet slechts eene enkele bron, waaruit , en ^oa' en het is niet onwaarschijn' at hij daarvan ruimschoots gebruik

heeft gemaakt.

het^b W6^en ^ llegen(le hoofdstuk van Gib ° Vaa ^ozua' dat de bewoners van Is arg^s^ge WÜze een verbond met

^ e hadden weten te verkrijgen, waardoor Trede en veiligheid werden gewaarborgd. n toen hun bedrog ontdekt werd, werden

de |Venwe^ gesPaard en gevoelden Jozua en a IsraeUeten zich verpligt, krachtens den

1„ , 6®. en eed > 01]a hen hunne steden en ^derijen te laten behouden, onder voor»»rde, dat zij door eenigen tanoer zeker. SWnge dansten aan de tent der getaige»» deden «rrigten. Saul sloeg hunne bestogen met een begeerig o„g g>de, da»

J hem eene gunstige gelegenheid aanboden,

Tooi°d g®makkeliJke wiJze zijne aanhangers te stel}6 1 ^ewezene diensten schadeloos te mak80 611 ^eVenS z®ne eigene familie rijk

gevonden' ^ daar dat onder een li^t

der voor V°orwendsel, of misschien ook zonen besla/wï1 Gibeonieten doodde,

■Wordt eezeo-d i°? ne eigendommen. Er ü " g6Zefd' dat hij dit deed »in zijnen voor de kinderen van Israël en Juda"

derl amT : 2)» en dit kan moeijelijk anom il"" aard worden, dan dat hij dit deed, afoo« 0 Cn da met de den Gibeoniten len }°ZeiX lander»en ^ verrijken. En veSaul ] i 611 waarschijnlijk dezen roof van

drukkel'"V ei&evauen > zoo zij hem niet uitWii w ,eillladrukkelijk hebben goedgekeurd, dat dl r en..immers uit het boek van Jozua,

Gibenv, ! ten het met de mannen van ll)eon gesloten — , , ,

on~„ , , - «CJ.UUUU abeeas mei ïeeae °gen beschouwden, en wel omdat zij niet

gaarne de steden en landerijen, die in het

beste gedeelte des lands gelegen waren, wil¬

den ontberen. En hoe langer hoe meer werden die akkers gewaardeerd nadat de Israë¬

liten grootelijks zich hadden vermeerderd en

het land in waarde rees. Daar eene der steden in Juda en drie in Benjamin lagen , zoo kon, toen de Gibeonieten werden uitgeroeid, niemand dan personen tot deze stammen behoorende, daarop aanspraak maken, en hoogst waarschijnlijk hadden mannen uit deze stammen deze akkers, en waren gaarne bereid om de Gibeoniten met de scherpte des zwaards uit dat land te verdrijven.

Op die wijze openbaarde zich welligt Sauls ijver voor Israël, (Benjamin) en Juda, en deze stammen, die zich dien roof en moord lieten welgevallen, maakten zich daarmede schuldig aan het verbreken van een oud verbond, gesloten met een sedert lang onschadelijk en getrouw volk, die sedert eeuwen Israëlieten waren geworden in hunne geloofsovertuiging en hun gedrag. Doch deze daad van geweld bleef niet onopgemerkt bij

Hem, die een gruwel heeft van ongeregtigheid, en het verbreken van trouw verafschuwt, en tot Wien het vergoten onschuldig bloed niet te vergeefs roept. Het is zeer waarschijnlijk, dat Sauls eigen gezin deel genomen heeft aan deze bloeddaad, en niet weinig van dezen roof zich toegeëigend heeft; want wij vinden dat zij allen toen zij tot het privaatleven moesten terugkeeren, in betere uitwendige omstandigheden verkeerden dan men zou kunnen verwachten, en dit te meer daar Saul's eigen landerijen aan David overgingen als heerscher, totdat hij ze aan Mefiboseth atstond.

Doch de bezoekingen Gods, des regtvaardigen Gods, van het gedaan onregt, hetzij over volken of over individuen, hoe lang dan ook uitgesteld, blijven niet uit, ook dan niet wanneer na langen tijd de overtreders zich voor veilig houden in het bezit van hunne met bloed bezoedelde goederen, en meenen dat alle gevaar voorbij is. Het" was alzoo in dit geval, naardien vele jaren voorbijgegaan waren, sedert Saul deze woorden in het begin van dit ons artikel vermeld, had geuit, en hij zelf reeds lang overleden was, en door David werd opgevolgd.

Er kwam een hongersnood in het land, die drie jaren duurde. David kon al ligt in het eerste jaar veronderstellen, dat de groote opschuddingen in het land, die een geregeld bemesten van den grond moeijelijk zoo niet onmogelijk hadden gemaakt, de oorzaak waren van de onvoldoende uitkomsten, die het land opleverde. En welligt ook werd door de korenhuizen, die hij overal in den lande had opgerigt, de nood minder gevoeld gedurende het eerste en tweede jaar. Maar toen in het derde jaar een hongersnood uitbarste, begon David in het voortduren en toenemen van den nood iets buitengewoons, den vinger Gods te bespeuren, en hij achtte het zijn pligt de getuigenissen Gods te raadplegen. Hem werd ten antwoord gegeven, dat het eene bezoeking Gods was, van wege het onregt den bewoners van Gibeon aangedaan. »Het is om Sauls en om des bloedhuizes wil," luidde des Heeren antwoord, »omdat hij de Gibeonieten gedood heeft." En merkwaardig is voorzeker de uitdrukking: »om des bloedhuizes wil;" want zij schijnt aan te duiden, dat het huis van Saul in deze treurige en onregtvaardige zaak meer bijzonder betrokken was en daartoe meer bijzonder had aangespoord , in de verwachting om daaruit grooter voordeel te trekken, omdat drie deelen van den roof in den stam van Benjamin waren gelegen.

Toen David dit hoorde, riep hij de Gibeonieten tot zich, om van hen te vernemen welke genoegdoening zij voor het geleden

onregt eischten. »Wat zal ik ulieden doen ? ' vroeg de koning, »en waarmede zal ik u verzoenen, dat gij het erfdeel des Heeren zegent?" Hun antwoord is onverbiddelijke wraakoefening, bloed voor bloed. De vele jaren, die sedert voorbijgegaan zijn, hebben hunne harten niet verzacht, en zij zeggen tot David: »Het was niet te doen om goud en zilver met Saul en zijn huis, ook is het ons niet te doen om iemand te dooden in Israël." Noch geld noch enkel bloeddorst is onze begeerte, maar wij verlangen als wraakoefenaars, of als bloedwrekers, dat het bloed onzer vermoorde broeders verzoend worde door het bloed van sommige der moordenaars en hunne nakomelingen.

»De man," zeggen zij, »die ons te niet gemaakt en tegen ons gedacht heeft, dat wij zouden verdelgd worden, zonder (of zoodat wij niet) te kunnen bestaan in eenige landpalen van Israël, laat ons zeven mannen van zijne zonen gegeven worden, dat wij hen den Heere ophangen te Gibea Sauls, o gij verkorene des Heeren." Zij willen dit doen te Gibea, de stad alwaar Saul zijne residentie plagt te houden, en die zonder twijfel door hen werd gekozen, om de straf des te nadrukkelijker en duidelijker te doen uitkomen.

David durfde hunnen eisch niet weigeren. Hg gaf hun zeven van Sauls nakomelingen.

Zij waren twee zonen van Saul van Rispah, dezelfde vrouw met betrekking tot welke Abner Isbosëth had gekwetst, en vijf zonen van Merab, de dochter van Saul. David had besloten Mefiboseth en zijne zonen om Jonathans wil te sparen, en de Gibeonie¬

ten gaven waarschijnlijk hierin toe, om hem niet te krenken en vergenoegden zich met deze afstammelingen zonder aan te dringen op het overgeven der naaste betrekkingen en erfgenamen van Saul. Ik vestig hierop bijzonder de aandacht, omdat het ongeloof ook deze zaak tegen David heeft misbruikt, en alles alzoo heeft doen voorkomen, alsof David deze gansche zaak slechts in stilte had beraamd, om dusdoende van de nakomelingen van Saul, wier invloed, zoo als hem onlangs was gebleken, nog sterk in den lande was, bevrijd te worden. Maar was dit het geval geweest, waarom zoude David dan de verre bloedverwanten hebben overgeleverd aan de Gibeonieten, en juist de naaste betrekkingen, die natuurlijk veel meer regt hadden op den troon, eu daarom des te gevaarlijker waren, hebben gespaard? Maar juist Mefiboseth en zgne zonen spaarde hij in het leven, ofschoon David, zoo hij arglistig had willen handelen, zich van de schijnbare beschuldiging van hoogverraad, die Zeba tegen Mefiboseth had ingebragt, had kunnen bedienen, om zich van dezen zoon van Jonathan en naasten erfgenaam van Saul te ontdoen. Er bestaat dan ook niet de minste reden om te onderstellen, dat David op arglistige wijze of met zelfzuchtige bedoelingen gehandeld heeft, integendeel heeft hij slechts aan den eisch der Gibeonieten toegegeven, en wel omdat liij verdere ellende van het land wilde afwenden.

Men heeft gevraagd: Waarom werd er wraak geëischt voor den moord der Gibeonieten, meer dan voor Sauls grooter onregt: het vermoorden der priesters te Nob? Het onregt , dit is ons antwoord, was in het laatste geval veel grooter, maar het volk van Israël was in deze zaak volstrekt niet betrokken, want geen der Israëlieten keurde het gedrag van Saul goed; daarentegen hadden Sauls huis en het volk deel aan den moord der Gibeoniten, tegen wie zij reedsi sedert lang grootelijks waren ingenomen geweest, zoodat zjj Saul daarin ondersteunden , zijn gedrag goedkeurden en vooral de vruchten van de gruweldaad zich lieten welgevallen.

Zonder twijfel kan men deze geheele tfaak

op openbaren regtsgrond verdedigen; evenwel kan men slechts met deelneming de mannen beschouwen, die de slagtoffers werden van eene openbare misdaad, waaraan waarschijnlijk geen hunner had deel genomen. Zij werden te Gibea opgehangen, en de Gibeoniten, tegen alle Israëlitische gewoonte en wet, die beval de|gehangenen vóór den avond van het vloekhout af te nemen, lieten de ligchamen hangen totdat zij gansch en al zouden verderven.

Dit was zeer zeker zeer onstaatkundig van de Gibeoniten, naardien zoodanig gedrag de gemoederen der Israëlieten, al konden zij niet tusschen beide komen , kon verbitteren. Er was echter een hart, dat niet loslaten wilde, en met vrouwelijke, moederlijke trouw over de ligchamen van twee der gedooden waakte, en wel liizpah. Zij vestigde zich op de rotsen en waakte over deze heen en weder geslingerde ligchamen, die allengs eene prooi des verderfs werden, en »zij liet het gevogelte des hemels niet op hen rusten des daags, noch het gedierte van het veld des nachts."

Het duurde waarschijnlijk eenigen tijd vóórdat dit bewijs van moederlijke liefde tot kennis van David kwam. Zoodra hij daarvan hoorde, achtte hij zich verpligt een einde te maken aan een tooneel, dat op zich zelf zoo pijnlijk en vooral voor een Israëlitisch gemoed zoo aanstootelijk was.

Hij liet de overblijfselen wegnemen en met de beenderen van Saul en Jonathan, die hij van Jabes in Gilead liet halen , werden al deze ligchamen met achting en eerbied

in een graf te Zela begraven. Wanneer men zich nu herinnert, hoezeer de Israëliten begeerden te rusten in de graven hunner vaderen en verdere betrekkingen, zoo als wij nog in de geschiedenis van Barzillaï hebben gezien, dan verkrijgt deze daad van David eene bijzondere beteekenis. Door de beenderen van Saul in het graf van zijnen vader Kis te doen rusten, eerde hij zijnen vijand ook nog na zijnen dood, en deed hij eene daad, die zeer zeker door gansch Israël op hooge waarde werd geschat.

Er is, men kan het niet en behoeft het niet te ontkennen, het een en ander in David, dat toont, dat ook hij een arm zondaar was; maar er is daarnaast ook wederom zoo veel edels, dat men gerust kan zeggen, dat niemand dan een kind van God dit had kunnen doen. Wij willen in geenen deele de zonden der geloovigen veront¬

schuldigen , maar wij willen ons tevens door de hun aanklevende gebreken, door de vlekken die zoo ligt zigtbaar worden, niet laten misleiden om het waarachtig edele in hem voorbij te zien, en ze op eene lijn met de kinderen der wereld te plaatsen.

Deze gansche geschiedenis maakt evenwel een smartelijken indruk te eener en een weldoenden ter anderer zijde. Smartelijk, omdat daaruit blijkt hoe elk gepleegd onregt, al heeft God lang met het voltrekken der oordeelen gewacht, toch op den door God bepaalden tijd en juist dan, wanneer het het minst wordt verwacht, wordt bezocht. Dit behoorde ons te meer aan te sporen om voorlig tig te wandelen en ons niet aan valsche gerustheid over te geven. Aan de andere zijde echter bewijst het, hoe Gods oog op allen, ook op de magtigsten , rust, en Hij ook de zaak der geringsten en eenvoudigsten en het hun gedaan onregt met barmhartigheid en getrouwheid gadeslaat. Wij kunnen Hem gerustelijk onze zaken aanbevelen en mogen, al konden wij het, ons niet zeiven wreken; wij zijn in elk opzigt gansch veilig in de handen van onzen God. Met David willen ook wij elkander toeroepen : » Wacht op den Heer , wees sterk en Hij zal uw hart versterken, ja wacht op den Heere!" C. S.

Eene geschiedenis der Pausen.

De Neue Freie Presse, een te Weenen verschijnend blad, geeft het volgend overzigt: ,/Van St. Petrus (ondersteld dat hij ooit in Eome is geweest) tot Pius IX, hebben er 297 pausen bestaan met inbegrip van 24 anti-pausen en een vrouwelijke paus 1), 19 verlieten Eome en 35 regeerden in vreemde landen; 8 regeerden slechts eene maand; 40 een jaar; 22 twee jaren; 54 vijf; 51 vijftien; 18 twintig en 9 slechts voor een langeren tijd. Van de 297 werden 31 als usurpanten en ketters verklaard. Yan de 266 wettige pausen stierven 64 een geweldigen dood, dat is te zeggen, 18 werden vergiftigd en 4 geworgd, en de overigen kwamen om op eene andere wijze. Onafhankelijk van de pausen te Avignon werden 26 pausen afgezet, verdreven en uit Rome verbannen; 28 konden zicb. slechts in Rome handhaven door de hulp van de vreemden 2). Van het geheele getal toonden 153 of meer dan de helft zich tot regeren onbekwaam; 6 hadden kinderen, niettegenstaande hunne beloften. Urbanus bekende zijne feilbaarheid en onderwierp zich aan de berispingen van het concilie. Victor VIII en Adrianus VI bekenden in het openbaar dat zij gezondigd hadden."

Men kan zich niet verwonderen wanneer het Weener blad tot het besluit komt, dat dit niet zeer voor de tegenwoordigheid van den Heiligen Geest onder de pausen noch voor hunne onfeilbaarheid pleit. Maar wat vooral merkwaardig is, is dat in Weenen't geen nog voor weinige jaren als een bolwerk der Ultramontanen werd beschouwd, zoodanige artikelen geleverd worden en in een der meest gelezen bladen. Men versta mij wel. Ik deel deze dingen mede, niet omdat ik geloof dat deze schrijvers de waarheid waarlijk liefhebben, en ik behoef naauwelijks hier te

herhalen wat ik telkens in de Heraut heb uiteengezet, dat ik niets goeds verwacht van een bloot roepen van No popery. Een negatief Protestantisme beteekent al zeer weinig, en de schrijvers van de Neue Presse zijn waarschijnlijk ongeloovige Roomsehen of Israëlieten, die onder den schijn van Rome aan te vallen, alle positieve godsdienst trachten in verdenkingte brengen. Ik deel deze dingen mede, omdat men van Roomsche of Ultramontaansche zijde onophoudelijk boogt op de heiligheid, heerlijkheid, uitnemendheid van Rome, en ons diets wil maken, dat alles goed zou worden , zoo de gansche wereldj onder de heerschappij des pausen werd gebragt. Welaan, hiertegen te protesteren is een heilige pligt, en daarom, en daarom alleen, deel ik deze feiten in de Neue Freie Presse mede. C. S.

1) Dit laatste wordt ontkend niet alleen door Roomsche, maar ook Protestantsche schrijvers, en de billijkheid eischt dit te vermelden.

2) Dit is van toepassing ook op den tegenwoordigen paus. Waar zoude hij zonder de Fransche soldaten wezen?

Veroordeeling van Dr. Döllinger door zijn bisschop.

De bisschop van Regensburg heeft uit Rome het volgende mandaat aan zijn vicaris-generaal gerigt:

»De hooghartige en schaamtelooze houding die de probst Döllinger, professor der Kerkgeschiedenis aan de Universiteit te Munchen, tegen den Apostolischen stoel en de te Rome vergaderde bisschoppen aangenomen beeft en de verkeerde en zeer verderfelijke leerstukken, die hij in zijne laatste geschriften openbaar gemaakt heeft, leggen ons den pijnlijken pligt op, de studenten der theologie van mijne diocese te verbieden, de voorlezingen van Dr. Döllinger te bezoeken, naardien mijn geweten mij niet toelaat, hun geloof aan een zoo gevaarlijken invloed bloot te stellen."

Dit is voorzeker een zeer merkwaardig besluit. Gedurende vele jaren heeft Dr. Döllinger als een der uitstekendste Roomsche theologen uitgemunt, en menigwerf heeft hij alle de Wapenen zijner groote geleerdheid tot het wederleggen en aanvallen van de Protestanten gebruikt. Men heeft steeds Dr. Döllinger als een pilaar in de Roomsche kerk beschouwd en nu wordt door den bisschop den studenten der theologie verboden, de voorlezingen van dien man te bezoeken, — dit is buiten twijfel allerbelangwekkendst. Eén ding echter moet men bekennen, dat Rome voor niets terug deinst. De leidslieden dier kerk hebben een bewonderenswaardigen moed, en in die stoutheid, die niets ontziet, ligt eene ontzettende kracht. Het is vreeselijk Rome te dienen. Zoolang gij slaafsch doet wat zij verlangt, zijt gij veilig, en kunt ge alles van haar verkrijgen; doch zoodra gij uwe eigene overtuiging hebt, en van haar durft verschillen en vooral haar hare gebreken aanwijzen , verplettert zij u met dezelfde ontzettende magt en verschrikkelijken ernst, waarmede zij u weleer heeft beschermd en gehandhaafd.

Hetzelfde is nu ook gebeurd met deu graaf de Montalembert, wiens dood in het laatste nommer van de Heraut werd medegedeeld. Er werd nu den 18den eene mis voor de zielsrust van den graaf gehouden in de kerk Santa Maria

Sluiten