Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870.

Een en^'Twintigste Jaargang.

NEDtt^ANDSCHE STEM

N°. 16.

VOOR

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

•= 'raam Vrijdag, 22 April. H«t floof 1» olt Hel jeh..,

Ps. CXYI: 10. do' J- t Kom. X:l.

1,6 uitgave van dit Blad, Redacteur Dr. C. SCHWARTZ, London 5 Stratlimore Gardens, Kensington, W. geschiedt des Vrijdags. Abonnementsprijs per kwartaal ƒ 1,50, franco per post ƒ 1,6a. De Prijs der Advertentiën is van 1—5 regels/1,Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DB HOOGE & C°. v elke regel meer 15 Centen. - Groote letters worden naar de plaatsruimte berekend.

israëls eu der Christenen Paaschfeest.

En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, liet beginsel der krachten in de tenten van Cham. En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen als een kudde, in de woestijn. Ja Hij leidde hen zeker, zoodat zij niet vreesden; want de zee had hunne vijanden overdekt. En Hij bragt hen tot de landpale zijner heiligheid, tot dezen berg, dien Zijne regterhand verkregen heeft. Enx Hij verdreef voor hun aangezigt de Heidenen, en deed hen vallen in het snoer hunner erfenis, en deed de stammen in hunne tenten wonen.

Psalm 78 : 51—55.

i.

Joden en Christenen vieren dezer dagen ■aasehfeest, en het dunkt mij nuttig te zijn, wijzen op hetgeen beiden gemeen hebben, en aiJus tot eene regte waardering V,'U1 dat dubbel-feest iets bii te dragen. Bei¬

den erkennen het Oude Testament als het ^roord van God, en zonder twijfel heeft Je2*s zich telkens op dit Woorcl beroepen, a^s getuigenis gevende aan Zijnen Persoon e& Zijn werk, en ten aanhoore van vriend ei1 vijand en van duivelen en engelen het gezag en de heerlijkheid der Schriften des Ouden Verbonds gehandhaafd. Israël behoorde daarom naauwkeurig te onderzoeken of niet Hij, die het licht der Heidenen is, ook de heerlijkheid is van Israël; en de Christenen, die Hem als de Zon dergeregtigheid belijden en in Zijn licht trachten te wandelen, moeten niet vergeten, dat Hij w de Koning der Joden. Beiden, Joden en Christenen bekennen, dat - het Israëlietisch Paaschfeest tot grondslag heeft het bloed van het lam, waarmede de deurposten werden besprengd; en zoude het nu niet billijk zijn te onderzoeken of niet in Jezus, het Lam »ter slagting geleid", de vervulling der geloften en de wezenlijkheid der schaduwen ls verschenen?

Ik wil ronduit bekennen, dat ik hiervan

i '

e meer overtuigd werd, daar ik laatstleden ^aturdag in het oosten van Londen tot een schare van Israëlieten sprak over hun Paaschfeest en daarna op Zondag tot'mijne gemeente °7er de opstanding van Christus. Deze zaak ls dunkt mij aller aandacht waardig, en alleZllls geschikt om Joden en Christenen nader elkander te brengen. Het Paaschfeest is °uder Israëls drie groote feesten ,• waarop het v°lk voor het aangezigt van Jehova moest verschijnen ^ het belangrijkste. Alle drie feesten staan in betrekking tot de geschiedenis zoowel als tot het land, en dezelfde God, die 'jle Majesteit in de natuur openbaarde en

wiens lof door de hemelen wordt verkondigd, openbaarde zich ook in de wegen Zijner Voorzienigheid en de woorden der Wet. Wanneer het volk zich tot Jehova keerde , en gewigtige veranderingen plaats vonden , werd, zooals in de dagen van Jozua, Hiskia en Jozia een plegtig Paaschfeest gehouden. En geen wonder, daar het Israëls geboortefeest is als volk, omdat de Joden door hunne verlossing uit Egypte hunne zelfstandigheid verkregen en eene plaats onder de natiën der aarde bekleed hebben. Maar evenzeer is de Opstanding van Christus het geboortefeest der nieuwe schepping, het onmisbaar fondament van het geheele gebouw, waarvan Jezus Christus de hoeksteen is.

Elk der twee feesten is rijk van inhoud

en schoon van beteekenis, en de onderlinge vergelijking levert een onuitputtelijke stof op en gij moet daarom niet meer dan enkele wenken verwachten, aanduidingen van een feest, dat in het geheele Oude Testament wordt vermeld en in de lofliederen der zaligen weergalmt. Beproeven wij thans ons te verdiepen en te verlustigen in de aanvankelijke bevrijding, door de Heer gewrocht, de voortdurende beivaring door hem geschonken en de volkomen verlossing, door Hem gewaarborgd.

Overeenkomstig het Woord des Heeren aan Abraham, was Israël gedurende eeuwen dienstbaar in Egypte, alwaar het naar lichaam en ziel werd vernederd en zoo diep zonk, dat redding onmogelijk scheen. En wel mogt men vragen, nadat het moordbevel door Pharao gegeven en onder het gansche volk uitgevoerd was geworden: vanwaar zal de verlosser van dit volk komen ? Des Heeren gedachten en wegen zijn voorzeker zeer wonderbaar, en Hij beschaamt de plannen der vijanden en verijdelt de aanslagen der tegenstanders op het oogenblik, dat zij vermeenen te hebben gezegevierd, en gebruikt henzelven tot het uitvoeren van Zijnen raad. Wij weten het immers, dat in het huis en

door de dochter van Pharao zelve de toe¬

komstige bevrijder van Israël werd opgeno

men en opgevoed, en dat de naam van Mozes, of de »uit het water getogene," Israël

in Egypte den triomf der majesteit en magt van Jehova aankondigde. Op Godes tijd werd. dan ook de bevrijder, aldus behouden

en toegerust, met eene boodschap tot Pharao

gezonden ; en hij die aanvankelijk weifelde en zijne bedenkingen met groote openhar¬

tigheid blootlegde, werd ten einde toe g

trouw bevonden, nadat hij zich van de hulpe des Heeren had vergewist.

Weldra traden Israël en Egypte, en Jehova en de afgoden het strijdperk binnen. De verlossing moest door middelen van bedwang verkregen worden. Negen keeren strekte'Jehova Zijne hand tegen Egypte uit en bezocht Hij volk en land met zware plagen. Nogtans liet Pharao, al verootmoedigde hij zich voor een korten tijd, het volk niet vertrekken. De tiende plaag werd aangekondigd, doch koning noch volk schenen daarop acht te slaan. Zij aten en dronken en legden zich neder te slapen, maar velen hunner ontwaakten nooit, en anderen ontwaakten slechts, om in wanhoop op de lijken hunner naaste betrekkingen te staren.

In het ontzaggelijk uur van den middernacht trekt des Heeren engel door Egypte s steden en dorpen, straten en huizen en treedt hij het prachtig paleis en de schamele hut binnen, en waar hij zijn voet zet, wordt de plaats met jammer en ellende bezocht. Het is niet eene pestilentie, die zonder mededoogen de bevolking tot een prooi des doods maakt, maar met ontzettende juistheid rigt de engel zijne pijlen tegen eene bijzondere klasse, en hierbij wordt noch prins noch bedelaar, noch nienSch noch beest gespaard. Hier ligt een kindeke rustig te sluimeren aan de moederborst ; het is haar eersteling en met teederheid waakt zy over elk zijner bewegingen, doch plotseling verbleekt het, wordt het koud, is het een lijk, en de moedervreugde wordt in onuitsprekelijke smart veranderd. Deze jongeling was der ouderen vreugde, want hij beloofde veel en aireede verlustigde zich des vaders hart in de plannen van grootheid en van eer, die zijnen zoon te beurt zoudeif vallen; doch deze hoop is al ras verijdeld, want hij is zijn eerstgeborene en de verderver heeft hem doodelijk aangeraakt. Bruidegom en bruid zitten te zamen vriendelijk pratende en met elkander beramende, wanneer zij voor het leven vereenigd zullen zijn; doch plotseling verstomt de bruidegom en verbleekt de bruid; de verderver heeft den man harer keuze aangetast en zij omhelst een lijk. Kreten van wanhoop weergalmen in gansch Egypte ; de Heer is ten oordeele opgestaan, en vorst en volk moeten bukken voor de majesteit van den God van Israël, dien zy geloofden te kunnen tegenstaan en wiens bevelen zij hadden getrotseerd.

hova en de afgoden het strijdperk binnen.

de Heer is ten oordeele opgestaan, en vorst en volk moeten bukken voor de majesteit

Doch in Israëls vreedzame hutten wordt

het Paaschfeest gevierd. Met het bloed van een lam, dat overeenkomstig Gods bevel reeds op den tienden dag der voorjaarsmaand werd "afgezonderd, waren de deurposten bestreken, en dit bloed sloot den verderver buiten. Israël was schuldig voor God, doch God had in Zijne barmhartigheid het bloed van het lam in hunne plaats willen aannemen, en zij deden zoo als God hen had bevolen, en zij geloofden God3 belofte. Al ligtelijk hadden zij kunnen denken, dat de Egyptenaars hen zouden bespotten, wanneer zij zagen, dat zy hunne deuren met bloed bezoedelden, of wel dat de Egyptenaren, het bloed ziende, argwaan zouden koesteren en tegen hen opstaan; doch zij dachten niet aan de Egyptenaren, maar aan Jehova's bevel en deden zoo als lien geboden werd. Jehovah, zoo konden de Israëlieten denken, kan ons redden ook zonder dit bloed, en zoo Hij het,niet doen kan zonder, kan Hij ons ook niet verlossen met het bloed van een lam; doch zij redeneerden niet met vleesch en bloed, maar geloofden Gods belofte, en zy werden behouden. Het volk zag op het bloed en het was hun een onderpand van Gods magt en getrouwheid; maar ook Jehovah zag op het bloed en Hij nam het aan met welgevallen, en de verderver ging de huizen der Joden, hunne eerstgeborenen sparende, voorbij. Alzoo' toog het volk uit op Gods tijd, en noch Egypte's vorst noch volk noch goden konden hen vasthouden. De ketenen waren verbroken , Israël was vrij.

De slavernij in Egypte was zeer drukkend,

en zij is toch het zwaarste niet. Zij drukt slechts op het ligchaam en is tijdelijk, en eindigt in elk geval met den dood. Doch wij allen zijn dienstknechten der zonde en worden met duizenderlei banden, grove en fijne vastgehouden. De vorst der duisternis, die tevens de vorst dezer eeuw is, is oneindig veel schranderder en magtiger dan alle Pharao's , en hij vindt zijne bondgenooten in ons eigen hart en in de wereld die ons omringt. Die vijand heeft alle krachten des ligchaams en der ziel vergiftigd en, leugenaar en moordenaar als hij is, van den beginne ten einde toe, ishij tevens onvermoeid in zijne aanvallen en strekt zich zijn invloed uit over het geheele leven, tot aan het graf; ja, zoo wij hem niet in den tijd worden ontrukt, verderven wij met hem eeuwiglijk. Israël gevoelde zijne ellende diep, doch velen die eene prooi van den vorst der

hel zijn, hebben geen besef van hunne gebondenheid en kennen niet de oorzaak van hunnen jammer, en zien daarom öf in het geheel niet uit naar redding, öf begeeren niet den regten Redder. Bezoekingen Gods worden veelal miskend en Zijne oordeelen verbreken niet, maar verbitteren de harten; de wet van Mozes kan ons doen sidderen, doch ons vrijmaken kan zij niet.

Vrijmaken kan ook ons slechts het bloed van het Lam; want ook wij hebben een pascha, een paaschlam voor ons geslagt, namelijk Christus. Van dit ons Lam waren alle lammeren in Egypte, in den tabernakel en de beide tempels geofferd, slechts eene schaduw van dat Lam heef't Jesaja, de evangelist-profeet, gesproken „ als het lam ter slagting geleid," ja dat Lam wordt ook in de hemelen door een tallooze schare geprezen als het Lam dat geslagt is. Zoodra met het bloed van dat Lam onze harten zijn gesprengd, zoodra Hij ons Pascha wordt, dan gaat ook ons de verderver voorbij, want er is geene verdoemenis voor hen die in Jezus zijn, want wie zal verdoemen? Christus is hier, die gestorven, ja wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter regterhand Gods is, die ook voor ons bidt. Dan zyn wij van de dienstbaarheid van Egypte verlost, verlaten wij het land der slavernij en worden wij veranderd in kinderen Gods, ons verblijdende in de vrijheid, waarmede Jezus Zijn volk heeft vrijgemaakt. De namen der twee redders kenmerken het verschil tusschen de twee testamenten. De naam: Mozes zegt, dat vóórdat

hij anderen redden kon, hij zelf eerst gered moest worden, terwijl Jezus beteekent, dat Hij van den beginne af de Verlosser van alle zonde is geweest.

Welk een zalige dag voor Israël, toen zij uit Egypte togen en vaarwel zeiden aan het -land der dienstbaarheid! Alle verdrukking en vernedering was ten einde, voortaan waren zij geene getuigen van afgodendienst, maar mogten zij den God der vaderen in opregtheid des harten dienen. Naar het beloofde land trokken zij, het land, geheiligd door het verblijf van Abraham en de offerande van Isaak, alwaar God onder den eik van Mamre zich had geopenbaard en des aartsvaders beenderen zijne nakomelingen verwachtten. Wel is waar ging hun weg door eene woestijn en moesten zij de vleeschpotten en genietingen achterlaten, maar de Heer hun God was met hen, Hij waakte over hen en beschermde hen bij dag en nacht, en zoo

VOOR KINDEREN.

Alleen in Londen.

Vsrvolff.

Dei tranen stroomden langs Oliver's wangen, terJHjl hij deze woorden las , en lierlas, en overluid erhaalde. Was dit dan zijn eigen kleindochtertje? ' elk een schat! Hij raakte met zijne hand de ®ollige wangetjes aan, om zich van de werkeliik-

61(1 tG OVGrt.llia'An cnilrfrp 1111 fl : O ITftPi* ! ?Pfron

1. _

Ildar! zep-pn iiom. Ir non frmiwp 11ÜL^

O "«ai.. . . V_/ VVCJ.JV VWJ- Ui W H xiAvicijj JVC

eer zijt Gij toch! Gij zult mij niet alleen a. e,n' kondt Gij niet; want hebt Gij zelf

™ geze8<l; Ik zal u niet begeven, Ik zal u ver aten? ^ Hoe hebt Gij voor mij gezorgd!" jeer vroeg ilx den mor„en was de oude Oiiver op c c ieen en druk aan 't werk. Hij staarde te ® Y.° verrukking op het lieve kindergezigtje;

en Dolly op eens haar kleine handje uitstrekte, en voor zij het waagde de oogen open te doen, 6 hond zocht te vinden, die kort in hare nabijheid was gebleven, loen ?,ij zijn kop tegen haar gezigtje voelde , waagde zij het even rond te gluren,

zei toen weifelend:...» Beppo , hoe heet die oude man ?

»Ik ben uw grootvader, lieveling!" zei Oliver zoo vriendelijk als hij kon.

t, *_ ®ij dan die grootvader, dien de lieve Heer hem'16n zei het kind, zich opheffende, om

met hare blaauwe oogjes eens goed in het oude gerimpelde gekat te zien.

voor Ibidt2"1 11 diezelfde grootvader daar Dolly »Dolly weet het wel (alsof zij het in zijne oogen

las) en nu wou ik graag opstaan." Zij sloeg hare armpjes om zijn hals en kuste hem, terwijl Oliver beefde van geluk.

Hij vergat den winkel en al wat er bij behoorde geheel en al, totdat hij er aan herinnerd werd door een luid geklop aan de voordeur.

Het was niemand anders dan Tony, die den ouden man begroette dooi: een zonderling gefluit en een ernstigen, verwijtenden blik. »Dat is wat moois," zeide hij, »iemand zoo te verschrikken. Ik voelde geen grond toen ik uw huis nog gesloten zag, wat zou er gebeurd zijn! Maar hoe gaat het met de kleine meid ?"

»Heel goed, dank, u mijn jongen," zèide Oliver vriendelijk.

»Haar moeder is zeker nog niet op komen dagen, hè ?"

»Neen, maar zij komt Vrijdag."

Tony knipoogde en zette een bedenkelijk gezigt; maar hij zeide niets voordat de ramen in orde waren gebragt en op hunne plaats gezet.

Oliver hield hem aan 't ontbijt, en toen het was afgeloopen haalde hij zijner dochters brief uit den zak en las hem aan Tony voor; de jongen luisterde met onverdeelde aandacht.

»Dan is zij heelemaal van u," zeide hij eindelijk met een diepen zucht, alsof hij teleur werd gesteld, smaar als gij er liever af wilt, dan geeft gij ze toch niet aan de politie, niet waar ?" vroeg hij met een opgehelderd gelaat.

»Neen, zeer zeker nooit!" zeide Oliver met nadruk. En komt haar moeder niet Vrijdag terug? Ik zou haar nu voor niets ter wereld willen afstaan, die lieve schat!

»Nu,". zei Tony, sik zal na Vrijdag nog eens even komen kijken, of haar moeder gekomen is.

Goeden dag. Dag, lief hartje! Dank u voor uw ontbijt," zeide hij"met eene gesmoorde stem; maar als ik weerom kom, dan is het alleen om wat van haar te hooren en niet om iets te krijgen."

' Olivers „Meester."

Het was al Vrijdag avond, en nog had Oliver niets vernomen van zijne Susanna. Eensklaps trad een brievenbode den winkel binnen en wierp een brief op de toonbank. Olivers' hart klopte hoorbaar toen hij bij het schemerlicht door de geopende deur het schrift zijner dochter herkende!

Deze meldde hem, dat zij met de vrouw vffn den kolonel als kamenier was mede gegaan. Zij had er niet het minste plan op, zeide zij, maar haar man had gezegd: »Och toe Susanna , doe dat, anders ga ik van kwaad tot erger;" dus had zij, als eene goede vrouw, zich verpligt gevoeld mede te gaan, vertrouwende dat vader wel goed voor Dolly zou willen zorgen.

Tony voelde een deel van deze verantwoordelijkheid, en toonde veel. belangstelling in de kleine meid.

Eiken morgen kwam hij eens naar haar kijken en nam dan als in 't voorbijgaan de luiken uit. Ook 's avonds kwam hij ze geregeld inhangen en van lieverlede werd het gewoonte, dat hij dan een uurtje bleef praten. Hij vond niets zóó heerlijk als op de groote kist bij de deur te zitten en naar Oliver te luisteren, die met de lieve Dolly op zijn schoot hun voor zat te lezen.

Die zes stille jaren, die Oliver in eenzaamheid had doorgebragt, had hij zooveel genoten van de gemeenschap met zijnen »Meester," dat hij inde

kalme overtuiging leefde, dat Deze een levende tegenwoordige liefhebbende vriend is , steeds gereed om naar hem te luisteren, en zijne kleinste zorgen te deelen. Was hij alleen, dan sprak hij gedurig tot den Heer, en was Tony bij hem dan kon hij niet van den » Meester" zwijgen, en sprak alsof Hij in hun midden ware. —

» Hij ziet zeker ook wel naar het kindje om ook," zeide Tony »als Hij bij u is."

» Ja zou hij niet," zeide Oliver met bijzonderen nadruk. Dien avond maakte Oliver een bedje onder de toonbank, en van dien nacht af sliep Tony daar. Op zekeren dag kreeg de arme jongen een ongeluk, en brak zijn been, toen werd hij naar een Kinderziekenhuis gebragt, en werd daar liefderijk verpleegd, tot hij weder in staat was naar Olivers' woning terug te keeren.

Het knopje begint te verwelken.

Na verloop van tijd was er eenige verandering in Dolly te bespeuren; eerst ging dit zóó langzaam, dat niemand dan hare moeder het had kunnen opmerken; langzamerhand, als ware het één voor één, verloor zij al haar speelsche kunstjes en grapjes en lieve uitnemende glimlachjes, gelijk een kind, dat een bundeltje veldbloemen heeft geplukt, al gaande, ze stuk voorstuk aan zijne hand kan laten oniglippen, tot ze tot de laatste toe op zijnen weg blijven liggen. Zoo ook ging het met Dolly, de bloempjes ontvielen allengs aan haar leven Toen de Kersweek aanbrak was het snerpend koud, en de Nieuwjaarsdag verscheen guur en doordringend. Tony had

s> vrij af' gehad en zich de weelde veroorloofd, drie taartjes te koopen, die hij als zijne tractatie mede naar Oliver's woning nam.

Niet weinig trotsch hierop trad hij het vertrekje binnen. Dolly zat op Oliver's schoot, digt bij den haard, haar hoofdje tegen zijn' borst geleund; dikke tranen rolden over het gerimpeld gelaat en vielen op de krulletjes der kleine neder. Beppo, haar trouwe vriend, stond tusschen Oliver's knieën het handje te likken, dat lusteloos aan haar zijde hing.

Haar oogjes waren gesloten, en hare wangen doodsch wit. Toen Tony een schrillen kreet van schrik uitte, en op zijne knieën vóór haar ging liggen, deed zij de oogen open, en stak haar smalle handje uit, om hem de wang te streelen. »Dolly is zoo erg ziek, Tony, o zoo heel erg ziek."'—■ » Zie eens hoe zij vermagerd is, Tony zeide Oliver, kijk dat armpje eens! zij wordt al minder en minder. Ik heb al mijne kinderen zóó zien wegkwijnen op Susanna na.

Zouden wij niet iets voor haar kunnen doen?"

»Ja," zei Tony, meteen veelbeteekend gefluister terwijl hij Dolly's hand stevig vasthield. »Ja, zij zullen haar in het ziekenhuis wel opknappen, ik heb er kinderen in zien komen, die wel tienmaal erger waren dan zij en die er heelmaal beter uitgingen. Laten wij haar maar dadelijk daarheen brengen, ik beloof u dat ze gauw weêr beter zal zijn, als zij daar maar eerst is.

Sluiten