Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870.

Een en Twintigste Jaargang.

NEDEELM^LHE STEM

N". 18.

VOOIt

"o™ is in2nxn

Ps. CXVI: 10.

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

Vrijdag-, 6 Mei.

Het geloof is nit het gehoor.

Rom. X: 1.

uitgave van dit Blad, Eedacteur Dr. C. SCHWARTZ, London5 Strathmore Gardens, Kensington, W. geschiedt des Vrijdags.! Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H.- DB HO O (IE & C°.

Abonnementsprijs per kwartaal ƒ 1,50, franco per post ƒ 1,65. — De Prijs der Advertentiën is van 1—5 regels ƒ1,— elke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naar de plaatsruimte berekend.

Het einde.

I.

Nu dan, roor de oogen van het gansche Israël, de gemeente des Hoeren, en voor de oogen onzes Gods, houdt en zoekt al de geboden des Heeren, uws Gods; opdat gijlieden dit goede land erfelijk bezit, en uwe kinderen na u tot in eeuwigheid doet erven.

1 Kron. 28: 8—10.

Allengs zijn wij de laatste dagen, om niet te zeggen de laatste uren van het leven van David genaderd. Met groote wilskracht en <le beslistheid der gaven van vroegeren leeftijd had hij de plannen van Adonia en de met hem verbondenen verijdeld, en Salomo, overeenkomstig de belofte aan Bath-

seba gedaan, en de aanwijzing door den Heer hem gegeven, tot koning doen uitroepen. Dit kon niet zonder groote krachtsinspanning gebeuren, maar deze inspanning zelve schijnt de energie en levenskracht van den koning te hebben opgewekt, en hem aldus m staat te hebben gesteld om nogmaals en wel voor het laatst in het openbaar te verschijnen en het vergaderde volk toe te spreken. Zoo mén aan ons guur en veranderlijk klimaat denkt, zoude men naauwelijks kunnen begrijpen, dat een man, zoo zwak als David, zich in het openbaar kon vertoonen en spreken in de vrije lucht zoo als hij deed; doch wij zijn niet in Nederland, maar in Palestina, eene liefelijke en Warme luchtstreek, en buitendien mogen wlj niet vergeten, dat een sterke wil veel, zeer veel vermag, en David reden had om v°or zich zeiven en voor Salomo het volk n°g eens toe te spreken. Hij had den Heere lri opregtheid gediend en Israël tot dien Qod trachten te leiden; was het nu niet eene ernstige behoefte zijns harten, om het v°lk de barmhartigheden Gods te herinneren, en ze tot getrouwheid aan den Gever van elke goede en volmaakte gave aan te sporen? Even als Mozes, toen hij zijn einde Voelde naderen, de leidslieden van Israël en het volk rondom zich vergaderd^; even als Jozua hen al de leidingen Gods herinnerde , alzoo wilde voorzeker ook de stervende David nogmaals Jehova groot maken in tegenwoordigheid van het volk. Voorts was het voorzeker van groot gewigt

voor Salomo, door den ouden koning aan het volk als hun door God zeiven en Zijnen grijzen dienaar gegeven vorst te worden voorgesteld; reden genoeg om David aan te sporen en tevens in staat te stellen, zijne laatste krachten in te spannen en te doen wat in de twee laatste hoofdstukken van het eerste boek der Kronijken wordt verhaald.

De toespraak van David munt uit door groote eenvoudigheid en heilige opregtheid, en men kan naauwelijks de vrijmoedige en teedere bekentenis van den ouden vorst en dienaar des Heeren lezen zonder diepe beweging des harten. Het eerste vers van het acht en twintigste hoofdstuk maakt den indruk van eene met opzet bijeengeroepene plegtige vergadering, en de koning erkent haar als zoodanig door op te staan en

staande op zijne voeten haar toe te spreken. De oversten des volks, en welligt het geheele volk noemt hij »mijne broeders," waarop volgt: j)en mijn volk," gevende ook in deze een voorbeeld van Hem, die ook na Zijne opstanding uit de dooden zich niet geschaamd heeft Zijne apostelen » Zijne broeders" te noemen, en die ook na Zijne verhooging ter regterhand der Majesteit zich alzoo met Zijn volk vereenzelvigde, dat Hij in hunne benaauwdheid wordt benaauwd en vervolgd wordt in hunne vervolgingen.

Met groote rondborstigheid bekent David, dat hij het voornemen had opgevat om een huis ter eer van Jehova te bouwen of, zoo als hij het noemt, »voor de voetbank der voeten onzes Gods" — een heerlijk voorregt voorzeker voor een vorst en volk, om aldus vereenigd te zijn in de gemeenschappelijke belijdenis van God als hunnen God — en dat hem deze zijne begeerte, ofschoon hij alles in gereedheid had gebragt, werd geweigerd, omdat hij een krijgsman was en »veel bloed vergoten" had, eene reden, die in 2 Samuël 7 door den profeet Nathan niet uitdrukkelijk wordt vermeld.

Voorts geeft hij van alles de eer aan God. Immers Hij heeft den stam van Juda tot voorganger onder de stammen van gansch Israël, en wederom het huis van Jesse onder de geslachten van David, en in het huis van Jesse den jongste der zonen, en nu ook wederom onder de vele zonen, die de Heere aan David had gegeven, Salomo verkoren,

» opdat hij zitten zou op den stoel des koningrijks des Heeren over Israël." Hiermede wordt aan den mensch alle eer ontnomen, maar dan ook een vast fondament verkregen voor het huis van David, waardoor alles rust op de grondslagen door Jehova zeiven gelegd en het koningshuis en koninklijk gezag niet steunt op iets dat uit den mensch,

maar op 'tgeen uit God zeiven is. Deze God belooft met Salomo en zijn huis te handelen als een vader met zijnen zoon, en zijn koningrijk tot in eeuwigheid te bevestigen.

Br is echter eene voorwaarde daaraan verbonden ; want God eischt, zoo als Hij deed bij het verbond op Sinaï gesloten: gehoorzaamheid aan Gods geboden van het gansche volk. Eu het kan ook niet anders zijn. Immers onder het verbond der werken is de verpligting eene wederkeerige en wordt het vervullen der belofte noodzakelijk afhankelijk gemaakt van het gehoorzamen aan de bevelen van God, zoodat het voor God zeiven, om zoo te spreken, onmogelijk wordt Zijne beloften gestand te doen, indien de voorwaarden door Hem gesteld en door het volk aangenomen, worden veronachtzaamd. Van daar dat de wet, heilig en volmaakt in zichzelve, toorn verwekt, voor zoover zij de volkomene openbaring is van Gods wil en dus den zondaar alle verontschuldiging ontneemt, zonder hem evenwel in staat te stellen aan de regtvaardige en onverbiddelijke eischen der wet te voldoen. Alzoo wordt de wet, die gegeven is om eene oorzake des levens te zijn, eene oorzake des doods, en wordt zij slechts dan eene levenskracht , wanneer zij ons van onze onmagt overtuigt en naar Hem doet uitzien, die de wet voor ons heeft vervuld, of met andere woorden een tuchtmeester wordt tot Christus.

Daarna rigt David het woord tot den aanstaanden koning, dien hij in tegenwoordigheid van het vergaderde volk met groote teederheid en heiligen ernst toespreekt. »En gÜ i mijn zoon Salomo! Ken den God uws vaders." Zalig voorregt alzoo den eigen zoon te kunnen wijzen op den God zijns vaders, op Hem, die dezen vader met Zijne barmhartigheden heeft gekroond en met Zijne zegeningen heeft achtervolgd, en dien de vader zelf volgaarne als zijn God heeft erkend en beleden en gehoorzaamd en verheer¬

lijkt. Dien God te kennen, daartoe vermaant de koninklijke vader den koninklijken zoon. Het heeft God behaagd zich op menigerlei wijze te openbaren en Zijnen hoogheiligen persoon en wil aan ons bekend te maken, zoodat Hij in Zijn woord en door de getuigenis des Geestes gekend kan worden. Van natuur hebben wij deze kennis niet, en zoo wij dien God waarlijk kennen willen, en niet een geest of een spooksel, het bedenksel onzes verstands of onzer verbeelding voor een god willen houden, dan moeten wij God leeren kennen zoo als Hij zelf zich bekend heeft gemaakt. Daarna wordt ook Salomo vermaand niets te veronachtzamen, maar integendeel alle middelen, die God ter zijner beschikking heeft gesteld, te gebruiken, om Hem te kennen zoo als Hij" is. Want deze kennis is niet een bloot afgetrokken weten, maar leidt tot de dienst van God; ja zoo wij Hem niet dienen, dan blijkt daaruit tevens, dat wij Hem niet kennen. Kennis en dienst van God gaan hand aan hand, ja wij bewijzen Hem te kennen, zoo wij Zijne geboden houden. Niemand kan God dienen, die Hem niet kent, en omgekeerd niemand kent Hem, die Hem niet dient.

»Dien Hem," spreekt de stervende vader, »met een volkomen hart." Niet met een verdeeld, wispelturig, twijfelend, maar met uw gansche hart, gevende Hem alles wat Hem toekomt en niets terughoudende aan Hem, die u zoo rijkelijk heeft gezegend en u zulke groote beloften heeft geschonken. En voorzeker, nadat God zich heeft geopenbaard, niet slechts als de God van David, maar als de God en Vader van Hem, die Davids Zoon en Heer is, en Zijne barmhartigheid gebleken is daarin, dat Hij niets heeft gespaard en met eene volkomene liefde ook Zijnen eeniggeboren Zoon voor ons in den dood heeft gegeven, wordt het te meer ouze pligt of roeping Hem te dienen in alles en met alles, voor vrienden en vijanden, voor hooger geplaatsten en ouder hen die met ons op gelijke lijn staan; met een woord: Hem te dienen met een volkomen hart. Wij weten immers, dat Hij in de wereld gekomen is niet om zich te laten dienen maar om te dienen, en dat Hij in wonderbare zelfverloochening en goddelijke zelfvernietiging van de krib tot aan het kruis

arme zondaren gelijk wij zijn heeft gediend. Nadat wij deze openbaring des Vaders en deze dienstvaardigheid des Zoons hebben aanschouwd, kunnen wij, wenschen wij Hem te dienen met een volkomen hart.

Met een volkomen hart, luidt de vermaning , »en met eene willige ziel/' God heeft in vrijwillige liefde zich aan ons geschonken, en Hij verlangt en verwacht, dat wij Hem met eene gewillige ziel, niet gedwongen, maar williglijk zullen dienen. Allen moeten God dienen, en ook zij die zich het meest tegen Hem verzetten en al hunne krachten inspannen, om Zijne bevelen tegen te werken, moeten Zijne bevelen ten uitvoer brengen. Het verontschuldigt noch vermindert de zwaarte hunner overtreding, want zij doen het niet opdat God verheerlijkt worde, integendeel zij staan Hem , voor zooveel in hen is, gedurig tegen, en zouden volgaarne Zijne gedachten verijdelen; maar het verheerlijkt God, want het geeft Hem de eer en bewijst dat alle zonde kwaad en bitter en dat het even dwaas als ijdel is, Gods raad te willen keeren. Alle knieën zullen zich voor Christus moeten buigen en huns ondanks Zijne heerlijkheid en hunne schuld en dwaasheid moeten bekennen. Zijn naam wordt aan allen ook in hunne diepste ellende geheiligd, maar er is een groot verschil in de wijze, waarop God gediend en verheerlijkt wordt. Hij wordt geheiligd door, van of aan ons, Hy wordt gediend door ons tegen of met onzen wil, in hetgeen David van Salomo vraagt, en de Heilige Geest door David van ons eischt: »Dient den God uws heils met eene willige ziel." Nu is het waar dat God zelf beide in ons werken moet: »het willen en het doen;" want wij kunnen in waarheid niets zonder Hem doen; nogtans blijft de vermaning van kracht: »Met eene willige ziel."

Gij kunt Hem buitendien niet bedriegen, daar Hij uw hart doorgrondt en weet wat daarin omgaat. En zoo gij Hem zoekt, Hij is gereed om zich van u te doen vinden, en in Hem hebt ge de kracht die u steunt en staande houdt, zoodat ge tot elk goed werk bekwaam zijt, en daarom sterk u in den Heer uwen God, en doe 'tgeen Hij van u vraagt en waartoe Hij u bekwaam maakt. Naauwelijks is het noodig hierbij te voe-

VOOR KINDEREN.

Een bezoek op «Ie Zondagschool.

Lieve kinderen, wilt gij eens met mij deze Zondagschool binnengaan en eens luisteren wat er verhandeld wordt? Ziet eens welk een aantal jeugdige vrolijke gezigtjes en welk een liefelijk gezang komt u tegen. Het zijn deze woorden:

„God heb ik lief, want die getrouwe Heer

Hoort mijne stem, mijn smeekingen, mijn klagen.

Hij neigt Zijn oor, 'k roep tot Hem al mijn dagen, Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer."

Nu zegt één der onderwijzers:

»Ik zou zoo gaarne eens weten, of gij allen den Heer waarlijk lief Hebt, kinderen. Wie van u heeft Jezus lief?.... die steke de hand omhoog."

Er werden vele handjes opgeheven en een der kleinste jongens deed dit regt van harte.

>Wel Sipkens, waarom hebt gij Hem lief?" . s Omdat de Heer voor mij gestorven is om mij m den hemel te brengen."

»Juist, mijn jongen, dat is de ware reden, want als^ wij Hem ooit liefhebben, dan is het omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad, en voor ons een wreeden dood gestorven is, opdat wij niet verloren zouden gaan »naar de helle," waar wij allen verdienden heen te gaan, omdat wij zondaars zijn. Maar gaan wij nu allen naar den hemel' als wij sterven, jongen?"

,Ja, ja, neen," kwam van alle kanten; maar W:n jonske zei zacht en ernstig: al wie op Hem vertrouwt, mijnheer."

»Zoo is het mijn kind, Jezus stierf om arme schuldige ^ zondaren te redden; het doet er niet °e, of zij 0U[| zjjn 0f jongt ^et er slechts

hartaan ^em ver':rouwen hun geheele

! 11 eene geschiedenis vertellen, die u dit

duidelijk zal maken."

»Vele jaren geleden was er in een gedeelte

n de s ad Londen een zeer naauwe gang of eeg. De huizen aan weerszijde waren zoo hoog,

dat er nooit een enkele zonnestraal binnenkwam. Er woonde eene menigte huisgezinnen in deze enge steeg, in sommige huizen wel zeven of acht gezinnen, en als ik u nu zeg, dat er dertig huizen in stonden, dan kunt ge ligt begrijpen, dat zeer vele mensehen hier een droevig, somber te huis vonden. Nooit zag men hier eenig voertuig doorgaan, want de straat was te naauw; vier personen zouden niet naast elkander zich hierdoor hebben kunnen bewegen.

/,Op zekeren nacht, dat alles in rust was, en de vermoeide bevolking in het schamel leger vergoeding had gezocht voor de afmattende bezigheden van den dag, werd op eens een schrikwekkende kreet vernomen, die velen uit hun slaap wekte en eene menigte menschen voor hun geopend venster bragt; allengs werd het geroep herhaald uit aller mond en nam de ontzetting steeds toe, want wat was er gebeurd ?"

»— Er was brand ontstaan in een dezer huizen brand in zulk eene naauwe plaats, waar

geene bluschmiddelen konden worden ingebragt, en met zoo groot gevaar om de andere huizen aan te steken, die digt in de omgeving stonden.

//Alles was spoedig op de been; sommigen beneden in den gang, om zoo mogelijk het vuur te stuiten, maar dit gelukte niet, want zoo als ik zoo even zeide, geen beduidend blusch middel kon het huis naderen.

» Dus hadden de vlammen vrij spel rondom het oude huis, zij flikkerden er langs en over heen en verteerden de beschotten en trappen, zoodat het in een oogenblik half was vernield. Men meende zeker dat de bewoners het huis hadden verlaten, en stond als verstijfd van schrik, toen op eens het geluid van eene klagende kinderstem werd vernomen : »0 vader, vader, help mij, o ik bid uhelp mij!"

//Er viel niet aan redden te denken. De vrouwen in de straat snikten en gilden, de mannen wrongen in vertwijfeling hunne handen, want het was een vreeselijke gedachte de twee achtergebleven kinderen in het brandende huis te laten omkomen.

»Juist op dit oogenblik kwam een forsche

man den gang insnellen, en zoodra hij den brand zag, schreeuwde hij de aanschouwers toe: »Waar zijn mijne jongens? waar is Willy, waar Johan?" Het eenige antwoord, dat hij kreeg, was een dof klagend geluid uit het brandende huis. In een oogenblik zag hij in hoe het stond. Hij begreep in welk gevaar zij verkeerden en drong het huis binnen; helaas de trappen waren voor de vlammen bezweken, en er was geen ladder in den gang te vinden. Zijne handen in wanhoop wringende, hief hij zijne stem op en weende, maar toen de kreet: » Vader, vader, help, help," zijn oor weder binnendrong, schoot hem eene gedachte te binnen. Als een waanzinnige stoof hij het huis aan de overzijde binnen, en ijlde den trap op tot aan de kamer, die vlak over het vertrek lag waar zijne kinderen zich bevonden, en het venster uitrukkende sprong hij onversaagd over in het raam aan de overzijde. Hij nam de bevende kinderen in zijne armen, drukte ze aan zijn hart en overlegde met zichzelven hoe hen te redden.

Met beiden overspringen, dat ging niet, — één achterlaten?... onmogelijk; —• tweemaal de reis te maken?... hiervoor was geen tijd meer; —ze naar beneden werpen?... 't was zoo ijzingwekkend hoog; ■ overwerpen in t andere raam?... wie zou ze opvangen? ze mogten zich bezeren; — wat dan?... Ja jongens, wat denkt ge, dat hij deed ? Hij zette hen beiden in de vensterbank, sprong toen over, strekte zijne forsche armen zoo lang mogelijk uit, boog zi°h voorover en greep met beide handen den dorpel van het raam, waar de kinderen liem wachtten; hij had zijn ligchaam aldus tot eene brug gevormd. Hierop riep hij den jongste toe."

»Johan, mijn jongen, gij vertrouwt u wel aan vader toe, hè?"

//Ja, vader," snikt het kind.

_//Loop dan over mijn rug, en wees niet bang, mijn jongen, denk nu aan niets anders dan aan wat vader u zegt, spoedig! vertrouw mij maar."

En hoewel het arme kind zeer bang was, toch wist hij dat hij zijn sterken, krachtigen vader vertrouwen kon; dus zette hij moedig zijn voet op

diens rug en liep langzaam en veilig over tot aan de andere kamer. //Haast u, Willy, nu gij! spring op mijn rug, er blijft ons nog maar een enkel oogenblik over;" want reeds hadden de vlammen de kamer bereikt, waarin de oudste jongen nog toefde, en de steeds toenemende rook dreigde hem te verstikken. Willy sprong op vaders rug vol vertrouwen, en snelde langs deze door liefde gevormde brug naar de veilige zijde. Ook hij bereikt behouden den overkant. De menigte in den gang begon luidkeels te juichen, toen zij zagen wat er gebeurde, maar weldra werden zij met nieuwen angst vervuld toen zij den gevaarlijken toestand" van den vader gewaar werden.

Hij kon zijne handen niet loslaten, omdat zijne voeten het kozijn naauwelijks raakten veel minder omklemden, en daar het raam onder zijne handen begon weg te branden, was er aan geene redding te denken. Toen de vlam zijn hoofd begon te naderen, had hij slechts tijd om zijnen kinderen toe te roepen: //Johan, Willy, mijn jongens, vaartwel, God zij met u!" En stortte naar beneden.

Toen men hem van de grond optilde was hij dood, verpletterd!

„Ja, zeide ^ de onderwijzer, die liefhebbende vader stierf om zijne kinderen te redden, die hem ook

liefhadden; maar Jezus stierf om zondige ongehoorzame menschen te redden, die Hem niet liefhadden, ja zelfs nu nog niet liefhebben. Is het niet wonderlijk, als wij bedenken dat Hij den liemel verliet, en een sclirikkelijken, wreeden dood aan het kruis is gestorven, om ongehoorzame menschen en kinderen met booze zondige harten zalig te maken?

De kinderen waren diep getroffen door dit verhaal; het was als zagen zij dien vader daar over dien gang gebogen, en zij konden zich niet onthouden te schreijen bij de gedachte aan zijnen vreeselijken dood. De onderwijzer bad den Heer om wijsheid, om hun deze zaak nader te verklaren en zeide: ;/En nu, lieve kinderen! wie heeft Johan en Willy gered? Konden zij dat zeiven."

»Neen, meester, hun vader heeft het gedaan."

//En hoe kwamen zij in veiligheid ?"

»Door over hem heen te loopen," antwoordde eene menigte stemmen.

»Waren zij dan niet bang voor vallen?"

_ wEen klein beetje wel," zeide een jongen, »maar zij vertrouwden hun vader geheel en al."

„Maar jongens, als zij nu hun vader eens niet genoeg vertrouwd hadden, wat zou er dan gebeurd zijn ?"

/.Dan zouden zij in het huis verbrand zijn," zeide eene enkele stem.

^ ,z Juist, en zoo gaat het ook met onze zielen, zij kunnen niet gered worden, als wij Jezus niet vertrouwen en ons aan Hem overgeven.

z/Een brandend huis is eene vreeselijke plaats om in te zijn; maar de Heer zegt, dat de goddeloozen zullen gaan in de eeuwige pijn, en dat zijn wij allen,, want er staat geschreven: „er is niemand die goed doet, ook niet een." Maar daarom kwam Jezus op aarde uit den hemel, Hij werd een kindeke, later een mensch, en toen Hij aan het kruis stierf, toen was het om onze zonden te dragen en in onze plaats gestraft te worden. Hij heeft die straf geheel ondergaan, zoo als ge in het 53ste hoofdstuk van Jesaja leest.

>Dus is Jezus onze Brug geworden, en al wie Hem vertrouwen wil, kan door Hem in den hemel ingaan, zonder voor den dood en de verdoemenis

te vreezen. Het doet er niet toe hoe ondeugend gij ook geweest zijt, lieve kinderen, de gezegende Heiland zegt dat, als wij Hem vertrouwen, Hij onze harten geheel rein en nieuw maken zal in Zijn kostelijk bloed. Och, lieve kinderen, vertrouwt Hem toch, dan zal Hij u zeker zaligmaken.

>En om nu eens te zien of gij goed begrepen hebt wat ik gezegd heb, zal ik u een paar vragen doen.

»Wie redt ons van de eeuwige pijn en brengt ons veilig in den hemel?"

Uit aller mond klonk het: »Jezus!"

„En wien redt Hij?" ging de onderwijzer voort.

» Goede menschen," zeiden enkelen.

»Die Hem liefhebben," zeiden sommigen.

Maar eenige lieve stemmetjes zeiden : «Iedereen, die Hem maar geheel vertrouwen wil, meester."

Sluiten