Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870.

Een en Twintigste Jaargang.

N°. 21.

^ EENE Jl STEM

VOOR

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

Ps. CXVI: 10.

Vrijdag, 27 Mei

Het geloof is uit het gehoor.

Kom. X: 1.

■De uitgave van dit Blad, Eedacteur Dr. 0. SCHWARTZ, London 5 Stratlxmore Gardens, Kensington, W. geschiedt des Vrijdags.

Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DE HOOGH & C°.

Abonnementsprijs per kwartaal ƒ 1,50, franco per post ƒ 1,65. — De Prijs der Advertentiën is van 1—5 regels f 1,elke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naar d6 plaatsruimte berekend.

Blijdschap.

I.

En de zeventigen zijn wedergekeerd met blijdschap, zeggende: Heere! ook de duivelen zijn ons onderworpen in uwen naam. En Hij zeide tot hen: Ik zag den Satan, als een bliksem, uit den hemel vallen. Ziet, Ik geve u de magt, om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands, en geen ding zal u eenigzins beschadigen. Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uwe namen geschreven.zijn in de hemelen.

Lukas 10: 17—20.

Wie onzer wil een edel, heerlijk, ja het verhevenste werk, dat zelfs in den hemel zoodanig erkend wordt, verrigten? Laat eöi dan leven als een Christen. »Een Cliris' is de hoogste titel en de verhevenste rang, die ook daar geldt, alwaar de dingen, Personen en toestanden gewaardeerd worden, Dlet zoo als zij aan ons bekrompen verband maar aan den wijzen en alwetenden eeuwigen God toeschijnen. Want een Christen is een man, die verlost is van al wat vernedert, en vervuld is met al wat verheft, Sered van de slavernij der zonde en veranderd in een kind van God; een Christen beeft toegang tot den troon der genade, en tan aan zijnen in Christus verzoenden Vader

al de behoeften zijns harten openbaar maten, in de kinderlijke blijmoedige verwachting, dat Hij zijn zuchten hoort en genadiglijk verhoort. Een Christen onderhoudt gemeenschap met zijnen Heer, wetende dat Hij over hem waakt en in zijne behoeften doorziet. Een Christen plaatst alles in bedekking tot zijnen Verlosser, van wien hij 111 alles zich afhankelijk gelooft, en aan wien steeds alle eer toekent. Hem vertrouwt tij en tot Hem leidt hij de zielen, want bet is zijne blijdschap aan de doodkranken den Medicijnmeester, aan de gevangenen den Bevrijder, aan de schuldigen een Pleitbezorger, aan de gevallenen Hem aan teprijzen, die hen °°k uit de diepste ellende kan optrekken ea tot koningen en priesters maken.

Welaan wat deden de zeventig, welke Jezus. Haar het voorbeeld van Mozes in de zeventig °uderlingen had verkoren, even als Hij twaalf aPostelen met het oog op de twaalf stammen van Israël verkozen had, toen zij van hunnen togt terugkwamen? Zij hadden den last ontvangen, als boodschappers van het Evangelie des vredes in de huizen te gaan, en wanneer een kind des vredes aanwezig ^■s, zou hunne boodschap niet liefde ont¬

vangen worden en tot zegen verstrekken, en zoo niet, dan zoude de boodschap tot hen terugkeeren en tegen hem, die het woord des levens had afgewezen, getuigen. Hun werd gelast overal met ootmoed en zelfverloochening te getuigen, zoodat hunne hoorders gemakkelijk konden begrijpen, dat zij niet hunne eigene eer of voordeel zochten, maar integendeel zich zeiven verloochenden om hunnen Meester groot te maken en de zielen hunner hoorders tegen het dreigende gevaar te waarschuwen. Voorts werd hun geboden de zielen en ligchamen te genezen, zonder evenwel te vergeten, dat zij slechts dienstknechten waren, niet hun maar des Heeren woord te verkondigen, en daarom ook niet hunne eer maar de eer van Hem te zoeken, die hen gezonden had. In deze weinige woorden is dan ook het regt en de verpligting van predikers en hoorders duidelijk uitgesproken.

Immers predikers mogen nooit vergeten, dat zij niet in hun eigen naam komen, maar slechts in den naam van Hem, die hun den last gegeven heeft Zijn wil bekend te maken, zoodat zij dan ook het in hen gestelde vertrouwen teleurstellen, ja eene zware verantwoordelijkheid op zich Iaden, zoo zij iets voegen bij 'tgeen zij gelast werden te verkondigen, of de bun opgedragen boodschap verzwakken, door het een of ander naar hun eigen goeddunken weg te laten. Niet alle waarheden behoeven te gelijkertijd en allen verkondigd te worden, want de Heer zelf heeft op velerlei wijzen en op verschillende tijdperken onderscheidene waarheden geopenbaard; maar nooit mag iets anders dan Gods waarheid gepredikt worden. Van de andere zijde echter is hiermede het gezag der prediking gewaarborgd. Indien de predikers hunne eigene meening, hoe schrander en juist dan ook, uitspreken, zou men haar ligt als de uiting van een menschelijk en daarom bekrompen verstand kunnen verwerpen ; doch nu moeten predikers toezien, dat zij met gepasten eerbied en tevens met vrijmoedigheid en gezag Gods raad verkondigen, en hoorders moeten toezien, dat zij niets aannemen dan wat God zelf hen heeft gelast.

En de zeventig gingen uit zonder aarzelen , ofschoon zij wisten dat zij als wolven onder de schapen werden gezonden; en hun werk werd zonder twijfel aan de zielen gezegend, ofschoon geene verdere bijzonderheden worden vermeld. Zij kwamen terug en

verhaalden wat zij hadden gezien, en daar zij hadden aanschouwd wat de apostelen zeiven hadden ondervonden, ja iets verrigt wat der apostelen zelfs onmogelijk was geweest (Luk. 9: 37), zeiden zij tot Jezus met een zeker welbehagen, zoo niet zelfverheffing: »Heere! ook de duivelen zyu ons onderworpen, in Uwen naam.'" Zij erkennen volmondig dat het in den naam van Christus is geschied, evenwel zij zijn zich het feit bewust, dat de duivelen hun zijn onderworpen. Jezus verheugde zich zonder twijfel in dit feit, maar gelijk altijd was Hij zich ook daarin Zijne roeping als Middelaar bewust, en als de heilige tuinier wilde Hij ook thans wederom de ranken reinigen, opdat zij te meer vrucht tot verheerlijking van God zonden dragen. Hij ontkent noch vermindert het gewigt van het feit, dat de duivelen hun zijn onderworpen geweest, maar Hij vermaant hen tevens niet in de verkregen uitkomst de oorzaak hunner blijdschap te zoeken, maar hunne hope te vestigen op een grondslag, die niet bewogen kan worden, en wel het door God zeiven gelegd fondament, dat onafhankelijk is van alle menschelijke steunselen.

Verheugt u, roept Jezus hun toe, niet in 't geen door ulieden is geschied, maar veel meer in 't geen voor ulieden werd verrigt. Verheugt u niet in 't geen op de aarde voor den hemel, maar integendeel in 't geen in

den hemel voor de aarde werd gedaan. Verheust u daarin, dat uwe namen in de hemelen zijn opgeteekend, dat gij tot het ingaan in den hemel wordt voorbereid, en hier bewaard wordt voor de erfenis, die voor u wordt bewaard in de hemelen.

Vreugde — ons hart begeert haar, heeft er behoefte aan. De Schrift erkent deze behoefte volmondig en keurt haar in geenen deele af, maar integendeel vermaant ons, ons in den Heere onzen God te verblijden, ja, wij worden uitdrukkelijk en onmiddelijk er op gewezen: »Te dier ure verheugde zich Jezus in den geest." Evenwel ook de meest tot vreugde gestemde zal gemakkelijk toegeven, dat niet al wat blijdschap belooft, blijdschap geeft; ja, ware, blijvende blijdschap is eene zeer zeldzame zaak, al vergenoegen wij ons met eene zeer oppervlakkigs kennisneming van personen en zaken, die ons omringen. Konden wij van huis tot huis en van hart tot hart gaan en overal de vraag doen hooren: »Zijt gij blijde, is uw hart met vreugde vervuld?" Dan zouden wij ons al

zeer spoedig overtuigen, dat een lagchend gezigt veelal een treurend hart verbergt, en dat menigeen, dien wij van wege zijn geluk hebben benijd, door smart en angst bijna wordt overstelpt. Ik heb ergens gelezen, dat een tooneelspeler tot een geneesheer kwam, en dezen verzocht hem een middel tegen zwaarmoedigheid te geven. De geneesheer raadde hem het een en ander aan, doch het baatte niet. Toen de tooneelspeler neerslagtiger dan ooit tot den dokter terugkwam, gaf hij hem den raad naar een schouwburg te gaan, een zeker tooneelstuk en tooneelspeler te gaan zien, en dan zoude hij zeer zeker hartelijk lagchen en zijne droefgeestigheid welligt voor altijd kwijt raken. Doch wie beschrijft den schrik van den geneesheer, toen hij vernam: »De tooneelspeler, mijnheer, ben ik zelf!" Alzoo bedriegt een lagchend gezigt menigeen, en moet dikwijls dienen om de diepste gevoelens des harten te verbergen.

Zonder twijfel dus is het eene zeldzame

zaak ware blijdschap te gevoelen, en wanneer ik lees, dat een zeker man over zich zeiven verblijd was en anderen tot blijdschap vermaande, toen hij in de gevangenis was opgesloten en elk oogenblik een bloedigen dood tegemoet zag; en een ander het gelaat van een engel vertoonde, toen hij blootstond aan de steenworpen eener verbitterde menigte, dan vraag ik mij af: van waar deze blijdschap in de ure des noods en des doods ? en ik vlei mij, dat indien ik zulk eene blijdschap deelachtig kon worden, niets mij daarvan zou kunnen berooven.

De woorden der Schrift, dit moet ik evenwel volmondig bekennen, die wij thans met elkander onderzoeken, zijn tot geloovigen gerigt, tot hen , die in waarheid discipelen van Jezus zijn, van Hem hebben getuigd, zich aan Hem als eene levende offerande hebben overgegeven, geleerd hebben alles schade te achten, vergeleken bij de uitnemendheid Zijner kennis en genade, zich de zonde schamen in Jezus de oorzaak van hun vrede, de bron van hunne vreugde vinden. Menigwerf wordt de vraag geopperd: »Ben ik een Christen, kan ik mij scharen onder de kinderen Gods?" Dan worden allerlei toestanden opgenoemd, die vaak de gemoederen verwarren en hen eerder verschrikken dan vertroosten en teregt helpen. Wilt gij weten of gij een Christen zijt ? welaan, vraag uzelven: Wat is de oorzaak mijner blijdschap en mijner droefheid? Indien de

overtuiging, dat gij tegen des Heeren wil gehandeld en Zijne heilige bedoeling miskend hebt, uw hart met smart vervult, dan bewijst dit, dat gij de droefheid naar God kent; en wederom: indien des Heeren genade uwe blijdschap opwekt, Zijne barmhartigheid en het licht Zijner liefde uwe vreugde is, dan bewijst dit, dat gij een kind Gods zijt. Zie dan toe, dat gij niets doet of laat, dat u deze blijdschap zou kunnen ontrooven of uwe gemeenschap met God, de bron van alle vreugde beletten; maar integendeel vraag Hem haar te bewaren, te vermeerderen, uw geloof te versterken en uwe liefde te verlevendigen, en alzoo ook uwe blijdschap te bevestigen en te verzekeren, opdat zij door Hem gewrocht, ook ruste in Hem.

Een Christen, en hij alleen, heeft reden tot blijdschap; maar hij dan ook volkomen, en vindt in deze blijdschap een krachtigen spoor¬

slag om in des Heeren wijngaard ijverig werkzaam te zijn. Hij vindt daarin moed tot het getuigen van de waarheid, die aan zijn gemoed vrede en vreugde verzekert en eene opwekking om den Heer als de bron van alle genade te prijzen. En zoo wij deze goddelijke blijdschap, die goddelijke droefheid in geenen deele buitensluit, maar integendeel dikwerf door haar wordt voorafgegaan, ontberen, dan is dit, omdat wij niet genoegzaam de door God ons geschonken voorregten waarderen, de onzigtbare dingen niet genoeg op prijs stellen, grond tot roemen in ons zeiven vinden, en den Heere niet de eer geven die Hem alleen toekomt; met één woord, omdat wij toegeven aan ongeloof of kleingeloof.

De Heer ontkent niet, dat de zeventig een grooten triomf hebben behaald, want Hij weet wat in den mensch is, en Hij kent de magt en den invloed van den satan. Hij heeft gezien hoe de duivel in den beginne is gevallen en hoe zijne kracht, sedert Hij op deze aarde is gekomen, werd verbroken. Want in elk getuigenis der waarheid en prediking van het kruis, en in het winnen van eene enkele ziel, wordt het vallen van den satan gezien, totdat deze vijand voor altijd overwonnen zal worden (Jesaja 14: 12). Hij, de Heer der heerlijkheid, geeft den Zijnen de kracht des ligchaams en der ziel, om den leugenaar en moordenaar te overwinnen ; en hoe zoude Hij er zich dan niet in verheugen, wanneer Hij verneemt, dat den discipelen ook de duivelen zijn onder-

YOOR KINDEREN.

De kleine Nelly.

het kind.

Ziet gij gaarne naar buiten als het sneeuwt? Ik geloof dat alle kinderen er graag naar kijken, vooral als zij op boomen en velden kunnen zien; maar het was niet op zulk eene omgeving dat de kleine ■Nelly Eogers de sneeuw zag nederdalen, toen zij op een kouden winterdag voor het raam de digten vlokken met de oogen volgde. Het was eeno donkere smalle straat, die door het witte kleed geheel werd Versierd; zelden zag zij iets en dat zoo mooi en rein was als die veelsoortige pluimen, die in digte massas *>aar beneden buitelden. Terwijl zij zich verwonderde over de schitterende witheid van het geheel vóór haar, kwam haar op eens eene uitdrukking te Jinnen, die zij in het eerst maar niet wist'thuis te brengen; »witter dan sneeuw." Hé waar had zij zij dat ook weer gehoord? wie zou ooit denken dat ®r iets kon wezen nog witter dan die oogverblindende sneeuw?

Eindelijk begreep zij dat hetin den Bijbel moest staan; maar hoe zij ook haar best deed, de rest v®n het vers kon zij zich maar niet herinneren; fitter dan sneeuw... gedurig herhaalde zij het bij zich zelve, en vond die woorden hoe langer hoe onbegrijpelijker... Zij had zoo iets zeker nooit ge£len; maar het stond in den Bijbel, en daarom moest net wel waar zijn, en hoewel zij al heel weinig Wlst, dit stond bij haar vast, wat in Gods woord stond, dat was waar.

Het was een somber leven, dat de kleine Nelly eidde: zij had hare moeder nooit gekend, wijl deze kort na hare geboorte overleed, .. . geen broertjes zusjes,,, en haar vader, hoewel hij niet on¬

vriendelijk of hard voor haar was, had weinig begrip van hetgeen een kind het leven aangenaam kan

maken, hij dacht er nooit aan, dat het al heel eenzaam en droevig voor zijne kleine Nelly was, als hij den geheelen dag in de ijzergieterij werkte en zij niemand had om mede te spelen of te praten. Als hij 's avonds 't huis kwam en zijn eten gereed vond, was hij tevreden, en het kwam niet in hem op het gezigtje eens aan te zien, dat hoe langer hoe smaller werd en zoo zelden door een blijden lach werd opgevrolijkt.

Maar Nelly had toch één vriend.

In de benedenkamer van één der huizen, aan de overzijde woonde een oude Ier, Micky M' Guinness geheeten; 't was een zonderlinge man, van beroep vogelverkooper; de muren van zijne kamer waren digt bez^t met vogelkooitjes: kanaries, goudvinken, sijsjes, en eene menigte andere soorten. Nelly liep dikwijls over, en zat dan te luisteren naar het gezang van zijne vogeltjes en hielp hem in hunne behoeften te voorzien.

nèlly's oude vriend.

Dien avond zat de oude man voor het vuur vergenoegd zijn pijpje te rooken, toen Nelly naar binnen kwam stappen, en stilletjes1 naast hem ging zitten. Een geruimen tijd zaten beiden in het vuur te staren, toen op eens Nelly zich liet hooren:

»Micky," vraagde zij, » kent gij den Bijbel?" Micky nam zijne pijp uit den mond en keek het kind verbaasd aan.

„Kent gij hem Micky?" herhaalde zij. „Wel dat kan ik juist niet zeggen," zeide hij.

Het kind keek zeer teleurgesteld.

»Waarom vraagt ge dat ?" zeide de oude man, verwonderd over dezen ernstigen blik.

„O ik dacht dat gij mij helpen kondt, ik wilde

zoo graag iets weten. Hebt gij nooit teksten uit den Bijbel geleerd, Micky?"

Och neen lieve, weet ge, waar ik, als kind gewoond heb, waren in 't geheel geene scholen, niet anders dan wel , 3 mijlen ver; daarom kon ik niet leeren lezen, en ken het nog niet; ik heb wel eens nu en dan stukjes uit den Bijbel hooren voorlezen , maar dat is al zoo lang geleden, en ik kan er mij niets meer van herinneren."

Na dezen volledigen uitleg nam Micky zijue pijp weder op en begon dapper te rooken. Er werd verder niet gesproken. Eindelijk vraagde Nelly op angstigen en bevenden toon:

„Maar Micky, gelooft ge wel dat wij ooit in den hemel zullen komen als wij den Bijbel niet kennen?"

„Wel mijn lieve, ik hoop er regelregt heen te gaan als ik sterf, ik word al een oud man en het begint mijn tijd te worden zachtjes aan, en gij zult er ook wel komen, want ge zijt een heel goed lief klein ding en hebt nooit iemand leed gedaan."

"O Micky," zeide Nelly met een bedrukt gezigtje, „ik wou, dat ik maar wat van den Bijbel wist, want ik geloof nooit dat wij daar komen als wij er niets van weten."

Het kind was digter naar hem toe gesehoven, en keek hem zeer bezorgd aan.

Weder nam de oude man zijne pijp uit den mond, en wist niet hoe hij het met het meisje had; zij was zoo ernstig en verschrikt, cn haar gezigtje was zoo erg bleek. Hij legde zijne hand op haar hoofdje en zeide: „Maar lief kind, gij ziet eruit alsof gij er waarlijk rèeds heen gingt. Wat scheelt er toch aan lieve?"

»Ik weet het niet, maar ik ben zoo moê." Hij trok haar naar zich toe, en was zeer dankbaar toen zij tegen hem aan in slaap viel; onrustig keek

hij gedurig naar de bleeke wangen, die zelfs door den slaap niet werden gekleurd.

Eene ligte beweging in de straat maakte haar wakker. Nelly schrikte toen zij begreep waar zij was, en dat »vader gaauw 't huis zou komen en zijn avondeten nog niet klaar stond;" zij verliet haar goeden buurman en liep huiverende en rillende over naar hare eigene ongezellige woning.

nelly's vader.

Juist was een en ander op de tafel geplaatst, toen een zware stap de komst van haren vader voorspelde; de deur ging open, en een knappe flinke werkman trad binnen.

„Bitter koud van avond hé? 't eten klaar? dat is een knappe meid." Terwijl hij dus sprak ging Eogers aan tafel zitten en deed het eenvoudig geregt alle eer aan. Zoo druk was hij hiermede bezig, dat hij niet- eens lette op het zwakke bleeke gezigtje over hem; hij bemerkte zelfs niet, dat het kind niets at. Toen zijn eetlust was voldaan, nam hij eene courant uit zijn zak, en beval Nelly een blokje meer aan den haard te leggen. De arme Nelly ging naar den hoek van het vertrek, en zag tot haar spijt dat al de kleine blokken er reeds door haar waren afgenomen, en er niet anders over waren gebleven dan zware houten, die zij naauwelijks tillen kon; het gelukte haar er een op het vuur te brengen, hoewel het haar zeer veel moeite kostte, en zij begon de tafel te ontruimen.

Nadat de courant was doorgelezen, gingBogers het overige van den avond in de herberg doorbrengen ; dat was helaas in den laatsten tijd zijne gewoonte geworden. Toen Nelly harè zaakjes had afgedaan, ging zij digt bij 't vuur zitten; zij gevoelde zich zeer onwel; arm kind, zij wist nog niet hoe ziek zij was. Er was niemand, met wien zij kon

praten, en niets om haar bezig te houden dan de roode en blaauwe vlammen, die uit het vuur opstegen. Eindelijk ging zij naar haar bedje op zolder, en terwijl zij daar zoo heel alleen in donkernederlag, wist zij het niet, dat zij door den Hemelschen Vader werd bewaakt, en dat heilige engelen om haar heenzweefden.

Hogers kwam laat te huis; met onvaste schreden kwam hij den trap op stommelen; daar hoorde hij Nelly hoesten. . . en snikken, hij stond stil en luisterde.

Een van de bewoners, die uit voorzorg altijd opbleef totdat allen binnen waren, en hij zelf gesloten had, zag den beschonken man droevig aan.

„Wat scheelt het kind toch?" vraagde hij.

„Wat haar scheelt, wel, die hoest zal haar het leven kosten, dat weet ik wel."

wat is witter als sneeuw?

Was het een benaauwde droom geweest, dat er iets niet goed was met zijn kind? Eogers wist het niet, maar een enkele blik op het zwakke gezigtje overtuigde hem terstond van de werkelijkheid.

„Waarom schreidet ge zoo gisteren avond Nelly?" vraagde hij zoodra hij haar zag. Zij keek verlegen en zei: »Ik kon het niet laten, het was zoo erg koud, en dat hoesten deed mij zoo 'n pijn hier." (Op hare borst wijzende.)

De vader keek verschrikt; Nelly zag er nu net uit als hare moeder toen zij ziek was. Yoor het eerst in haar leven ging Eogers bekommerd heen, omdat hij zijn dochtertje zoo alleen achterliet; hij moest naar zijn werk, maar nam zich voor niet meer naar de herberg te gaan als hij kon.

(Wordt vervolgd.) '

Sluiten