Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870.

Een en Twintigste Jaargang.

^ËNE JL STEM

:v\ 27

VOOR

Ps. CXYI: 10.

ISRAELS KONING, HET HOOFD HER GEMEENTE.

Vrijdag, 8 Julij.

Het geloof is uit het gehoor.

Koid. X: 1.

ke uitgave van dit Blad, Redacteur Dr. C. SCHWAETZ, London5 Stratlimore Gardens, Kensington, W. geschiedt des Vrijdags.]

Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DE HÜUtrh. As t .

Abonnementsprijs per kwartaal ƒ 1,50, franco per post ƒ 1,65. —De Prijs dor Advertentiën is van 1elke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naar de plaatsruimte berekend.

-5 regels f 1,-

Iu de woestijn.

En als Jezus dit hoorde, vertrok Ilij van daar te scheep naar eene woeste plaats alleen; en de scharen, dat hoorende, zijn Hem te voet gevolgd uit de steden.

Matth. 14: 13.

Deze woorden der Schrift worden dubbel belangrijk, wanneer zij als eene treffende tegenstelling met 'tgeen in het paleis van Herodes gebeurde, worden beschouwd; Deze Üerodes was een wellustige tiran, die bij afwisseling het volk onderdrukte en vleide, den Dooper gaarne hoorde, overtuigd was, dat deze een heilig en regtvaardig man was, het volk vreesde, en tevens bang was voor dea man, die tegen hem getuigde, ofschoon bij er mede eindigde om hem over te geven aan de willekeur ee:ier echtbreekster, die zich zwaar beleedigd gevoelde, omdat de Dooper zïne stem tegen haar had verheven. De ellendige vorst was ligtzinnig en bijgeloovig, en Verkwistte de goederen, waarvoor hij verantwoordelijk was aan den Koning der koningen, al kon de menschelijke wet hem niet bereiken, liij ging van de eene zonde tot de andere over, en toen hij opgewonden was door sterken drank en den lust des vleesches, zwoer hij een eed, dien hy niet bevestigen mogt en niet breken kon, en vergoot hij het bloed van den grootsten man, die ooit van eene vrouw geboren werd. Weldra wordt dien ellendigen vorst een schotel aangeboden, die hem verschrikt en met ontzetting vervult.

Eene vreeselijke verandering heeft binnen korten tijd plaats gehad, Toen de gasten nederzaten aan de tafels, beladen met al Wat de koninklijke overdaad aanbieden kon, en de jonge dochter voor hen en den vorst danste, waren allen zoozeer betooverd door hare bevallige bewegingen, dat zij luide hare bekoorlijkheid prezen, en hoven hunne stemmen werd de stem van Herodes gehoord, die luider en luider haar bewonderde. Een iegelijk, die hem toen zag, ïou hem voor den gelukkigsten en vrolijksten man hebben gehouden, want liij scheen zoo blijde te zijn en niets te ontberen ; maar nu zag hij er bedroefd en jammerlijk uit; en geen wonder, want de koninklijke heer is sedert veranderd in een lagen moordenaar. Hij, die durfde weêrstand bieden aan de regtvaardige wensclien eener gansche natie, kon den eisch niet afwijzen Van een zwak meisje, dat misleid werd door eene goddelooze moeder. Hij is beschaamd en verward, een gevoel van diepe ellende maakt zich van hem meester, smart en droefenis hebben de stemmen van vreugde en genot vervangen. Het is de droefheid der Wereld, die door schaamte en dood gevolgd wordt; het is de zondige lust, die eene treurige vrucht heeft voortgebragt en eindigt in eeuwige ellende. Herodes wensclite later Jezus te zien, doch het werd hem niet vergund en toen Pilatus Jezus tot hem zond, omdat hij destijds in Galilea was, sprak Jezus geen enkel woord, en dit stilzwijgen van Jezus Was de meest welsprekende veroordeeling van den rampzaligen man.

Doch gij wenscht niet langer in de nabijheid van den ongelukkigen moordenaar ta vertoeven, die door Gods wet en zijne eigene conscientie beschuldigd en veroordeeld wordt, en zijn paleis in een moordeöaarshol heeft veranderd; volgt dan Jezus in de woeste plaats. Daar is niets van aardsche grootheid en valsche wereldsche pracht; het is eene dorre plaats, alwaar men al de eenvoudigste levensbehoeften dertt; nogtans kunt gij aldaar een schouwspel zien, dat de engelen met bewondering en aanbidding beschouwen, terwijl aldaar eene heerlijkheid openbaar wordt, die alle menschelijke pracht ver overtreft. Want niet de ko¬

ning der schande en schuld, maar die der heerlijkheid en des vredes bereidt aldaar de tafel, en vervult de harten met vreugde; en hoe groot ook de behoeften mogen wezen, Hij, de arme-rijke Jezus voorziet in aller nood.

Wanneer men de verschillende verhalen der Evangelisten onderling vergelijkt, dan blijkt het, dat de Apostelen kort te voren van eene zendingsreis waren teruggekeerd, en Jezus hadden verhaald al wat zij gezien en gedaan hadden (Mark. 6: 30 en Luk. 9: 10).

Christus ging met Zijne discipelen in de woestij n, opdat zij wier geloof nog zwak was, niet al te zeer verschrikt en bedroefd zouden worden over den moord van den Dooper.

De teederheid van Jezus blijkt vooral ook uit het liefelijk woord, door Markus ons bewaard : » rust een weinig." Zijne zorgzame liefde gevoelde, dat zij in den laatsten tijd veel hadden gewerkt, en dat hun hart diep was geschokt, en Hij gunde en bereidde daarom de rust, waaraan zij zonder twijfel behoefte gevoelden. Hun gunde Hij gaarne rust, ofschoon Hij zelf onvermoeid was in de dienst des Vaders en in het Koningrijk der hemelen. En het is voorzeker eene zeer belangrijke les voor ons allen, om niet te vergeten, dat wij by allen ijver voor Gods naam en eer, om onzen arbeid te kunnen verrigten, rusten moeten aan het hart van den Heer.

Hij zelf kan evenwel de rust niet lang genieten, want weldra volgt Hem eene groote schare van kranken , die Hij moet genezen, van onwetenden , die Hij moet onderwijzen, en van hongerigen die Hij moet voeden. Wordt hiermede niet volledig het werk beschreven dat Jezus aan zondaars verrigt ? Overal in de Schrift wordt de zonde onder het beeld van krankte beschreven, en wel van eene krankte, die tot alle standen en leeftijden is doorgedrongen, die alle krachten des ligchaams en der ziel heeft aangetast. Deze krankte is erfelijk, en al kunnen wij in menschelijke kracht veelal hare openbaringen beletten, zoo kunnen wij toch haar niet uitroeijen. Er is slechts één Geneesmeester, die den wortel der krankte kan aantasten, en welke ook de toestand en de verschijnselen der ziekte mogen wezen, haar volkomen kan overwinnen; en de naam van dien Geneesmeester zweeft op uwe lippen, Hij is dezelfde, die de kranken in de woestijn genas.

De Israëlietische mannen, daarin de woestijn vergaderd, waren zonder twijfel bedreven in de wijsheid der Farizeën, en velen hunner hadden zeer waarschijnlijk ook de wet van Mozes bestudeerd; nogtans kenden zij noch hun eigen hart noch den aard der pligten en voorregten van het Koningrijk van God. Jezus ontsluit hun de Schriften, maakt zich aan hen bekend, en zij beginnen nu te gevoelen, dat zij burgers zijn van het Koningrijk der hemelen (Lukas 9: 11). De middelen van onderwijs zijn verschillend, maar zoo dikwerf onze ziel tot Christus wordt gebragt, wordt zij van hare zonde, hare behoefte aan vergeving en de algenoegzaamheden van Jezus overtuigd, en de Geest openbaart haar het Woord van God in het licht van Hem, die de Zon der geregtigheid is.

Hij spijzigt de hongerigen. Er is in alle harten een hongeren naar vrede en genot, en alle pogingen, in eigen kracht aangewend, lijden schipbreuk en laten veelal de harten meer dan ooit onbevredigd. Hij alleen, die het Brood des levens is, kan de harten vrede en eene blijvende verkwikking geven; want de Israëlieten, die het manna aten, door Mozes in de woestijn hun gegeven, stierven; doch zij, die gevoed worden door Jezus Christus, leven in alle eeuwigheid. Jezus had, toen

Hij zich met de Discipelen in eene woeste plaats terugtrok, eenige rust willen genieten, doch toen deze arme versmachtende mannen, vrouwen en kinderen Hem naderden met hunne verschillende behoeften, gaf Hij volgaarne de rust op en wijdde zich gansch en al aan hunne belangen.

De dag spoedde ten einde, de avond was gekomen, en de behoefte aan voedsel werd gevoeld. Tot dusver had Hij hunne zielen gespijzigd, en hun zekerlijk ook in hunne ligchamen doen ondervinden, dat de mensch leeft van elk woord, dat uit 's Heeren mond gaat. Thans echter spijzigt Hij hunne ligchamen, en hunne zielen putten uit de fonteinen des heils en der zaligheid. De Discipelen evenwel moeten even als het volk van hunne eigene onmagt in de eerste plaats overtuigd zijn, voordat de almagt van Jezus openbaar wordt. Jezus spreekt in de eerste plaats tot Filippus (Joh. 6: 5), hetzij omdat hem de voorraad was toebetrouwd, hetzij om zijn geloof te beproeven (Joh. 14: 8); en Pilippus, die alleen ziet op de dingen die voor oogen zijn, geeft een allezins billijk en juist antwoord. Met heilige ironie gebiedt Jezus de Apostelen: »Geeft gijlieden hun te eten," en hun antwoord komt veel overeen met het antwoord van den knecht des Profeten, 2 Kon. 5: 42 en 48, en zij herhalen: »Zullen wij heengaan en* spijzen koopen?" Veroordeelt hun klein geloof niet, maar herinnert u veelmeer dat zelfs Mozes zulk een twijfel koesterde, Num. 11: 22 en 23, en bovenal vergeet niet hoe dikwerf wij zeiven God buiten aanmerking laten, wanneer wij om zoo te spreken de balans opmaken.

Doch nu begint Christus zelf de rekening op te maken. Er behoeft niets gekocht te worden, en Hij zal niet alleen het noodzakelijke geven maar ook overvloedig. Hij zal niet scheppen, maar vermenigvuldigen, en rijkelijk zegenen. Er wordt niets anders vereischt, dan alles tot Jezus te brengen, en Hij, die als de Medicijnmeester de kranken had genezen, en als de Profeet de onwetenden onderwezen, zal nu als de koninklijke Gastheer de tafel voor hen ook in de woestijn bereiden , en alles doen in liefelijke orde. Er wordt bevel gegeven om in vijftigtallen op het groene gras neder te zitten, en daar de discipelen niet wisten wat Jezus zou gaan doen, was dit bevel eene beproeving van hun geloof, dewijl er geen voorraad was en allen na dit bevel spijs verwachtten. Aller oogen zijn nu op Jezus gerigt, en weldra wordt alles door 's Heeren woord en gebed geheiligd (1 Tim. 4: 5).

Jezus heft de oogen op tot den Vader in ernstige smeeking, en geeft ons daarin een voorbeeld om Hem als den Gever van elke volmaakte gave te erkennen. Hij ontvangt alles uit des Vaders hand, geeft het aan de Discipelen, en deze wederom deelen in onvermoeide liefde uit, wat de almagtige heerlijkheid heeft bereid. En zij aten en werden verzadigd, en de overblijfselen vulden twaalf manden, en deze manden prediken den discipelen van alle eeuwen, dat Jezus niet alleen in den tegenwoordigen maar ook in den toekomenden nood, en de behoeften van al de Zijnen ruimschoots kan en zal voorzien, omdat Hij een rijk, koninklijk Heer is, die overvloediglijk geeft.

Behoef ik u te zeggen hoe rijk dit wonder is in toepassing op onze dagelijksche behoeften? Aanschouwt de magt van Jezus, die weinige brooden en visschen in de kracht Zijner majesteit vermenigvuldigde; aanschouwt den rijkdom, van Christus, die meer geeft dan voor het oogenblik vereischt werd; aanschouwt de liefde van Christus, die met teederheid de behoeften der Zijnen gadeslaat. Hij had zich in de eenzaamheid ten Zijnen behoeve terug¬

getrokken, doch Hij gaf deze rust op, even als Hij met Nicodemus tot in den middernacht sprak, en in de hitte des daags zat aan de fontein met de Samaritaansche vrouw, om de kranken te genezen, de onwetenden te onderwijzen en de hongerigen te voeden. Sommigen hunner zullen nooit tot Hem terugkeeren en anderen zullen welligt zich bij

Hem

voegen, die weldra zullen roepen:

» kruist Hem, kruist Hem;" nogtans geeft Hij de liefelijkste plaats en voorziet Hij ruimschoots en koninklijk in al hunne behoeften.

Wy hebben geen aanspraak op draf, doch Hij geeft ons het regt van kinderen. Voor zich zeiven zal Hij geen steen in brood veranderen, doch voor Zijn volk zal Hij ook in de woestijn schatten Zijner liefde ontsluiten. En zal Hij, die voor deze menigte Zijne voorraadskorven uitstort, hen, voor wie Hij Zijn leven in den dood heeft gegeven, steenen voor brood, of een schorpioen voor visch geven? Zal Hij, die het leven schonk, niet geven wat noodzakelijk is tot behoudenis van het leven? Komt tot Hem met de belijdenis van uwe armoede, en gehoorzaamt Zijne bevelen, en plaatst uw vertrouwen op de algenoegzaamheid Zijner genade, en gij zult voorzeker nooit beschaamd worden.

Maar ik heb slechts eenige brooden en visschen, mijne gezindheid is niet goed, mijn weten is zeer beperkt, mijne middelen zijn zeer gering, ik heb slechts weinig gelegenheden om nuttig te zijn, mijne gebeden zijn zeer koud en mijne gemeenschap met Jezus is telkens belet door mijn weinig toenemen in kennis en genade. Welaan ga met uwe armoede en uwe zwakheid tot Jezus, leg het in Zijne hand opdat Hij het zegene, en wat in uwe hand zwak en nietig was, zal in Zijne handen, onder Zijnen zegen voldoende bevonden worden om vijf duizend te spijzigen ; en meer dan dit, want twaalf manden waren met brokken gevuld.

Laat ons dan alles uit Zijne hand ontvangen, en hiervan diep doordrongen zijn, dat wij in alles verantwoordelijke rentmeesters zijn, en alles ontvangen hebben, niet om het voor ons te behouden, maar om het in Zijne dienst te besteden. Was het niet een groot voorregt voor de Apostelen , de uit de hand van Jezus ontvangene brooden aan de menigte te geven en alzoo de magt van den Heer te verkondigen en te verheerlijken? En is het niet een groot voorregt van Christus alzoo te mogen getuigen en een schakel in de keten te zijn, die eene ziel aan Hem verbindt, zeiven gezegend en voor anderen een zegen te worden? Welaan, wij weten dat Israël wonderbaarlijk in de woestijn gespijzigd , de weduwe te Sarepta heerlijk gezegend werd, en nu zullen en willen wij niet twijfelen, dat Hij, die het Brood des levens is en in wien de volheid Gods ligchamelijk heeft gewoond, voor ons overvloedig kan doen wat in de dagen der schaduwen door de dienstknechten voor Gods volk werd verrigt. In het geloof zullen ook wij de heerlijkheid des Heeren aanschouwen, en Hij, die het zaad, dat elk jaar wordt uitgestrooid, behoedt en behoudt en vruchtbaar maakt; Hij, die beloofd heeft dat die den Heer zoeken geen ding zullen missen, is getrouw; Zijne beloften falen niet, Zijne getrouwheid make ook ons getrouw, opdat wij, gespijzigd uit Zijne volheid, begeeren alles te doen in den naam van God, dankende den Vader door Jezus Christus. C. S.

Het zevende Algemeen Evangelisch Nationaal Zendingsfeest.

{Vervolg.)

Slotwoord aan de Amsterdamsche en Haarlemsche bezoekers, volgens eigen opgave, door den heer U, J. van Lummel.

Waarde Vrienden der Zending! Broeders en Zusters in onzen Heer!

Mij is de waarlijk niet aangename taak opgedragen, om afscheid van u te nemen, en u te danken voor de belangstelling, door u op dezen dag in de heilige zaak der zendiuf getoond.

Niet aangenaam : omdat afscheid nemen iii t algemeen niet genoegelijk is; niet aangenaam vooral, wanneer we afscheid nemen van vrienden, die ons dierbaar zijn, en dat zijn de Amsterdamsche en Haarlemsche vrienden.

Dan, ge verwacht niet, dat ik u zoo korfjes zal afschepen. Ge verwacht nog een enkel woord, nog een woord ter herinnering aan dezen feestdag van mij, en dat wil ik u ook gaarne medegeven.

Het is mijne taak afscheid te nemen van de Amsterdammers en Haarlemmers! Elke Amsterdammer is een koopman, en elke Haarlemmer is of een nijverheidsman, of ook een koopman. Bijna onze gansche natie bestaat uit kooplieden ; en daarom is liet ook niet vreemd het woord uit onzen mond te hooren: wat nut geeft het? — hoeveel procent brengt het op? Wat winnen we er meê ?

Die vragen komen bij de gedachte aan den handel zoo in de eerste plaats op in liet hoofd van ieder, die zich niet koopen en verkoopen bezig houdt.

Maar daar blijft het niet altijd bij. Ook bij andere zaken vraagt men zich wel af: wat geeft het ? —-En die vraag is niet ongeoorloofd ; ook voor den Christen niet. Onze Catechismus doet ze ook wel. — Baat het, of schaadt het? daarop komt het aan, met alle dingen. Met de zending ook. -We willen dit te zamen eens in het kort nagaan. WTe willen eens zien of de zending ook eene produktieve zaak geweest is of niet; en omdat we nu juist den zevendon zeudingsdag sluiten, willen we ook deu ganschen zendingsdag van meer dan 1800 jaren eens in zeveu groote dagen verdeeleii, en zien welke voordeelen er bij eiken dag behaald zijn geworden voor de uitbreiding van het rijk des Heeren! Vóór bijna 1840 jaren ving de Christelijke zendingsarbeid aan op het groote Pinksterfeest. We noemen dien heerlijken aanvang de dag des Heeren der zending. Toen wrocht de Heilige Geest op éénen dag in de harten van meer dan 3000 Joden het werk der bekeering, dat sedert dien dag tot op heden toe onafgebroken is voortgezet, ook dan. wanneer onze oogen het niet zien, en onze harten het niet gevoelen. Spoedig daarna bragten een Petrus en een Paulus het Evangelie onder de Heidenen, en bij het einde der eerste eeuw onzer jaartelling kon men het getal Christenen veilig op meer dan 200,000 stellen.

De tweede dag is de zaaitijd der zending; hij duurt van 100—300 na Chr. Het bloed der martelaren en het woord der kerkvaders waren uitnemende zendelingen. Waar de Christenen ook kwamen, lieten zij hun licht schijnen tot heerlijkheid des Eengeborenen des Vaders; en kerkers en brandstapels en moordschavotten dienden ter uitbreiding des Evangelies en tot bevestiging van het woord: »in de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen;" en aan het einde van dien dag was de schare der gedoopten uit de Heidenen meer dan 1 millioen geworden! Maar nu kwam de derde dag, de dag zonder verdrukking, van 300 — 600 na Chr. Keizer Konstantijn werd Christen, en het Christendom geraakte in eere bij de wereld, maar verloor veel van zijn eigenlijk karakter; 't was nu ook dikwerf de geest der wereld, die er toe aanspoorde, om tot het Christendom over te gaan, en zoo werd het getal wel groot, maar de vastheid des geloofs was klein. Daarom werd onder de 30 millioenen, die zich naar Christus noemden, eene loutering noodzakelijk, en de Heer gaf den vierden dag, den dag der zuivering van het Christendom van 600—800 n. Chr. De valsche profeet Mohamed kwam, wilde door de kracht des zwaards zijne leer uitbreiden en menigeen bezweek, omdat de Christus niet in het hart maar alleen op de lippen getroond had. Nu werd het openbaar, wie 't wel gemeend had met zijnen Heer. Groot was 't getal der afvalligen ook in Europa. Maar eindelijk werd aan deze tegenstanders des Christendoms paal en perk gezet door Karei Martel, die de Mooreu bij Tours versloeg. En niettegenstaande deze rampen breidde het Christendom zich uit, was het werk der zending gezegend en telde men bij den aanvang der 9de eeuw 100 millioen gedoopten. Nog altijd waren West- en Noord-Europa verstoken van het licht des Evangelies; maar nu was de tijd der genade ook voor die streken aangebroken, en onder de bescherming van dezelfde vorsten, die de Mooren verslagen hadden, zond de B-eor,op den vijfden dag van 800—1500 n. Chr. ook naar ons vaderland zendelingen, als: Amandus, Eloy, Willebrord en Bonïfacius, om ook hier den arbeid der liefde tot heil van zondaren aan te vangen. Karei de Groote bragt Friezen en Saksers tot het Christendom, en Europa zag het liefelijk "licht der blijde boodschap overal verkondigen, toen het eerste duizendtal jaren na Christus geboorte voltooid was. Maar 't geheel was geenszins de maatstaf der zuiverheid; — al beleden bijna 200 millioen menschen den Christus Gods, slechts

Sluiten