Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870.

Een en Twintigste Jaara'ansr.

N\ 34.

nederlandsche stem

VOOR

ISRAELS

a-ra 13 »roöNn

Ps. CXVI: 10.

KONING, HET HOOFD

Vrijdag, 26 Augustus.

HEB GEMEENTE.

Het geloof is uit het gehoor.

Rom. X: 1'

De uitgave van dit Blad, Eedacteur Dr. C. SCHWARTZ, LondonS Strathmore Gardens, Kensington, W. geschiedt des Vrijdags.!

Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DL HÜOGH & ü .

Abonnementsprijs per kwartaal ƒ 1,50, franco per post ƒ 1,65.—De Prijs der Advertentiën is van 1—5 regels f 1,elke regel moer 15 Centen. — Groote letters worden naar d6 plaatsruimte berekend.

Door het ontvangen van het hierachter voorkomend treurig telegram, hebben wij gemeend dit nummer een dag later te moeten verzenden, ten einde de familie en de vele vrienden van Dr. Schwartz in de gelegenheid te stellen, eerst langs anderen weg met deze tijdiiig bekend te worden. De Uitgevers.

De brandende braainbosch.

En het geschiedde na vele dezer dagen, als de koning van Egypte gestorven was, dat de kinderen Israëls zuchtten en schreeuwden over de dienst; en hun gekrijt over hunne dienst kwam op tot God. En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijnen schoonvader, den priester in Midian, enz. Exod. 2: 23; 3: 1—3.

Naast Abraham, den vader der geloovigen, die zelf gezegend en tot een zegen gesteld werd, staat Mozes, de vertegenwoordiger der wet en de middelaar tusschen Jehovah en Zijn volk. Wonderbaar zijn de leidingen Gods met dezen Zijnen dienstknecht, aan wien de Heilige Geest het getuigenis heeft gegeven, dat hij de zachtmoedigste was onder de kinderen der menschen, en God met hem gesproken heeft als een vriend met zijnen vriend. Zoodra hij geboren was, betoonden zijne ouders hun geloof, toen zij hem gedurende drie maanden verborgen, en hem daarna, toen geheimhouding onmogelijk werd, toebetrouwden aan een zwak biezen kistje, vreezende noch den toorn des koniDgs, noch de golven der rivier. God stelde hunne verwachting niet te leur, maar bereidde integendeel het kind een redder in het huis van den verdrukker van Israël, en in de dochter zelve van den koning van Egypte.

Bij een zwaren strijd werd Mozes door het geloof in staat gesteld de genietingen der zonde en de schatten van Egypte los te laten, en zich te vereenigen met de onderdrukte slaven op het oogenblik, dat de weg voor hem scheen open te staan tot het beklimmen van den in die dagen magtigsten koningszetel. In het geloof nam hij den smaad van Christus op zich.

Het geloof der moedige ouders en het edel besluit van Mozes, om zich in geenen deele van zijn volk en hunne verwachting te scheiden, zijn allezins geschikt om onze deelneming op te wekken, zoo niet onze bewondering gaande te maken. Mozes wilde door eene bijzondere daad toonen, dat hij zich bij de Hebreen had gevoegd. In zijne eigene kracht en zonder te wachten op een bevel van God, onder den indruk van het

oogenblik, medegesleept door zijn gevoel meer dan bestierd door de onderwijzingen des Geestes, deed liij veelmeer hetgeen hij wenschte, dan hetgeen de Heer hem had geboden. Van daar dan ook, dat hij genoodzaakt werd uit Egypte te vlugten, en zich gedurende vele jaren te verbergen; terwijl het volk, dat hij zoo gaarne wilde dienen , verdrukt bleef in Egypte, en hij schijnbaar voor goed de gelegenheid verloor, om deze natie uit de hand van Egypte te verlossen. Voorzeker wij staan op heiligen grond. Majesteit en barmhartigheid kenmerken Gods wegen, en de groote strijd, die in- en uitwendig gestreden wordt, de worsteling en de overwinning des geloofs, de noodzakelijkheid van eene volkomen overgave aan den Heer, en onbepaalde gehoorzaamheid aan Zijne geboden, worden ons op aandoenlijke en treffende wijze door de pen van den Heiligen Geest beschreven. En toch waarom zouden wij het verzwijgen of verbergen: wat wij tot nu toe gezien en gehoord hebben is als niets vergeleken bij hetgeen nu vóór ons komen zal. Weldra zullen wij de stem Gods hooren, en de openbaring Zijner heerlijkheid als het ware met eigene oogen aanschouwen, terwijl Hij zelf ons vermaant, dit groot gezigt met eerbied en ootmoed te naderen. Wij zijn getuigen van de eerste regtstreeksche openbaring van Jehovah aan den grootsten der profeten, en aanschouwen als in een spiegel wie God is, wat Hij is voor Zijn volk, en wat Hij van hen verwacht. Met andere woorden: wij hooren den kreet des noods; wij zien den brandenden braambosch; wij naderen met eerbied het grootscli gezigt.

De jaren van het leven van Mozes zijn in drie maal veertig jaren verdeeld. De eerste veertig jaren bragt hij door als een vorst, of althans als den aangenomen zoon van Farao s dochter aan het koninklijk hof. De tweede veertig leefde hij als herder in de woestijn van Midian. De derde veertig stond hij als overste leidsman, zoo niet als koning aan het hoofd van het verloste Israël. Hij werd geboren om de verlosser van Israël te zijn, en om het door hen van de Egyptenaren geleden onregt op hunne verdrukkers te wreken. Nogtans weten wij weinig van dezen, door God tot zulke groote dingen geroepen man, tot het tachtigste jaar van zijn leven. Wij worden veelal gewezen op het spreken der Schrift, laat mij u nu eens wijzen op het zwijgen der Schrift. Niet een

enkel woord wordt door Mozes zeiven gezegd, om de aandacht te vestigen op de door hem gebragte groote opofferingen; niet eene enkele opmerking wordt er gemaakt, om zijn onbedachtzaam gedrag in het verslaan van den Egyptenaar te verontschuldigen, en nog minder [te verdedigen. Niet de mensch Mozes, maar de God van Mozes moet in alle dingen verheerlijkt worden. Maar juist dit is kenmerkend voor al de heiligen Gods, dat zij zich zeiven verloochenen , en God alleen de eer geven, of zoo als een hunner het later heeft uitgedrukt: Hij moet wassen en ik moet minder worden. Wat de Dooper in de tegenwoordigheid van het vleesch geworden Woord heeft beleden, kenschetst al de getuigenissen van het geschreven woord: Niet aan den mensch, maar Gode al de eer.

Wat kan men van deze jaren van wreede verdrukking zeggen, dan dat ofschoon de eene koning stierf en een ander koning hem opvolgde, de toestand van het verdrukte volk onveranderd bleef. Wat ook immer veranderde, hun lijden bleef hetzelfde, zoo het niet in den loop der eeuwen zwaarder werd. Wel mogt er groote duisternis over Abraham komen, toen God hem in een ontzaggelijk visioen aanzeide, dat zijn geslacht gedurende verscheidene eeuwen vreemdeling zijn zou in een land, dat niet het zijne was, en aan eene wreede mishandeling blootstaan; ofschoon deze ontzettende verklaring grootendeels verzacht werd door het feit, dat het door Hem voorzegd werd, die met Abraham een bijzonder verbond gesloten en hem beloofd had dat zijn zaad zoo talrijk zou zijn als de sterren aan den hemel, ja dat zij op Gods tijd uit het huis der dienstbaarheid zouden vertrekken, rijkelijk beladen met de schatten hunner verdrukkers. Wat Stefanns zegt van Mozes: dat hij onderwezen was in al de wijsheid der Egyptenaren (Hand. 7 : 22) is in een zekeren zin waar van de gansche natie, die niet alleen goud en zilver van de Egyptenaren ontving, maar tevens van hen leerde deze stoffen alzoo te gebruiken, dat zij een tabernakel ter eere van dien God konden bouwen, dien Farao voorgaf te verachten. Deze jaren waren ongetwijfeld tijden van groote verdrukking; maar ook toen heerschte God in het midden Zijner vijanden. Laat ons deze gedachte gedurig in den geloove bepeinzen, dat God niet alleen over Zijne vrienden, maar ook over Zijne vijanden heerscht; want zij be¬

schaamt hen, en bemoedigt grootelijks elk kind van God, en bevestigt ons in de overtuiging, dat indien God vóór ons is, niemand tegen ons zijn kan, ja dat alle dingen ten goede moeten medewerken, dengenen die God liefhebben. Want toen Israël bijna verpletterd was door den zwaren last, die op het volk drukte, leerde het tot God roe pen, en hun roepen ging op tot Hem, die Zijn oor neigt tot de stem onzer smeeking. Ja het was de ure der duisternis, en al wat uit den mensch was, werd het volk ontnomen. Er bleef hun niets anders over dan naar boven te zien, en daar zelfs schenen zij niets te zien dan donkere wolken, die het aangezigt Gods voor hen verbergden. Deze jaren van verdrukking hadden niet alleen hunne ligchamelijke kracht verbroken, maar zonder twijfel ook hen zedelijk verlaagd totdat zij eindelijk , den verloren zoon gelijk, tot zich zeiven kwamen en gedachten aan hun Vader in den hemel; en toen zij niet zingen konden van de goedertierenheden Gods, riepen zij uit de diepte van hun vermoeid en beladen hart, en in hunne verzuchtingen pleitten zij op de beloften Gods, en maakten melding van het verbond, dat God met Abraham en zijn geslacht had gemaakt.

Doch niet alleen zij, maar ook God gedacht aan dit verbond; en even als de vader van den verloren zoon uitzag naar zijn terugkeerend kind, en het in zijne liefdevolle armen opnam, alzoo luisterde God ook naar het roepen van de kinderen van Israël. Een aardsche koning acht het beneden zijne waardigheid te letten op de smeekingen zijner Israëlitische knechten. De God des hemels daarentegen luisterde naar hunne verzuchtingen, en zag op hen neder met onuitsprekelijke barmhartigheid. Wel is waar was er weinig in deze mannen overgebleven van het geloof van hunnen vader Abraham; zij muntten zeker niet uit in gehoorzaamheid als hun vader Isaak, noch worstelden zij met God zoo als hun vader Jakob; noch kenden zij de vreeze des Heeren, zoo als Jozef. Zij waren ook de geringste van Gods weldaden onwaardig, niet waardig dat God naar hen luisterde, Maar God is barmhartig en goedertieren, en Hij handelt niet met de kinderen der menschen naar hunne zonden en vergeldt hun niet naar hunne ongeregtigheden. Indien dit nu waar was in die dagen, hoeveel te meer zal het blijken waar te zijn in dezen laatsten tijd nu wij de

barmhartigheid Gods in Jezus Christus hebben aanschouwd en in Hem alle beloften Gods ja en amen zijn geworden.

Toen de nood van Israël het hoogste toppunt had bereikt, was God gereed tusschen beide te komen, en de belofte aan Abraham gedaan, te vervullen. Deze ter nedergeworpen knechten worden door God beschouwd en behandeld als de nakomelingen van Abraham, Zijnen vriend; en voorzeker, wij zouden zeer ellendig zijn, indien, wanneer wij zeiven lijden, of anderen zien lijden, die wij zoo gaarne zouden willen helpen , zonder het te kunnen doen, — ons het middel werd ontnomen, om ten hunnen behoeve tot Hem te roepen, wiens troon wel is waar in den hemel is, doch die nabij is een iegelijk, die in waarheid tot Hem roept, en gedachtig is het verbond, dat Hij in Zijnen Zoon met Zijn volk heeft gemaakt. Bergen kunnen wijken, doch de belofte Gods wankelt nooit. De last drukt zwaarder op uwe schouders, opdat gij des te dringender tot God zoudt roepen. Doch God verlaat niet en vergeet niet wat Hij heeft toegezegd. Elke traan, die gestort is met tot het gebed gevouwen [handen, is om zoo te spreken in Gods flesch vergaderd, opdat Hij er aan gedenke en dien op Zijnen tijd afwissche. De ellendigen en nooddruftigen, zegt de Heer, zoeken water, maar er is geen , hunne tong versmacht van

dorst. Ik de Heer zal hen verhooren. Ik de God Israëls zal hen niet verlaten. (Jes. 41: 17). Israëls ellende had haar toppunt bereikt, maar het volk had tevens geleerd te bidden, en God Zijne beloften te herinneren. En wat geschiedde nu met Mozes? Gedurende vele jaren was hij van zijn volk gescheiden, even als Jozef van zijne familie. God deed dit, om hunne liefde tot Hem te louteren en hun geduld te beproeven. Jezus zelf had dertig jaren gewacht in Nazareth, voordat Hij in het openbaar optrad; en voorwaar het is eene moeijelijke maar tevens nuttige les , te wachten. Laat ons niet vlugten voor den Heer, maar wachten op den Heer. Laat ons noch achterblijven, noch vooruitloopen. Den Heer te volgen, onmiddellijk te volgen, is onze roeping en onze veiligheid.

Op zekeren dag wandelde een herder te midden zijner schapen. Veertig jaren heeft hij in de eenzaamheid der woestijn doorgebragt, en zijne naaste betrekkingen zouden hem niet weder herkennen; want hij is niet

VOOIt KINHEREN.

Maria Magburg.

Maria was pas even vijf jaar oud, toen zij reeds hare moeder in kleine huishoudelijke zaken begon te helpen; hare ouders waren niet rijk en zij was de oudste van drie kinderen, dus viel er vrij wat te doen. Zij kon zoo aardig op hare kleine zusjes passen, of voor moeder een en ander aandragen, dat zij beloofde een handig meisje te zullen worden. Op zekeren dag werd hare moeder ernstig ziek, en moest men zich z66 rustig mogelijk houden; de kleine Marie ging met de kinderen naar buiten, om de zieke hunne vermoeijende bewegingen te sparen. Alleraardigst had zij hen een paar uur lang bezig gehouden, toen zij regt verlangend werd eens naar hare moeder te gaan, en wat van haar te hooren; juist kwam hare grootmoeder buiten met een zeer bedrukt gelaat.

„Mariezeide zij, „ik ben bang dat moeder niet beter wordt, zij is heel erg."

,/Maar grootmoeder! wat moeten wij dan beginnen?"

„De Heer zal voor u zorgen, lieve! over al moeders kinderen, omdat zij Hem liefheeft."

„Maar waarom kan Hij voor moeder ook niet zorgen?" vraagde de kleine in tranen uitbarstende.

„O als moeder in den hemel komt, zorgt Hij voor haar ook goed."

«Als zij maar bij ons blijft, want wij kunnen moeder niet missen. Ik zal het den Heer eens vragen I"

Kort hierop werd de moeder beter, en herstelde weldra geheel; het kleine meisje was overgelukkig en haar gezigtje straalde van blijdschap.

//Ziet ge wel grootmoeder, dat God moeder niet heeft weggenomen, ik weet wel waarom!"

„Nu waarom dan, mijn kind?"

„Wel ik heb Hem gevraagd om moeder beter te maken, en nu heeft Hij het ook dadelijk gedaan."

Kinderen zijn niet ligt te jong om tot Jezus te gaan met hunne nooden; ook in dezen zegt Hij: „Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert ze niet.''

De Heer weet wel wie,

Op zekeren avond kwam Willem W. vermoeid van zijn dagwerk te huis; zijne kinderen kwamen hem blijde te gemoet loopen en werden regt hartelijk door hem geliefkoosd. Langzamerhand verdween het jonge volkje; alleen de kleine Emma, die op haars vaders knie in slaap gevallen was, bleef over. Hij hield haar bij zich totdat het avondeten was afgeloopen en bragt haar toen naar haar bedje. Het kind werd wakker en keek verwonderd om zich heen. //Mijne kleine Emma vergeet immers niet den Heer te bidden, niet waar?" zeide hij.

;/Neen," zei het kind en ging op haar knietjes liggen. //Lieve Heer, wil U mij al mijne zonden vergeven en spaar U.... de Heer weet wel wie . . , ." zei ze vertrouwend, en overmand van slaap, legde zij haar hoofdje neêr en sliep terstond.

Duur gekocht.

Twee heeren reden langs een breeden rijweg, toen zij beiden hunne paarden inhielden om eene prachtige buitenplaats te bewonderen. ,/0, zeide de één, wat is dat mooi, ik zag nooit sierlijker geheel, welk een gebouw, nu dat beloont zeker de

kosten wel, want het ziet er buitengewoon heerlijk uit!"

//Neen," zeide zijn Vriend, ;/o neen, het is te duur gekocht, veel te duur."

z/Hoe dat ?" vraagde de andere verwonderd.

//Wel, het heeft den eigenaar den vrede zijner ziel gekost. Hij diende den Heer vóór dezen, maar nadat hij deze rijke buitenplaats gekocht en verbouwd heeft, hebben de dingen dezer wereld zijne ziel zoozeer vervuld, dat hij den Heer heeft losgelaten en niet langer tot de Zijnen wil behooren. O tot welk een kostelijken prijs kocht hij deze weelde!"

De naaui Jezus.

Eene moeder van een talrijk gezin lag op haar sterfbed, 't Baatte niet of de geneeskundigen alle middelen beproefden om de lijderes in het leven te behouden; 't baatte niet, of de echtgenoot zich in radeloosheid de handen wrong, en de kinderen bitterlijk weenden — het lijden nam toe, de krachten verminderden, en weldra zou er uit het nog onlangs zoo vrolijke gezin eene doode worden uitgedragen.

Tot hiertoe had de zieke gedurig met de haren gesproken, en hen voorbereid op het naderend afscheid; maar de twee laatste dagen scheen zij meestal bewusteloos te zijn, en sloeg zij slechts af en toe de oogen op. O, b°e pijnlijk was die toestand voor haar geliefden man; wat had hij niet gegeven om nog eenmaal, al ware 't slechts één enkel woord, van hare veege lippen te mogen opvangen , om nog eenmaal een woord van hope en geloof te hooren stamelen, eer die lippen zich voor goed zouden sluiten. Hij sprak haar toe met de liefste namen, hij smeekte haar, hem toch te her¬

kennen en een enkel woord tot hem te spreken; maar te vergeefs. De kinderen verdrongen zich voor het ziekbed, en de kleine Emma legde hare handjes op moeders bleek gelaat, en stamelde: //Moeder, lieve moeder! kent gij uwe Emma dan ook niet meer?" — De zieke scheen van dit alles niets te bespeuren, en keek slechts af en toe de haren even aan.

Terwijl zij aldus om het ziekbed waren geschaard, en ademloos luisterden of er geen woord door de kranke tot hen zou worden gesproken, kwam een oud vriend des huizes bij hen, en vroeg om nog eens bij de lieve stervende te worden toegelaten. — Men deelde hem den toestand meê, en ook hij schaarde zich in den kring. Hij trad tot de zieke en riep haar bij haren naam, hij sprak tot haar en vroeg hoe het haar ging, maar die lippen bleven als te voren gesloten. Zij zag hem even aan en deed daarop de oogen weder digt. Nu wilden allen zich van het ziekbed verwijderen, toen de oude man, zich over de zieke heenbuigende, fluisterde: nJezus, Jezus." — En zie, daar openden zich de oogen, en daar klonk 't van die lippen, die voor goed schenen gesloten te zijn: //Hij is mijn troost — in leven — en — in sterven. Hij is mijn — Al!"

Uitgeput zeeg zij op het kussen neör, en die lippen sloten zich om zich hier op aarde nooit meer te openen.

Zoo blijft die naam, ook op het oogenblik , dat wij geen oog en hart meer hebben voor iets van de aarde, ook voor de geliefdste panden niet, eene kracht bezitten en eene magt uitoefenen, die de veege lippen doet spreken en het stervende bewustzijn herleven doet.

liet gebed van den vloeker.

Dr. Kilpin ging eens op een laten avond voorbij eene herberg, toen juist eenige beschonken lieden dezelve verlieten. Een hunner vloekte vreeselijk .... maar onze vriend liet hem stil voorbij gaan en zweeg..

Den volgenden morgen wachtte hij den man eenige passen van zijn werk op, en zeide, toen deze naderde: »Goeden morgen vriend," ik heb hier op u gewacht, om eens even met u te spreken."

i>Met mij?" zeide de man verwonderd, //gij vergist u zeker mijnheer, zoover ik weet heb ik u nooit van mijn leven gezien!"

»Wel, mijn vriend, ik was zoo verlargend om te weten of God u gisteren avond verhoord heeft, en gedaan heeft wat gij Hem gevraagd hebt; het was een verschrikkelijk gebed, dat ik u gisteren hoorde uitspreken."

»Wat praat gij toch, mijnheer? ik begrijp niet wat gij meent."

»Gij hebt God gevraagd u te verdoemen, met al de uwen ... en gij hebt uwe kameraden naar de hel gewenscht! o man! als God u eens verhoord had, dan waart gij allen heden reeds verloren !"....

» Noemt gij dat bidden?" zei de man stamelend.

»Nu kom ik heden tot u met eene boodschap van mijn Meester. Hij noodigt u uit, deze ontzettende bede terug te nemen, en als gij van nu af voortaan even vurig voor het behoud uwer ziel bidt als gij het tot hiertoe gedaan hebt voor de rampzaligheid van u zeiven en uwe arme kinderen, dan zult gij zelf ondervinden dat God de gebeden hoort. De man luisterde ... en bad . . . en bevond het aldus.

Sluiten