Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870.

Een en Twintigste Jaargang.

: H \ stem "

N\ 36.

VOOR

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

mix ■o jroaxn

Ps. CXYI: 10.

Vrijdag, 9 September.

Het geloof is uit het gehoor.

Bom. X: 1.

De uitgave van dit Blad geschiedt des Vrijdags. — Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de

Uitgevers H. DB HOOGH & C°. to Amsterdam.

Abonnementsprijs per kwartaal ƒ 1,50, franco per post ƒ 1,65. — De Prijs 'der Advertentie is van 1—5 regels flr elke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naai de plaatsruimte berekend.

Ten gevolge van het overlijden van den Hoofdredacteur Dr. C. Schwartz zijn door ons aanvankelijk pogingen in het werk gesteld om in dit treurig gemis op eene waardige wijze te voorzien. Zoodra de uitslag onzer pogingen bekend zal zijn, zullen wij onzen lezers daarvan kennis geven. De Uitgevers.

Ziet, Ik maak alle diiiffen nieuw.

En die op den troon zat, zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw.

Openb. 21: 5.

»Dit is een getrouw woord en aller aanneming waardig, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken." Het is even getrouw en waardig om aangenomen te worden, dat Hij die op den troon zit, alle dingen nieuw zal maken. Dit is eene heerlijke waarheid, want zij doet ons de zaken dezer wereld en al het tegenwoordige verstaan en naar waarde schatten; zij vertroost onze harten te midden van alle omstandigheden en omwentelingen, door ons op te beuren met de verwachtingen van eene groote toekomst, en dus onze bange harten te stemmen om den Koning der koningen te verheerlijken. Er is geene waarheid in de Schrift, die meer ter sprake gebragt wordt, en waarover de heilige schrijvers zoozeer uitwijden. Zij is de kroon op het gebouw, zij is de eindpaal van elk streven en verlangen, zij is het eind, het laatste koor waarin de harmoniën der profetie zamensmelten, de oceaan , waarin zich al de stroomen der openbaring werpen. Tot de komst van Christus worden zonden en ongeregtigheden en ellende gevonden. Wanneer Hij komt, zal geregtigheid en geluk gevonden worden, en in plaats van angst en zuchten, zullen liederen van overwinning en dankzegging gehoord worden. Te midden der duisternis en verwoesting, die ons van alle zijden omringen , en die allerwegen heerschen, wordt een flaauwe lichtstraal van hoop gezien, totdat Hij komt, en met Hem licht, leven, liefde en eeuwige vreugd, want deze Zijne komst brengt met zich mede de omverwerping van alle dwaling en leugen, het uit den weg ruimen van alle goddeloosheid, den ondergang van het afgodische Babyion en de antichristelijke magten, en met het herstel van het volk van Israël, de hernieuwing en herleving der kerk als uit de dooden. Dus wordt ons in deze woorden

de zaligheid van de geheele schepping geschetst.

Het is moeijelijk te verstaan, hoe de Almagtige God in eenen gedurigen strijd met deze wereld, die in den booze ligt, kan gewikkeld zijn; hoe Hij in Zijn wonderbaar geduld deze tegenwoordige wereld draagt, want Hij heeft de magt en de kracht om allen tegenstand te verbreken en aan alles dat bestaat, een einde te maken; en de moeijelijkheid wordt nog vermeerderd, wanneer wij bedenken, dat met deze almagfc oneindige goedheid verbonden is, en dat de strijd steeds tegen het booze gevoerd wordt. Het is de wil van God, aan het kwade een einde te maken. Deze twee oneindigen; magt en goedheid maken Gods wezen uit, en de eindelijke zegepraal van beiden zal ons God doen zien als alles in allen; Zijn wezen zal gekend worden, Zijn Naam geheiligd, Zijn wil geschieden even als in den hemel!

Zullen wij ooit wonen op deze heilige aarde? Onze treurig gestemde harten kunnen ter naauwernood zulk een heerlijk einde verwachten, en reeds de enkele belofte doet ons huppelen van vreugde.

Want nu zijn wij omringd door het booze, wij gevoelen zijn invloed en kracht in ons eigen hart en daar buiten. Maar wij weten, dat God te midden van alles en over alles regeert; ons beperkt verstand kan de verborgenheid der wereldorde niet ontraadselen , maar wij weten dat het Gods wil is, die het leven der vijanden verlengt en hun kracht geeft tot het uitvoeren hunner ontwerpen; dat zij geene magt zouden hebben, zoo die hun niet door den Almagtige geschonken werd, en dat, wanneer wij alles zullen kunnen overzien en de verhouding van elk bijzonder deel tot het geheel zullen kunnen verstaan, wij zullen moeten erkennen, dat het goed was. Wanneer wij het verhaal der schepping lezen , zien wij hoe God, die het oppergezag had, aan den mensch heerschappij verleende over de visschen der zee, over het gevogelte des hemels en over het vee en over de geheele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. Het beeld van God, waarnaar hij geschapen was, gaf liem niet alleen een godsdienstig karakter, maar maakte hem ook tot een heerscher. En vóór hem lag eene groote loopbaan van ontwikkeling, van toeneming in goedheid en magt naar de gelijkenis waarmede hij gemaakt was; maar door den val verloor hij beiden. De zonde verlokte het hart van Adam en de scepter ont¬

glipte aan zijne bezoedelde handen. De verleider was voorspoedig en overweldigde deze aarde, en de arme, onttroonde vorst Adam moest rondzwerven als een balling en zonk steeds dieper in zonde en ellende. Het gebied, waarover hij geheerscht had, deelde in zijnen val. Het plantenrijk viel onder den vloek, en in plaats van den myrteboom groeide de distel op. De dierenwereld, wier voedsel ontaard was, deelde mede in den val, en in plaats van de eensgezindheid, die er vroeger heerschte, werd alles vervuld met haat en tweedragt.

Welk een vreeselijk onderscheid tusschen de uren, waarvan verklaard wordt, dat God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet het was zeer goed, en het oogenblik, waarvan opgeteekend staat, dat de Heer zag dat de boosheid der menschheid menigvuldig was op de aarde, en dat het Hem berouwde, dat Hij den mensch gemaakt had. Adams zonen en dochteren waren even als hij krachteloos en vol van ongeregtigheid, zondaren in de oogen van God en geklonken in de ketenen van den vorst dezer wereld; en de droevigste nalatenschap hebben wij ontvangen , zwakheid en zonde zijn ons erfdeel. En de geheele schepping zucht en kermt en overal hooren wij den weerklank van de geschiedenis van onzen val, terwijl de getrouwe kronijk dezer wereld van buiten en van binnen, van de eerste tot de laa-ste bladzijde vol is

van zonden en smarten en rouwklagten. In het prachtigste paleis, dat schittert in de oosterzonne tot in de sneeuwhut van den armen verkleumden Groenlander heerschen zonden en smarten. Alle zielen zijn aangegrepen door het verderf, alle ligehamen dragen in zich de kenmerken van den dood, alle natiën gaan gebukt onder de wreede tiranny der zonde en alle menschelijke harten zuchten onder den last der smarten.

Tot deze wereld van ellende kwam Jezus de tweede Adam, en tegen wereld, zonde en hel gordde Hij zich ten strijde. Hij overwon niet door een aan den dag leggen van Zijne magt, door eene openbaring van Gods volkomen gezag, want zelfs tegenover den duivel handelt God regtvaardig volgens de beginselen van Zijne heilige geregtigheid. V'an daar het leven van Christus met zijne diepe vernedering. Hij stelde zich bloot aan de boosaardige aanvallen van den vijand, Hij worstelde in doodsangst in den hof van Gethsemané, Hij ontving in den dood het loon der zonde, en daarna begon Zijne overwinning, bevrijding der gevangenen.

Want op den derden dag staat Hij op in volle zegepraal, en weldra stijgt Hij op tot de regterliand van Zijn Yader, en zit in heerlijkheid in den hemel. Maar al is de kop der slang verbrijzeld, toch duurt de strijd nog voort, want de tijd door Gods wijsheid bepaald voor de volle openbaring van de vruchten der roemrijke overwinning is nog niet gekomen, de ure der eindelijke zegepraal is nog niet geslagen.

Maar welke zal onze gedragslijn zijn in dezen strijd, hoe zullen wij ons te midden dezer worsteling bewaren? Wij moeten ons geheel vertrouwen in den Overwinnaar stellen , en zij die door genade zich aan Jezus vastklemmen, ontvangenin hunne harten het onderpand der algemeene overwinning. Zij ontvangen de eerstelingen der belofte van den aanstaanden oogst, de eerste druppelen die de stroomen van water inleiden.

Er is geene verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, voor hen die in het geloof bouwen op het volbragte werk van Christus; en hetzelfde geloof, waarmede zij hunnen Heer hebben aangegrepen, werkt door liefde en brengt vrijheid en magtNaarmate zij toenemen in'geregtigheid, ontvangen zij meer en meer eenen koninklijken stempel, en ten laatste wordt het beeld van God, dat zij verloren hadden, hersteld. Het karakter en ambt wordt hun wederom geschonken, door liet bloed des Lams worden zij gemaakt koningen en priesters, bij de wederkomst zullen zij volmaakt worden in het beeld van den opgestanen Heer, om met Hem te zijn waar Hij is, en na deel te hebben gehad in den geloove aan Zjjne smarten, met Hem te heerschen in eeuwige heerlijkheid.

Dus zal de menschelijke koning hersteld worden tot den troon, waartoe hij gedurende eeuwen van wege zijne zonden vervallen was verklaard. En ook zijn koningrijk zal wederom hersteld worden; wat den mensch gegeven werd in den beginne zal wederom het zijne zijn in het einde. Het rijk en de heerschappij en de grootheid der koningrijken onder den ganschen hemel zal gegeven worden den volke der heiligen der hooge plaatsen, welks rijk een eeuwig rijk zijn zal, en alle heerschappijen zullen Hem eeren en gehoorzamen. »Wij verwachten naar Zijne belofte nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde, in welke geregtigheid woont/' zegt Petrus; terwijl Johannes ons berigt, dat hij een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde aanschouwde. In het achtste hoofdstuk van den brief aan

de Romeinen wordt het schepsel voorgesteld als te zamen zuchtende en uitziende naar de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. In deze geheele schepping waren geene smarten, maar zij viel en werd der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, ruaar om diens wil, die haar der ijdelheid onderworpen heeft, en werd dus verplaatst uit een toestand van vreugde in dien van ellende, beroofd van alles behalve de hoop op verlossing. Dus werd het schepsel in de dienstbaarheid der verwerping gebragt. En nu brengt de grond onkruid en vergiftige planten voort, die in het zweet des aanschijns door den landman moeten worden uitgeroeid, en heerscht er ^ ïj andschap en oorlog tusschen de dieren der aarde. De wreede wolf is er op bedacht het teedere lam te verscheuren; de gier stort zich op de schuchtige duiven, en de spin weeft haar net om de argelooze vlieg te verschalken. In de geheele schepping ontwaart gij de gevolgen van den val; overal doen zich de sporen van eene diepe verwoesting kennen. En wreeder nog dan het meest verscheurende der dieren is de mensch, van het oogenblik af, dat aan de poorten van het gevallen paradijs het bloed van Abel, den regtvaardige, vergoten werd, tot op deze ure, nu de velden van Europa de lijken der verslagenen ter naauwernood dragen kunnen. De mensch , begaafd met verstand, dwingt alle schepselen in zijne dienst te treden, en beraamt telkens nieuwe middelen en werktuigen ter vernieling. Het gejammer en gekerm der schepselen laat hem onbewogen, en hij maakt gebruik van de tweedragt, die er tusschen de schepselen heerscht, tot zijn eigen vermaak en voordeel. Het onreine hart verraadt zich in al zijne handelingen.

Is dat dan het werk, waarvan God verklaarde, dat het goed was, waarop Zijne oogen met welgevallen rustten ? Zelfs in de verbrokkelde bouwvallen schemert de pracht van het oorspronkelijke gebouw door. Even als de ruïnes van Tyrus en Ninevé, die de droevige geschiedenis verhalen van eenen verschrikkelijken ramp, die eene grootsche stad in puin verkeerde, niets overlatende dan de steenen van gebouwen, van welke wij volstrekt niet weten, met welk doel zij zijn opgerigt. Of zoo ge wilt, neem een doofstomme. Zijne gedaante en uiterlijk zijn die van een gewoon mensch, spreek tot hem en hij hoort u niet, luister naar Iiern en gij verstaat hem niet; de onverstaanbare geluiden die hij voortbrengt, maken u met zijne hulpeloosheid bekend.

YOOR KINDEREN.

De oude Ponto.

Op zekeren dag wandelde ik langs een der buitenwallen van Parijs, toen mijn oog viel op een man, die met een grooten hond aan eene ketting aan kwam loopen. Het arme dier volgde hem zoo druipstaartend en treurig, alsof hij wist wat hem wachtte.

„Wat gaat gij met dien hond doen?" vraagde ik.

„Verdrinken, mijnheer, hij wordt te oud, ik kan hem niet langer houden, het spijt mij genoeg, maar het kan niet anders."

De hond keek zijn meester smeekend aan, en begon een zacht huilend geluid te maken, dat mij verwonderd deed staan. Zou het dier hem wezenlijk verstaan hebben?

„Kom," zeide ik," denk er nog eens over, het is zeker een goede hond geweest in zijnen tijd, verdrinken is een harde dood voor een dier, dat zwemmen kan.'

„Neen," zei de man, „het wordt tijd, dat ik hem weg doe, hij dient nergens meer toe, hij is te oud."

Onderwijl was de man digt bij een klein bootje gekomen, hij maakte dit los en tilde den hond er in, daarna stapte hij er zelf in en roeide van wal af; toen hij een goed eind ver was gekomen tot waar hij begreep, dat het water diep genoeg was, lokte hij het dier naar zich toe en kantelde hem over boord.

De hond zonk door den onverwachten val, en bleef eenige minuten onder water; toen kwam hij boven en ging krachtig aan het zwemmen, regt op het aftrekkend bootje aan. Men zou niet gezegd hebben, dat hij te oud was om in het leven te blij¬

ven, zoo vlug werkte hij zich voort. De onbarmhartige meester poogde hem met de roeispanen af te weren, maar bet hielp niets; weldra kwam hij vlak bij het schuitje.

Toen rigtte de man zicb. in zijne drift overeind, nam een spaan in beide handen en wilde hem hiermede een hevigen slag geven; maar ziet, hij verloor zijn evenwigt en stortte voorover in het water.

Hij kon niet zwemmen en stortte met een doffen gil in de diepte. Maar daar snelde Ponto naar de plaats, waar hij verdwenen was ; het trouwe dier dook onder water en kwam weldra boven met den kraag van zijnen meester in den bek; hij zwom een goed eind met zijn zwaren last voort, het hoofd van den man alleen boven water houdende. Eas was er eene andere boot ter hulpe toegesneld, en kwam men het uitgeputte dier te gemoet. De man kwam ongedeerd aan wal te gelijk met zijnen i> onbruikbaren" hond. Toen het lieve dier hem de handen begon te lekken en kwispelstaartend om hem heen liep, keek de man mij beschaamd aan en veegde zijne tranen weg.

„Wel," zeide ik, „dat goede dier schijnt meer te kunnen dan gij wel dacht, ge moest hem mij nu maar verkoopen."

„Neen mijnheer," zeide liij, „dat zou te erg zijn, nu zou ik hem voor geen geld willen missen. Ik wilde hem het leven benemen, en hij redde bet mijne. Neen goede, trouwe Ponto, uw meester zal u nu niet slecht meer behandelen, gij zult een goeden ouden dag hebben! Als hij mij niet gegrepen had, zou ik nu reeds voor Gods regterstoel hebben gestaan, en Hij alleen weet, hoe weinig ik er op gerekend had. O hoe zal ik nu mijn tijd gebruiken, om Hem beter te leeren kennen."

Maakt die hond ons niet beschaamd, lieve kin¬

deren ? Hoe spoedig is ons hart bitter gestemd, als men ons onvriendelijk behandelt, en hoe was het trouwe dier dadelijk gereed zijn onbarmhartigen meester te redden.

Sterren in onze kroon.

Zuster Bella werd gekleed voor het bal, en zij zag er allerliefst uit met haar wit satijnen kleedje en het prachtig parelsnoer om haar hals.

Zij scheen dit zelve ook te vinden, want zij keek regt voldaan van tijd tot tijd in den spiegel. Haar zusje, de lieve Grace, stond baar op eenigen afstand ook te bewonderen.

Eindelijk zette Bella zich neder om gekapt te worden, en nu kwam Grace al nader en nader om eens goed te zien, hoe die sierlijke diamanten tusschen de donkere vlechten gehecht zouden worden.

Het lieve kind zette een zeer ernstig gezigtje, toen zij hiernaar stond te kijken, en hare zuster, dit in den spiegel bemerkende, zeide lagchend:

„Wel Grace, gaat het niet naar uwen zin?"

„O ja, Bella, maar ik stond te denken aan hetgeen ik van morgen gehoord heb, „datde zaligen in den hemel lange witte kleederen dragen en kroonen op hun hoofd," en ik dacht juist of zij er zoo uit zullen zien als gij-"

„Wel neen, kind, heel anders natuurlijk; maar gij moet niet aan mijn haar komen, gij zult het slordig maken."

//Wat staan die diamanten er mooi in,'' zeide Grace, zachtjes het golvend haar liefkozend, 't Is of ge eene kroon draagt, met sterren er in; de jufvrouw zeide van morgen dat we allen kroonen krijgen in den hemel en zooveel sterren er in als

wij zielen winnen voor den Heer Jezus; hè Bella; zoudt ge niet willen, dat gij zooveel sterren in uwe kroon kreegt, als gij er nu in uw haar hebt?"

„Och kind, waar praat gij toch over? hoe komt gij er aan; stil Grace, ik hoor het rijtuig, waar is mijn waaijer?" Eu met een haastigen kus op het opgeheven lieve gezigtje zweefde zij de kamer uit.

Grace ging spoedig hierop naar bed, en toen zij voor haar ledekantje lag geknield, vraagde zij om veel sterren in haar kroon te mogen hebben. „Och lieve Heer," besloot zij, „maak Emma ook uw kind, dan is er één meer die U liefheeft, en help Gij haar om U te dienen. Maak Gij, lieve Heer Jezus, Emma tot eene ster in mijne kroon." (Dit was een harer vriendinnetjes, met wie zij over den Heiland was begonnen te spreken.)

Hierop legde zij gerust haar hoofdje neder, er vast op rekenende dat haar Zaligmaker haar verhooren zou.

Bella ging naar het bal, maar de woorden van haar zusje klonken haar gedurig in de ooren. Zoo dikwijls zij in een der talrijke spiegels in de balzaal haar kapsel te zien kreeg, schoot haar de gedachte te binnen: „Zal ik eene kroon hebben als ik zóó de wereld lief blijf hebben?"

Met een bezwaard hart maakte zij een paar dansen mede, en greep de eerste gelegenheid aan, die zich opdeed, om huiswaarts te keeren.

Thuis gekomen, spoedde Bella zich naar hare kamer, ontdeed zich van hare sieraden en zeide beslist: „Nooit zal ik u weder aandoen voor eene soortgelijke gelegenheid; mijne eerste zorg zal nu wezen voor eene eeuwige kroon te zorgen."

Toen ging zij zachtjes naar de kamer Van Grace, en knielde bij haar bedje neder, om het vreedzame gelaat te kussen. „Lief zusje," zeide zij, „als

God mij helpt, dan zult gij mij naar Jezus terugbrengen, want ik ben ver van Hem afgedwaald."

Zij ging naar haar eigene kamer terug en beleed haren Zaligmaker met tranen, dat zij Hem vergeten had, maar bad Hem haar weder aan te nemen, liet verledene te vergeten, en van nieuws aan met haar te beginnen'. Zij beloofde de Zijne te willen worden.

Het was bijna dag geworden toen Bella haar hoofd nederlegde; en inderdaad het was ook dag geworden in hare ziel, de Zonne der geregtigheid was daar opgegaan.

Het zaadje door Grace gezaaid, was opgeschoten en droeg vrucht. Dit was reeds eene ster in hare kroon, en zal het eeuwig blijven.

_ Zoo dikwijls gij uw vertrouwen op God vestigt, vindt gij Hem getrouw, maar telkens wanneer gij op uw eigen hart vertrouwt, zult gij bedrogen worden.

De omgang met godvruchtige vrienden is als de voorhof in 's Hêeren tempel; de vrome kring des huisgezins is het heilige, en de stille bidkamer het heilige der heiligen.

Het geloof aan Gods voorzienigheid is eene veilige duikerklok. Wie daarmede tot op den bodem der diepe levenszee afdaalt, vindt paarlen, op de plaats waar anderen, zonder haar, den dood vinden. Door haar beschermd, kunnen de stormen ons niet verschrikken of schaden; zonder haar wordt de beste duiker door de baren verzwolgen, of door de diepte afgeschrikt. Wie haar kiest, vindt in haar beschutting en eene zekere schuilplaats.

Sluiten