Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21 April 1871.

Artresseerea:

Bijdragen, brieven enz., franco aan de redactie: Dr. A. Küyper, Keizersgracht bij de Prinsenstraat SS 393.

Abonnement on AdVerfcentiün aan de Uitgevers H. DE HOOGH & Co., Nieuwen dijk L 76.

22® Jaargang, N0. 16.

Abonnement:

Per Kwartaal ƒ 1,50

Franco per post . . . . » 1,65

Advertentiën:

1—5reg. ra. een ex. der cour. ƒ 1,15

Elke regel meer . . . . » 0,15 Geboorte-, Sterf- en Huwe-

lijksberichttn per regel. » 0,15

Aauvr. om liefdegaven p. r. » 0,10

VOOR

VRIJE KERK EN VRIJE SCHOOL IN HET VRIJE NEDERLAND.

„ISRAËLS KONING HET HOOFD DER GEMEENTE.

.ORANJE KERK EN VADERLAND.

«Lichamelijk."

„Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal Ik dien oprichten."

Hij zeide dit van den tempel zijns lichaams.

Joannes 2: 19, 21.

Den loochenaar van Jezus' opstanding komt schijnbaar de lof van geestelijke innigheid ten goede, dus beweerden weten andere. Ook dit moet toegelicht.

Er bestaat feitelijk, dit weet ieder, al was het slechts uit de ervaring van het eigen hart, een tegenstelling, een strijd tusschen ®lijf en ziel", gelijk onze vaderen het kort en kernachtig uitdrukten, of, wil men, tusschen de dingen die des geestes en de dingen die des vleesches zijn.

Een zekere neiging om die tegenstelling °ok op het onderscheid der zichtbare en onzichtbare dingen over te brengen, moest uit dien allesbeheerschenden strijd wel geboren worden, en het kon niet anders, of, won deze verwarring eenmaal veld, dan moest het iets aantrekkelijks voor het vroom gemoed verkrijgen, om des noods met verachting, maar stellig met geringschatting van het uitwendig lichamelijke, zich af te sluiten binnen de perken van het zuiver geestelijk gebied.

Dit wisten ook de ïhodernen. Ze gisten bovendien, dat deze neiging tot overgeestelijkheid zich wel het sterkst zou uiten, waar het vroom gemoed zich voor de heilige persoonlijkheid van den Christen geplaatst vond. En toen ze nu optraden met hun beweren, dat de gewisheid van Jezus' geestelijk leven ook na zijn dood ons genoeg moest zijn, en het van bekrompen zin getuigde, oin aan zichtbare verschijning en betasting des lichaams te hechten , kon het wel niet anders, of alle ziel, die op den weg der valsche geestelijkheid verdoold was geraakt, moest dat beweren van harte toejuichen, en zijns ondanks meewerken, om niet slechts de loochening van Jezus' opstanding te bevorderen , maar den predikers van deze loochening nog den prijs te gunnen van geestelijken zin en innige vroomheid.

Intusschen, om hun dien lof toe te kennen, moet men, bewust of onbewust, met Gods heilig Woord gebroken hebben, en hetzij dan uit onkunde, hetzij uit opzet, bei de oogen luiken voor de vaste en onbuigzame lijnen, die door geheel de Schrift voor het leven des geestes getrokken zijn.

Wat we anders niet zoo sterk zouden uitdrukken, moet daarom thans onomwonden en met alle klem worden uitgesproken: »De beteekenis van Jezus' opstanding ligt juist in de opstanding zijns Lichaams."

Reeds het Woord der Schrift, dat we hierboven plaatsten, toont dit onweerlegbaar. Bij de meening derzulken, die de Joanneïsche verklaring van Jezus' woord terzij zetten, houden we ons natuurlijk niet op. We kun¬

nen dit reeds daarom niet, wijl we ons steeds en onvoorwaardelijk op den bodem van Gods Woord plaatsten, en beweren daarenboven dat de eerste gezonde verklaring zich nog steeds wachten laat, die ook maar van verre waard zou zijn, met de Apostolische uitlegging vergeleken te worden.

Voor ons bestaat er dus geen twijfel, of we hebben hier het eerste woord, waarin Jezus zelf van zijn opstanding uit de dooden gesproken heeft. Dusver was de zetel van Gods heilige tegenwoordigheid op Moria's bergkruin, boven de Cherubs in het Allerheiligste. Door Bethlehem's kribbe daarentegen was de majesteit Gods in veel inniger en hooger zin in den Zoon op aarde nedergedaald. Van die ure af, was dus niet meer

Zions Godshuis, maar Hij, de Christus, de echte tempel, waarin het geloovig Israël de tegenwoordigheid van zijnen God te zoeken had. Het valsche Israël daarentegen zou, verre van de heiligheid Gods in Christus te zoeken, veeleer den Heiligen God bestryden, tegenwerken, uitwerpen, en den nieuwen Tempel zoeken weg te breken, waarin de Heilige Israëls tot zijn volk gekomen was. Dit voorziet Jezus, en nu zegt hij tot de leidslieden van dit verbasterd Israël: «Breekt dezen tempel af, toch zal het n niet baten, want in drie dagen richt ik dien weder op in gelijken zin, als waarin hij, Hoofdstuk 10: 18, van een macht hem gegeven gewaagt, om het afgelegde leven »weder te nemen." Geen twijfel dus, of het is het groote wonder der wonderen, het heerlijk feit der opstanding, waarvan Jezus, reeds nu, in het verheffend voorgevoel van Zijn glorierijken triomf, tegenover de valsche wetenschap van Israëls Schriftgeleerden getuigt. Elke andere uitlegging heft het recht verstand dezer prachtige uitspraak op.

En wat voegt nu Joannes er bij? Alleen dit, dat er van Jezus opstanding sprake is'? Neen, hij gaat veel verder, en bij het licht deiervaring en des Geestes, wijst hij er de gemeente met nadruk op, dat de hoeksteen van Jezus opstanding, niet in het leven zijns Geestes moet gezocht worden, maar veeleer in de opstanding zijns lichaams. »Hij zeide

dit van den tempel zijn lichaams," dus spreekt de Apostel, die juist in de Vleeschwording des Woords de verwezenlijking van ons heil vond, die bij het kruis zoo met nadruk op het »bloed en water uit de wonde" wijst, en in zijn Zendbrieven de gemeenten met den heiligsten ernst bovenal voor de antichristelijke dwaling waarschuwt', alsof Jezus Christus niet in het vleesch gekomen ware.

De uitkomst beantwoordt aan die profetie ten volle.

Vraagt men toch, wat in geheel de opstandingsgeschiedenis voor onze modernen de wonde plek, het hinderlijkst struikelblok is, dan verraadt hun verlegenheid, dan toont de gezochte zinswending in hun schrijven u, dat niets zoozeer als juist het ledige graf hen het spoor bijster maakt.

Ze hebben tèr verklaring van het opstandingsgeloof der Gemeente en zelfs der Apostelen een waarlijk kunstige en fijngespannen voorstelling uitgedacht. Schier niet één tegenwerping kunt ge maken, of er is tevens ook stellig op gerekend en in voorzien. Alles gaat goed, maar vraag niet naar dat ééne, spreek niet over het lijk van Jezus, kom hen niet met het ledige graf bemoeielijken,... want daarop, daarop alleen is nog niets gevonden, en wat er door sommigen van gezegd werd, was zoo blijkbaar ongerijmd, dat de verderzienden onder hen zeiven die mislukte pogingen liever verbergen dan uitstallen.

En geen wonder!

Het dierbaar lijk is toch in de grafspelonk neergelegd. Men weet, althans bij benadering , waar die grafspelonk moet geweest

zijn. Dit stemt ieder toe, dat de volgelingen van den Nazarener dit graf geen oogenblik uit het oog zullen verloren hebben. Men weet met geschiedkundige zekerheid, dat de secte der Christenen geen oogenblik te Jerusalem is uitgestorven. Met wiskunstige zekerheid kan men althans aantoonen, dat er nog discipelen van den Nazarener te Jerusalem waren, toen Paulus zijn Brief aan de Gemeente van Corinthe schreef, .... en toch, ook dit is buiten het geding, ... de jongeren konden van geen opstanding spreken, zoo lang een opening van de grafspelonk het lijk van Jezus aan het licht kon brengen.

Wat dan? Zullen ze zeggen, dat het lichaam des Heeren gestolen is? Nog eens de oude leugen en laster van het Sanhedrin

vernieuwen en ons iet ongelooflijkste gelooven doen? We zouden zeggen, daarvoor kennen we de Romeinsche nauwgezetheid en vastberadenheid, daarvoor de strenge krijgstucht van Rome's legioenen toch te goed! En bovendien. Wat zou er nog mee gewonnen zijn, al kon men dit waar maken. Er zou dan van de zij der Apostelen opzet, er zou opzettelijke misleiding en bedrog zijn geweest, en dit zal men wel toegeven, waar zulke onreine tochten door het

hart spelen, leeft de kracht niet, die een wereld overwinnen zal. Het geloof dat van zonde reinigt bloeit niet aan den stam, die zelf in zonde" wortelt.

Zelfs voor het scherpe denken, zal, afgezien van het geloof der geesten, dat ledig graf dus alle eeuwen door een uitgangspunt blijven, vanwaar men zich niet voortbewegen kan, zonder den verrezen Heiland te ontmoeten, en niets laat zich lichter begrijpen, dan dat juist dit ledig graf een doorn blijft in het oog der modernen.

Ook hier blijkt dus, hoezeer juist het lichaam des Heeren bij zijn Opstanding uit het graf geheel op den voorgrond treedt. Uit overdreven geestelijkheid het oog van 's Heeren lichaam te willen afwenden, is althans bij zijn verrijzenis volstrekt onmogelijk. Juist aan 's Heeren lichaam moet het pleit der opstanding beslecht worden,

en vooruit reeds snijdt men zich den weg tot oplossing van dit gewichtig vraagstuk volstrekt af, zoomen ook slechts een oogenblik de beteekenis van bet lichaam, van het zichtbare, van het uitwendige, zich door de sprake des ongeloofs verkleinen laat.

En toch, ook hierbij kunnen we niet big ven staan.

Zal men dit onware beweren van hen, die Jezus' opstanding loochenen durven, met goed gevolg bestrijden, dan moet uit de Schrift eerst aangetoond, hoezeer de geheele openbaring van Gods Woord tegen hun onware voorstelling indruischt.

De weg, dien ze ons op willen leiden, is alle eeuwen door juist door de secte betreden, en door de Christelijke Gemeente slechts in die droeve jaren van haar ver¬

leden, waarin ze de zedelijke kracht miste,

om de valsche inkruipsels door de macht van Gods woord buiten haar erf te drijven.

Hun weg is die der Donatisten, is de weg aan welks zijden Rome haar kloosters bouwde, de weg die ook in onze kerk door valsche geestdrijvers betreden is.

Ze werden huns ondanks, door hun eigen stelsel, op dien onhoudbaren weg gedrongen.

Er is toch, wie zal het loochenen, een tegenstelling tusschen vleesch en geest, tusschen ziel en lichaam. Ook de Schrift toont ons dit.

Maar hier schuilt de beslissende vraag: »Is die tegenstelling, dat dualisme, gelijk men het noemt, die scheiding tusschen de zichtbare en onzichtbare dingen, in het wezen der Schepping en dus in Gods raad

gegrond, of slechts door den zondeval veroorzaakt?"

Zelfs die vraag echter verstaan onze modernen niet. Ze gebruiken wel het woord »zon de" nog, maar zinledig en van zijn inhoud ontdaan, en althans de gedachte van een »zondeval" is door hun wilkeurige leerstellingen volstrekt uitgesloten.

Huns inziens zijn alle dingen, gelijk ze waren in hun oorsprong, althans wat hun natuur en wezen betreft. Yinden ze dus feitelijk een dualisme, d. i. een tegenstelling tusschen geest en stof, dan aanvaarden ze die noodlottige scheiding, als in het wezen der dingen gegrond. Van vroomheid, van een hooger leven, kan er dus voor hen geen sprake zijn, dan in den zin van afgetrokken, en dus onware geestelijkheid.

Gods Woord daarentegen toont ons wel, dat thans, als gevolg der zonde, deze tegenstelling tusschen ziel en lichaam in ons en buiten ons bestaat, maar om ze te veroordeelen. Dat Woord openbaart ons de dubbele verborgenheid, dat deze tegenstelling, dit dualisme, er in den aanvang niet is geweest, en dat ze eens weer zal verdwijnen. Juist in de opstanding van Christus viert deze openbaring der Schrift haar triomf.

Modernisme en Gods Woord staan dus ook hierin lijnrecht tegen elkander over. Dit aan te toonen stellen we ons een volgend maal tot taak.

Ëlk zijn stand.

Alom bestaat in onze maatschappij het verderfelijk streven naar standverhooging op verkeerde wijze. Niet gelijk de plant, van onderen naar boven groeiend, zoekt ieder zich, welgeworteld en goed gevoed, in eigen kring uit te breiden. Neen, op eenmaal moet de boom volwassen zijn, en uit dit streven ontstaat maar al te vaak een zoo diep verval, dat men eindelijk veel lager op den maatschappclijken ladder daalt, dan wanneer men van meet aan begonnen ware. Men wil zich verheffen boven den maatschappelijken toestand, waarin men door God 'geplaatst werd, en tot eiken prijs meer schijnen dan men is.

Let op de volkskleederdracht: alleen in enkele dorpen en zeer kleine steden hield zij nog stand. Over het algemeen is de Parijsche mode in Nederland even onverbiddelijk, als in Frankrijks hoofdstad zelve. Eèn kleêrmaker of naaister van

eenige reputatie kan het maar noode van zich verkrijgen, op uw -dringend verzoek te werken naar een ander model. En het getal dergenen, die eenvoud begeeren, wordt telkens kleiner. Vroeger, toen de gilden nog bestonden, schaamde zich niemand voor zijn ambacht, en bij den stand behoorde het pak.' Thans is oogenschijnlijk alle standverschil uitgewischt, en vooral des Zondags kunt ge uit de kleeding onmogelijk opmaken, wie uwe deur voorbij wandelt. Societeiten en koffiehuizen worden gelijkelijk door alle standen bezocht. De arme dienstmaagd, die in vroeger jaren allereerst voor een behoorlijke uitrusting in linnen-goed zorgde, geeft nu al haar loon uit voor zwierigen opschik, en is in vele gevallen, buiten de werkuren, van hare meesteres niet te onderscheiden. Burgermeisjes, die met haar niet gelijk willen staan, omdat zijniet »behoeven te dienen", willen zich op haar beurt weer onderscheiden door voiles en parasols.

De kleermaker wil marchand-tailleur zijn, de hulponderwijzer noemt zich het liefst secondant. De schoolmeester wil minstens instituteur heeten, de timmerman wordt tegelijkertijd architect, en waar zouden wij eindigen, wilden wij aldu3 voortgaan. De huismoeder, die hare dochters te fatsoenlijk vindt voor gewone dienstboden, maakt er winkeldochters of modistes van. En wat is van al die zucht naar verheffing het gevolg? Dat ieder, omdat hij meer wil schijnen dan hij is, ook meer moet uitgeven, en deze noodzakelijkheid leidt tot andere onzedelijke handelingen op elk gebied. Valsch goud en valsche edelgesteenten vervangen de echte, en zijn wel veel goedkooper, maar goed beschouwd veel te duur. De kleedingstoffen zijn van minder allooi dan vroeger, al blinken ze thans met dubbelen glans. En daar de winkelkast en het winkelhuis zoo bij uitstek sierlijk moeten zijn, kunnen de koopwaren, ook de eetbare, haar deugdelijkheid niet behouden. De logementen zijn sierlijker en gemakkelijker ingericht dan ooit, maar men moet er ook zelfs het licht, dat men gebruikt om te bed te gaan, als waslicht betalen, al is het van de minste compositie en voor geen twintigste deel gebruikt.

Wat zeggen ons al deze dingen? Eerst dit: dat de geheele maatschappij hoe langer zoo meer een leugen wordt, want de zucht om voornamer te schijnen dan men is, is niets anders dan het gebrek aan innerlijke waarheid, tot schade van het hart, de beurs en het levensgenoegen naar buiten zich openbarende.

Vergeten we, vooral in deze dagen, waarin het geroep om vrijheid, gelijkheid en broederschap bij vernieuwing opgaat, ook niet, dat zij, die telkens op de hoogere standen schimpen, de aristocratie met al hare voorrechten het krachtigst erkennen, door hun treurige zucht om hun eigen stand te verloochenen en zich tot hooger te verheffen. Geduchte lessen dienaangaande geeft Parijs ons heden ten dage.

Paulus zegt: »Tracht niet naar de hooge dingen maar voegt u tot de nederige."

V 0 O II KINDEREN. De bliksem en de afleider.

z,Onze lieve Heer knort!" zoo hoort men soms kleine kinderen roepen, als de donderslagen door de lucht ratelen, en ijlings versteekt zich een knaapje in een of anderen hoek, waar het ratelend gebulder zijne kleine ooren niet treft, en het flikkerend bliksemlicht niet door hem gezien wordt. Dat denkbeeld is zeker verkeerd, en die vrees ongegrond. Voorzeker, de bliksem is een verschrikkelijk natuurverschijnsel, en ten allen tijde heeft de mensch het met diep ontzag gezien. Wij lezen ook in den 29sten Psalm: »

,,'t Schepsel beeft en staat verwonderd, Als de God der eere dondert!"

Herinner u slechts een dier vreeselijke oogenhlikken, als de lucht van ratelende slagen weergalmt, en een bliksemstraal soms voor een paar seconden den gansehen omtrek in vuur schijnt te zetten. En denk daarbij aan al de ongelukken, die zoo menigmaal het gevolg van dit natuurverschijnsel zijn. Hoe menig mensch en dier is er door gedood en hoe menige woning in de asch gelegd!

Toch is het onweder een weldaad des Heeren, even onmisbaar voor den dampkring (dat is de lucht, die wij inademen), als de regen voor de aarde. Die zoele, zwoele, soms brandende zomerhitte zou al Wat ademt verstikken, indien niet eene geregelde

zuivering plaats had. En o, wat is alles frisch en liefelijk, wat rieken de bloemen aangenaam, wat zingen de vogels helder, na die luchtzuivering door het onweder!

Dat kleine kinderen bang zijn voor den donder is al heel dwaas, want deze kan niet het minste kwaad doen. Hij is slechts het geluid, dat bij de losbarsting of ontploffing gehoord wordt. Zoo is ook het geluid van een kanonschot wel hard, maar dat geluid schaadt niemand: de kogel alleen heeft moordende kracht. — Weet ge waar u de donderslagen voor dienen kunnen ? Om uit te rekenen hoe ver het weerlicht van ons af is.

Het licht doorloopt in denzelfden tijd eene grooteren afstand dan het geluid. Dat wil zeggen, dat wij het licht eerder zien, dan wij het geluid hooren. In ééne seconde gaat het geluid 333 meters ver. Tellen wij nu tusschen het zien van het licht en het hooren van den slag 1, 2, 3, 4 enz. seconden, dan is even zooveel maal 333 meters het onweer van ons verwijderd.

Lang heeft men zich afgevraagd: Wat zou toch het onweer zijn? Allerlei antwoorden zijn daarop gegeven; maar thans is men het over het algemeen eens, dat het eene geweldige losbarsting der electriciteit in de lucht is. — Wat is electriciteit ? Eene kracht, die door wrijving wordt opgewekt, of ook wel door verandering van warmtegraad, ontbranding of scheikundige verbinding. Haar naam komt van het Grieksche woord electron. Zóó noem¬

den de Grieken het barnsteen, dat sterk gewreven andere voorwerpen aantrekt. Gij zelf kunt hiervan de proef nemen, als gij een stukje barnsteen of een pijp lak duchtig wrijft. In het duister kunt gij dan zelfs de vonken zien springen. In het jaar 1470 werd de electriseermachine door Prof. Winkler uitgevonden. Door dit werktuig wordt eene sterke wrijving bewerkstelligd, en groote electrische vonken opgewekt. De professor meende, en terecht, dat ook de bliksem iets dergelijks moest zijn, en weldra vond deze gedachte algemeen ingang. Men heeft opgemerkt, dat de electrieiteit ook in de lucht zich ophoopt in de wolken. Zij is van tweeërlei aard, aantrekkend en afstootefld, De eerste noemt men positief, de j.weede negatief. — Daar drijven nu twee donderwolken langs elkander; is dè ééne positief en de andere negatief zoo ontladen zij zich rustig in elkander. Is de lucht zeer droog, dan ontstaat er een onweer in de bovenlucht, waarmede de aarde niets te maken heeft. Dat is het weerlicht. Springt echter de electrische vonk over van de wolk op de aarde, dan ontstaat de bliksem.

Bij deze uitlegging blijft nu echter nog altijd deze vraag over: Hoe komen die wolken electrisch? — Hier echter moeten alle geleerden het antwoord schuldig blijven, en allen moeten met diepen eerbied erkennen: „God is groot en wij begrijpen Hem niet."

Onlangs sprak ik u over den electrischen vlieger, die aanleiding gaf tot de uitvinding van den

bliksemafleider. Wat ik hierboven over het onweder zeide, moest ik laten voorafgaan, om u een en ander meer duidelijk te maken. Nadat Pranklin de eerste proef met zijn vlieger gedaan had, werd hij algemeen nagevolgd, en dat wel op allerlei wijzen. De natuurkundigen wisten nu eenmaal een middel om liet bliksemvuur tot zich te trekken, en zekere Prof. Keichman , een Bus , had een metalen stang op zijn schoorsteen gezet en lokte het hemelsche vuur in zijn studeerkamer, door een metaaldraad aan die staag verbonden. Hij wilde daarmede proeven doen, maar werd, helaas , door een geweldigen slag gedood tot straf zijner onvoorzichtigheid.

Pranklin wilde geene proeven doen met het bliksemvuur, dat kwam hem voor veel te gevaarlijk speelgoed te zijn. Het was hem te doen om een middel tot afwending van het gevaar, waaraan zijne woning en vele anderen blootstonden. Hij zette óók een ijzeren staaf op zijn dak, en liet die langs het dak en den muur haar beneden loopen. Daar kwam die staaf in aanraking met twee klokjes, waarop de électriciteit oversprong, en die dientengevolge bewogen werden en geluid gaven. De stang stak 6 meters boven het dak uit en eindigde aan het benedeneinde in een regenton, waarin de vonken uitdoofden. Dit geschiedde in het jaar 1760, en na dien tijd is er bijna geen groot gebouw, kerk of fabriek gebouwd, of de afleider is er opgeplaatst. Die afleiders zijn allen op dezelfde wijze ingericht. De klokjes zijn nergens nuttig toe. Die laat men

dan ook geregeld weg. Maar de punt van de stang wordt tegenwoordig van koper of zelfs van platina gemaakt, omdat dit metaal nooit roesten kan. Om het geheel voor roest te bewaren, wordt het ook geverfd, en de regenput, waarin het toestel eindigt, is dikwijls gevuld met houtskool en cokes, en soms wel 4 meters diep in den grond.

Men moet altijd zorg dragen, dat de geleiding in goeden staat blijft en nergens breekt, want in dat geval zou zij juist den bliksem lokken en de schade grooter maken. — Lokken! Ja dat doet de afleider. Hij trekt den bliksem tot zich, maar voert hem dan ook naar eene plaats, waar hij geene schade doen kan. Welk eene heerlijke uitvinding was die van den vromen Pranklin! Hoe menig kostbaar gebouw is daardoor voor brand bewaard! Voor alle uitvindingen moeten wij God danken en ze gebruiken als gaven zijner liefde.

Toch blijft bij alle voorzorgsmaatregelen het woord van koning Salomo waar: „Indien de Heer de stad niet bewaakt, te vergeefs waakt de wachter." In alle gevaar is altijd de beste schuilplaats bij God. Maar toch moeten wij ons niet moedwillig in gevaar begeven, want er staat ook in den Bijbel: „Gij zult den Heer uwen God niet verzoeken."

Wij mogen dus den afleider wel gebruiken, maar in afhankelijkheid van den Heer, die Pranklin in het hart gaf hem uit te vinden.

\

Sluiten