Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1869.

Twintigste Jaargang.

N°. 28.

EENE NEDERLANDSCHE SÏEM

VOOR

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

uix 'd >ni!3kn

Ps. CXVI: 10.

Vrijdag, 9 Julij.

„Kr,ci,7o «aTHori nnder Redactie van

Uü utigi*" v y mii uil o_»xcuv* j ' u

Biidraeen Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan

Dr. C. ^CHWARTZ, geschiedTgëregeld des Vrijdags van iedere week. npn nnn rïpn Uitere ver H. DE HOOGH.

Het geloof is uit hel gehoor.

Kom. X: 17

. tiom. A :

Abonnementsprijs per kwartaal ƒ 1,50, franco per post ƒ 1,65. — De Trijs deT^dyertentiën is vanl^X^n elke regel meer 15 Center.. — Groote letters worden naar de plaatsruimte berekend ^

Gods gedachten.

li.

En het geschiedde, toen zij inkwamen zoo zag hij Eliab aan. en dacht: Zeker «k ïs deze voor den Heere, zijn gezalfde. Docli de Heere zeide tot Samuël: Zie zijne gestalte niet aan, noch de hoogte zijner statuur, want Ik heb hem verworpen = want het is met gelijk de mensch ziet, want de meiisch "et aan wat voor oogen is, maar de Heere ziet het hart Toen riep Isaï Abinadab, en hij deed heni voorbij het aangezigt van Samuël gaan; doch hij zeide: Dezen heeft de Heere ook niet verkoren. Daarna liet Isaï Samma voorbijgaan; doch hij zeide: Dezen heeft de Heere ook niet verkoren. Alzoo liet Isaï zijne zeven zonen voorbij het aangezigt van Samuël gaan; doch Samuël zeide tot Isaï: De Heere heeft dezen niet verkoren. Voorts zeide Samuël tot Isaï: Zijn dit al de jongelingen? En hij zeide: De kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen. Samuël nu zeide tot Isaï: Ga heen en laat hem halen, want wij zullen niet rondom aanzitten, totdat hij hier zal gekomen zijn. Toen zond hij heen, en bragt hem in: hij nu was roodachtig, mitsgaders schoon van oogen en schoon van aanzien; en de Heere eide: Sta op , zalf hem, want deze is het.

1 Sam. XVI: G—12.

Het was voorzeker eene zeer moeijelijke taak voor Samuel, aan Saul het oordeel Gods, die hem verworpen had, aan te kondigen, en tevens uitdrukkelijk hem aan te zeggen, dat God een ander, en wel een man naar Zijn hart had verkozen, Saul stond toen op het toppunt van magt, en had een dapperen vijand verslagen; zijne populariteit was zonder twijfel vooral in die dagen groot, en daar hij trotsch en eigenwillig was , zou liij alligt tegen den profeet in toorn ontsteken, en Samuel zijne getrouwheid jegens den Heer duur doen betalen. Voorts wist Samuel evenmin wien de Heer tot koning over Israël had bestemd, als Abraham wist welk land de Heer hem geven zou, toen hem geboden werd zij11 vaderland en zijne maagschap te verlaten. Maar Samuel volbragt eenvoudig zijne taak, en bragt de boodschap aan Saul, zoo als hij zeer jong zijnde aan Eli had gedaan. Zijn eenvoudige zin, zuiverheid van hart en onwrikbare gehoorzaamheid zijn inderdaad wonderbaar, en allezins geschikt om

ons diep te verootmoedigen en te beschamen van wege onze ontiouw; maar ons tevens te bemoedigen in de blijde verwachting, dat elke daad van getrouwheid haar loon van den Heere zal ontvangen.

Vergeet het niet, deze mannen waren menschen van gelijke bewegingen als wij; ach dat wij mannen waren als zij! — en

dat ook zij gewaarschuwd en vertroost moesten worden blijkt genoegzaam uit het begin van dit hoofdstuk. Samuel had zich geheel, naar het schijnt, aan de openbare werkzaamheid onttrokken, en al zijne krachten aan het ontwikkelen, onderwijzen en voortplanten der profetenscholen toegewijd; maar al dien tijd zoozeer over Sauls verwerping getreurd, dat God hem daarover verwijtingen deed. Hij treurde niet over het terzijdestellen van zijne eigene zonen, maar wel over het verwerpen van Saul En God gebiedt hem niet langer over Saul te k agen, naardm zijne verwerpingen die van zijn geslacht onherroepelijk bes is is, maar naar Bethlehem te gaan en een ei zonen van Isaï tot koning te zalven. Hoogst "waarschijnlijk was dit huisgezin, en zelfs de naam van Isai tot dien tyd aan Samuel ten eenenmale onbekend. Samuel, de profeet, oppert bezwaren, volkomen bewust van het gevaar, waaraan hij blootstaat, en deze bedenkingen bewijzen duidelijk, dat hij toen niet sterk in het geloof was, maar zij zijn tevens blijken van zijne opregtheid, daar hij niet voorgeeft sterk te zijn in het geloof, wanneer vreeze voor menschel zijn hart benaauwt. Opregtheid voor God is de grootste deugd, zoo er van deugd sprake zijn kan; in elk geval opregtheid is onmisbaar in onze betrekking tot den Heer, want enkel opregten hebben de belof i e , dat licht te midden der duisternis voor hen opgaan zal. Laat ons toezien, dat wij niet veinzen voor Hem, die waarheid in het binnenste onzer ziele eischt; want alleen zij, die uit de waarheid zyn, hooren de stem van den Koning der waarheid, die de waarheid zelve is.

God, die onze gedachten kent en die medeleden heeft met onze zwakheid, vergunt Samuel het eigenlijk doel van zijn komen naar Bethlehem te verbergen achter het brengen van eene offerande, en een kalf van de runderen mede te nemen. Er moet echter eene aanleiding tot het brengen van eene offerande geweest zijn, daar anderzins de oudsten spoedig wantrouwen gekoesterd zouden hebben. Onwaarheid is er zeker niet in 'tgeen Samuel zegt; evenwel is het kleingeloof, en welligt is het juist daaraan toe te schrijven, dat Samuël ook den geest des onderscheids mist als de oudste zonen van Isaï voor hem verschijnen. Want ongeloof berooft ons van, en kleingeloof verzwakt onze geestelijke krachten, zoodat wil en verstand

als verbroken en beneveld zijn, en wij de dingen niet kunnen doen, die alleen het geloof kan tot stand brengen.

Tot het te houden feest, dat op de offerande volgde, en waartoe allen die de offeraar wenschte, genoodigd konden worden, vraagt Samuel Isaï en zijne zonen. En zoodra Eliab, de oudste, die doof gestalte, hoogte en zijn geheele voorkomen een zeer gunstigen indruk op den profeet maakt, voor Samuel verschijnt, meent hij dat deze de aangewezen vorst is, en zegt tot zichzelven: »Kennelijk is deze voor den Heer, zijn gezalfde." Maar even als later de profeet Gods zich ergert, als hij zonder op des Heeren aanwijzing en onderwijzing te wachten, maar onder den indruk van menschelijke redenering David toevoegde: >Ga heen, doe al wat in uw hart is, want de Heer is met u (2 Samuel VII: 3), alzoo geschiedde het ook dat Samuel uit des Heeren mond de waarschuwing moest hooren: »Zie zijne gestalte niet aan, noch de hoogte zyner statuur, want Ik heb hem verworpen; want het is niet gelijk de mensch ziet, want de mensch ziet aan wat voor oogen is, maar de heek

ziet het hart aan.

Deze woorden zijn zeer belangrijk en vol waarschuwing en bemoediging voor allen, die ze in biddende en ernstige overweging nemen, en daarom bereid zijn, om ze opregtelijk in beoefening te brengen. Er is een groot verschil tusschen het oordeel der menschen en dat van God, en wel om de eenvoudige reden, dat het oordeel des menschen beperkt is tot 'tgeen voor oogen is, terwijl het oordeel Gods rust op eene naauwkeurige kennis der verborgene beweegredenen en uitgangen des harten, die alleen waarde geven aan 'tgeen wij doen. Om te beginnen met de zonde van Eva, zij was naar den mensch geoordeeld eene zeer onbeduidende zaak, en nogtans was zij de kiem van alle zonde en ellende. Wat is schijnbaar van geringer beteekenis dan de zonde van Mozes, die eenvoudig deed wat hij vroeger had gedaan met goedkeuring, ja op bevel van God, en nu ook de rots sloeg in plaats van te spreken; nogtans belette hem deze zonde het land der belofte in te gaan. Wie immer den armen Lazarus en den rijken man vergeleek, zoude bij eene oppervlakkige beschouwing voorzeker tot het besluit gekomen zijn, dat de toestand van den rijken man zeer te verkiezen was boven den armen bedelaar, die met zweren bedekt

op de straat van allen vergeten lag. Dat is der menschen oordeel, en wat zegt ons de Heer van het Koningrijk? Ge weet hoe de Zoon Gods oordeelt, en ik behoef het niet te herhalen. Twee mannen gaan op naar den tempel om te bidden, de een algemeen geëerd , de ander van velen, zoo niet van allen veracht; en hoevelen verkiezen den Pharizeër boven den tollenaar! En wat zegt Hij, die de harten kent en de nieren beproeft: »Ik zeg ulieden, deze ging afgeregtvaardigd in zijn huis , meer dan die; want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert zal verhoogd worden" (Luk. XVIII: 14). Doch waartoe voorbeelden vermenigvuldigd, wanneer de gansche Bijbel van den beginne tot aan het einde ten nadrukkelijkste doet uitkomen, dat de gedachten Gods en die der menschen in allen deele verschillen?

De meeste menschen zijn er mede tevreden wanneer zij den schijn kunnen redden. Zij schuwen de zonde niet als zoodanig, maar zij vreezen de gevolgen, en bovenal het bekend worden der zonde. Zij zouden daarom niet aarzelen voort te gaan in de wegen der ongeregtigheid, zoo zij slechts zeker waren het

ongezien en ongestraft te kunnen doen. Velen aarzelen een goed werk te doen enkel en alleen omdat zij den moed niet hebben zich van anderen te onderscheiden, en daarom er meer op gesteld zijn om menschen dan om God te behagen. Het is mogelijk dat nu en dan het oordeel der menschen zachter is dan dat van God; het behoorde althans minder gestreng te zijn, waar de menschen zoo weinig in staat zijn een op volkomen kennis van zaken gegrond oordeel te vellen. Immers zij weten slechts zoo veel als zij óf zeiven gezien óf van anderen gehoord hebben, en hoe gemakkelijk kunnen hunne oogen hen bedriegen en de getuigenissen van anderen hen misleiden? De beperktheid van hun weten behoorde hen, die zei ven vol fouten en verkeerdheden zijn, zeer voorzigtig en toegevend in hun oordeel te maken; maar het is niet zoo, en in den regel ziet men dat zij, die zeer toegevend zijn voor zich zeiven, zeer gestreng zijn jegens anderen. Menschen worden door vooroordeelen beheerscht, zij kiezen buitendien willekeurige maatstaven, en de magt der gewoonte, opvoeding en omgeving en zoo vele andere dingen, die men naauwelijks noemen kan, zij allen te zamen beheerschen en misleiden en verwarren hunne gedachten. David, die zeer zeker Gods hart

en het hart der menschen k^.u, verKiaari uitdrukkelijk, als hem overgelaten wordt te kiezen. »Mij zeer jjange; ]aa^ mjj toch in de hand des Heeren vallen! want Zijne barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de handen van menschen niet vallen." (2 Sam. XXIV . 14). gn pe^ruSj die niet minder dan David geleerd had zijn eigen hart te wantrouwen, vlugtte van zijn hart tot het hart van Christus, bekennende: »Heer Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb."

Menschen kunnen slechts door allerlei redener ingen en gevolgtrekkingen, die telkens zeer oppervlakkig zijn en op valsche onderstellingen rusten, tot een zeker besluit komen , maar God ziet alles op eens en heeft niet slechts eene wetenschap van de zigtbare feiten, maar ook van de drijfveeren, neemt in aanmerking niet enkel de ééne daad, maar het geheele leven en onderling verband, dat tusschen de onderscheidene woorden en werken , tusschen het begin om zoo te spreken en het einde van het leven en zijne menigvuldige uitingen bestaat. Want er is in elk menschenleven eene stille en voor den oppervlakkigen beschouwer verborgene voorbe¬

reiding, en wie dien ontwikkelingsgang voorbijziet , wordt door de plotseling openbaar wordende daad verrast en kan haar onmogelijk naar waarde schatten. Er behoort veel wijsheid, geduld 7 volharding en liefde toe, om zich irit/us in den toestand vfin een andTér

te verplaatsen, dat men hem in alle bijzonderheden kan volgen, om aan deze bijzonderheden, die van het hoogste gewigt zijn voor eene regte waardering van het geheel, regt te laten wedervaren. En juist daarom is het oordeel van God zoo verschillend van dat der menschen , omdat Hij alles van den beginne weet en ten naauwkeurigste gadeslaat het innig en veelal voor menschenoogen verborgen verband, dat tusschen de beweegredenen en de daden der menschen bestaat. Buitendien wordt Hij, die de harten kent en de nieren beproeft, niet door partijdigheid en hartstogt, door jaloerschheid en nijd, noch door den schijn der dingen bedrogen. In alle deze dingen schiet het vonnis der menschen te kort, omdat ons verstand even beperkt is als ons hart door willekeur en zelfzucht wordt verduisterd. Doch voor God zijn alle dingen naakten openbaar, Hij kent onze gedachten van verre, aan Hem onttrekt zich niemand, voor Hem is niets verborgen. En wie hieraan twijfelt leze de majestueuse beschrijving der alomtegen-

tante dooktje's lijfspreuk

OF

WERK — WAAK — WACHT.

EERSTE HOOFDSTUK.

(Vervolg.)

«Het is mijne schuld niet," vervolgde de oude dame, » dat gij Hendrik van Dalen nog nimmer ontmeet hebt; keer op keer heb ik hem geschreven en verzocht ons eens te komen bezoeken, maar telkens wist hij onder een of ander voorwendsel zich er af te maken. Zoo het God behaagt , mijn leven nog eenigo weinige dagen te verlengen, ben ik voornemens eene laatste poging in het werk te stellen."

*Eenige weinige dagen?" herhaalde Jakoba , en hare lippen sidderden.

»Dagen, lieve, welligt, wie weet het, want ik voel mij zoo zwak en afgemat."

» De dokter moet gehaald worden, nu terstond," riep Jakoba, terwijl zij opsprong en aan de schelkoord rukte, »gij moogt het niet tot morgen uitstellen!"

«Welaan, indien gij er zoozeer op gesteld zijt, ik heb er vrede meê. Het is een bemoedigend denkbeeld voor mij, dat beide onze dokter en onze dominé zoo door en door regtschapen en betrouwbaar zijn; met volkomene zekerheid durf ik mij aan hunne zorg toevertrouwen!"

Weldra was de dienstbode vertrokken, en Jakoba plaatste zich met een verligt hart aan de voeten harer tante.

«Jakoba," vervolgdo deze, »thans is het mijn pligt, u de bergplaats van mijn testament te wijzen."

«Niet van avond, niet van avondfluisterde Jakoba op angstigen toon.

»Dan, in elk geval morgen; en toch, ik gevoel het, de tijd is gekomen; morgen is in 's Heeren hand, lief kind!"

«Niet van avond," smeekte Jakoba nogmaals, 1 niet van avond. Spreek toch niet van zulke akelige dingen; het is te vreeselijk om er zelfs aan te denken."

«Arm kind!" sprak jufvrouw van Dalen bij zich zelve, «als de gedachte aan den dood u zoo pijnlijk aandoet, hoe bang zal het u dan zijn, wanneer de koning der verschrikking op eenmaal werkelijk verschijnt." Jakoba zag, dat tante hare lppen bewoog, en dacht, dat zij iets van noode had.

«Neen, lieve; ik was bezig over iets te peinzen. Laat ons nu een hoofdstuk lezen voordat de dokter komt."

Jakoba legde den ouden familie-bijbel op haar schoot, sloeg hem open, en vroeg welk hoofdstuk hare tante wenschte te lezen.

«Openbaring een en twintig; gij weet, dat is mijn lievelingshoofdstuk."

Met sterk bevende stem begon Jakoba te lezen: «En ik zag een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde;" zij was naauwelijks in staat het eerste vers ten einde te brengen. Langzamerhand echter werd haar gemoed kalmer, en nog voordat het hoofdstuk uit was, klonk hare stem weder even helder en opgeruimd als altoos.

«Waarlijk, mijn kind!" zeide tante Doortje, nadat Jakoba den Bijbel had gesloten, en zwijgend naast haar was gaan zitten! Het had ligt kunnen gebeuren, dat ook ik behoord had tot die vreesachtigen en ongeloovigen, van welke wij zoo even lazen, dat zij geen deel hebben aan het Koningrijk Gods; maar heden avond vervult slechts één denkbeeld mijne ziel: de verwachting der heerlijkheid, die aanstaande is; terwijl de

weg, dien ik daartoe heb moeten afleggen, hoe langer hoe meer in het duister der vergetelheid nederzinkt. Hoe ligt, hoe doorschijnend is de sluijer, die den Koning in al Zijne heerlijkheid nog verborgen houdt voor het oog mijner ziel; boe kort de afstand, die mij scheidt van het land, dat zeer schoon is."

Terwijl hare tante dus sprak, zat Jakoba met klimmend ongeduld te wachten op de komst van den dokter; hare verlegenheid en angst namen van oogenblik tot oogenblik toe; zij wist noch wat haar te zeggen, noch wat haar te doen stond. Jufvrouw van Dalen sluimerde op nieuw in, toen tot Jakoba's innige blijdschap, de dokter het vertrok binnentrad. Reeds begon zij zich te vleijen met de hoop, dat hare vrees ongegrond was, toen een blik op het bekommerde gelaat van den dokter haar op nieuw met angst vervulde.

«Hoe lang heeft uwe tante geslapen?" vroeg do dokter.

«Omstreeks tien minuten of een kwartier," antwoordde Jakoba.

«Niet langer?"

«Bepaald niet langer, want tot dien tijd heb ik haar voorgelezen."

«Laat een glas halen; ik heb een opwekkend middel bij mij," hernam de dokter.

Het glas werd gehaald; de dokter boog zich over jufvrouw van Dalen heen, riep haar onderscheidene malen bij haar naam, maar zonder er in te slagen haar op te wekken. //Beproef eens, wat gij kunt doen, lieve," zeide hij, zich tot Jakoba wendende, nadat al zijne pogingen vruchteloos waren gebleven.

Jakoba knielde neder en fluisterde in het oor liarer tanje : «Tante, tante Doortje!"

«Harder, kind, harder !" vermaande de dokter.

«Tante Doortje, lieve, lieve tante !" riep Ja¬

koba met wanhopende stem. Eenige minuten verliepen, eer de kranke tot bewustzijn kwam.

//Tante, liefste tante, spreek toch één woord, één enkel woord !"

De welbekende stem vond ten laatste weerklank in het lief hebbend hart der kranke; nog eenmaal al hare krachten verzamelende, rigtte zij zich op in haren stoel, strekte de handen uit en sprak met zwakke stem: «Kom digter bij, mijn engel; ik hoorde u roepen. Waar zijt gij ? Ik zie u niet."

«Hier, hier," riep Jakoba, hare armen om de zieke heenslaande. De uitgeputte stem hervatte: »Ik voel u, lieve, maar kan u niet zien; uwe stem klinkt als uit de verte. God zegene u, mijn kind!"

«Geef haar het drankje," sprak de dokter, «spoedig, voordat zij op nieuw insluimert."

Jakoba worstelde los uit de armen harer tante en slaagde er in, hoewel niet zonder moeite, haar het versterkingsmiddel te doen innemen.

«Laat mij slapen, liefste— ik ben zoo moede. Goeden nacht, mijn kind! God zegene u|!" stamelde tante Doortje, terwijl zij met gesloten oog

achterover leunde. »Goeden nacht!" Dit waren ;

hare laatste woorden.

Men voerde haar naar hare slaapka» len legde haar op haar bed; liefdevolle ange^igten wendden zich naar haar bleek ■ iaat, eu keerden zich af met tranen in d ioger< Zij wist niet, zij bemerkte niet; het e vs as nabij gekomen en geen aardbewoner k .iet haar gaan in die sombere vallei waar ha.e voeten waren geplant. Welke nachten van waakzaamheid en gebed bragt Jakoba door naast de sponde, waar haar kostelijkst goed lag uitgest in bangen doodstrijd! Hoe klopte haar boezere hij de zwakke

helaas! verijdelde hoop, dat de gesloten oogleden zich nog mogten openen, de beminde lippen nog eenmaal haren naam uitspreken zouden. Maar tante Doortje sliep door vaster en vaster, totdat geen enkel lid zich meer bewoog — totdat de rustelooze vingers zich stil nedervleiden op de helderwitte sprei — totdat het hoofd, dat de verlamde heen en weder' " ü-1;ngerd, stijf en roerloos neerlag op de bla .. •• »•... : angzaam, onzigtbaar, als eene zwoele lentekoeite, gleed de adem des doods over die stille ledematen henen, totdat de laatste vonk was uitgebluscht, en de nacht aangebroken, waaraan slechts het bazuingeklank van Gods engelen een einde maakt. Eenige minuten verliepen voordat Jakoba tot het bewustzijn kwam, dat tante Doortje's ziel hare aardsche loopbaan was ontvloden, om terug te keeren in de hand des Scheppers, zoo teeder was de gouden koord, die het ligchaam bindt, ontsnoerd. \raar toen de vreeselijke waarheid haar duideli: • werd, slaakte zij een luiden, doordringenden {?■'' en viel bewusteloos op het rustbed neder. Men ligtte haar op en b' r naar haar

eigen slaapvertrek. Mevrouw OievCOi de echt,-t prcaikant, kwam haar

en trachtte door woord en aa- haar te troosten en op to beuren. Tot zich zelve gekomen, ontbood zij eene vertrouwde dienstbode van jufvrouw van Dalen, en gaf haar een blad in handen, sinds lang door hare tante aan haar ter bewaring gegeven. Het bevatte tante's laatste schikkingen, en stortte zich aan mevrouw Grevens boezem, terwy 1 een stroom van tranen lucht gaf aan haar gefolterd hart. (Wordt vervolgd).

Sluiten