Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18fi9.

Twintigste Jaargang.

fek

N». 41.

EENE

NEDERLANDSCHE STEM

VOOR

-0"IN o 'runxn

Ps. CXVI: 10.

ISRAELS KONING, HET HOOFD DER GEMEENTE.

Vrijdag1, 8 October.

De uitgave van dit Blad, onder Eedactie van Dr. C. SCHWARTZ, geschiedt geregeld des Vrijdags van iedere week. Bijdragen, Brieven, enz., gelieve men franco te adresseren aan de Uitgevers H. DB HOOGH & O.

Het geloof is uit

Abonnementsprijs per kwartaal ƒ 1,50, franco per post ƒ 1,65. — De Prijs der Advprtpn+;a„

n i ik n i , , , , x*-^veibt!niien is van 1-

elke regel meer 15 Centen. — Groote letters worden naar dt plaatsruimte berekend

het gehoor-

Kom. X: 17.

-5 regels ƒ 1,-

Verraad.

XIV.

En men boodschapte David, zeggende: Zie de Filistijnen strijden tegen Kehila, en zij berooven de schuren. En David vraagde den Heere, zeggende: Zal ik heengaan en deze Filistijnen slaan? En de Heer zeide tot David: Ga heen, en gij zult de Filistijnen slaan en Kehila verlossen. Doch de mannen Davids zeiden tot hem: Zie, wij vreezen hier in Juda, hoe veel te meer, als wy naar Kehila tegen der Filistijnen slagorden gaan zullen I Toen vraagde David den Heejre nog verder; en de Heere antwoordde hem en zeide: Maak u op, trek af naar Kehila, want Ik geef de Filistijnen in uwe hand. Alzoo toog David en zijne mannen naar Kehila, en hy streed tegen de Filistijnen, en dreef hun vee weg, en hij sloeg onder hen een grooten slag; alzoo verloste David de inwoners van Kehila. En het geschiedde, toen Abjathar, de zoon van Achimélech, tot David vlugtte naar - Kehila, dat hy afkwam met den efod in zijne hand.

1 Sam. 23 : 1—6; 16—18; >>6—28.

Wij hebben de zonden van David niet verzwegen, ligt geteld ofverontschuldigd, ofschoon wij in hem niettegenstaande alle zijne zwakheden een der grootste helden Gods hebben erkend, die niet alleen voor de belangen en het welzijn van Israël, maar ook voor de uitbreiding van Gods koningrijk zeer veel heeft gedaan. Van de eene zijde mag men nooit uit het oog verliezen, dat voor Hem geen vleesch roemen zal, want ook de mëest gevorderde heiligtn zijn slechts onnutte dienstknechten, arme zondaren, die niet op hunne eigene werken en geregtigheid kunnen staat maken, maar zijn wat zij zijn uit en •door genade. Van de andere zijde is het zeker, dat het breed uitmeten der zonden van David, en het ligt tellen van zijne uitnemende hoedanigheden, een duidelijk bewijs, ja eene vrucht is van de vijandschap tegen Gods volk, die in de harten woont van hen, die er zich in verblijden vlekken in het gedrag der kinderen Gods te kunnen aantoonen, en aldus hun eigen ongeloof te bedekken en te verontschuldigen. Voorts indien David een Oostersch koning, gelijk zoo vele anderen ware geweest, wie zoude hem dan hebben gewraakt? Dat men hem zoo hard valt en veroordeelt, bewijst genoegzaam, dat hij niet een wereldlijk vorst was, en dat men — ik loochen het niet — teregt meer verwacht en zijne handelingen met een gansch anderen maatstaf meet. Maar daarmede veroordeelen zijne veroordeelaars zich zeiven; want zij bekennen hiermede, dat de genade eene groote verandering tot stand brengt, en dat zij die bekennen in den geloove te staan, eene gansch andere kracht bezitten, en een gansch ander leven behooren te leiden. Indien deze dingen alzoo zijn, waarom blijft

gij, onbarmhartige veroordeelaars, volharden in het ongeloof? Waarom vergenoegt gij ulieden met zijne zonden getrouwelijk

aan te wijzen en zijn gedrag onbarmhartiglijk te berispen?

In het drie en twintigste hoofdstuk woiden verschillende omstandigheden uit het leven van David beschreven, die zeer pijnlijk en moeijelijk zijn. Kenden wij al de bijzondeiheden, dan zouden wij zeer zeker een aandoenlijk verhaal vernemen van allerlei ontberingen en teleurstellingen, van zware beproevingen en smartelijke ervaringen, van groote gevaren en wonderbare uitreddingen, van angstig wachten en heerlijk overwinnen. In de holen, die ook nu nog voor menig balling tot schuilplaats dienen, vonden David en zijne mannen een toevlugtsoord, en op allerlei wijzen trachtten zij zich te beveiligen voor vervolgingen en in hunne dagelij ksche behoefte te voorzien. De herten op de bergen en de duiven en de patrijzen gaven hun voedsel,, en het beschermen der kudden van hunne geburen gaf hun veel werk. Zij deden een eerlijk werk en leefden niet als vrijbuiters, maar als eerlijke mannen, die trachtten door den arbeid hunner handen en door onvermoeid waken over de bedreigde kudden in hun onderhoud te voorzien.

De toestand van Davids gemoed kan men gemakkelijk uit zijn gedrag jegens de inwoners van Kehila opmaken. Hij had bij wijze van een gerucht gehoord, dat de Filistijnen tegen Kehila waren opgetogen en de schuren beroofden. Plegtig vroeg hij aan den Heer, of hij heengaan zou en de Filistijnen slaan? En voorzeker was het geene geringe zaak, de Filistijnen, die magtige en gevaarlijke vijanden waren, aan te vallen en hun haat tegen zich op te wekken, nu David reeds van zijne eigene volksgenooten werd gehaat en vervolgd. Het is niet onwaarschijnlijk, dat zijne volgelingen hem het gevaarlijke van een aanval op de Filistijnen onder het oog bragten, en hem herinnerden aan al de ongeregtigheden, die Saul en zijne knechten hem hadden aangedaan, zoodat de bewoners van Kehila voorzeker geene aanspraak hadden op zijne hulp, die voor hem zeer gevaarlijk kon worden. Tegenover deze menschelijke redeneringen plaatstte David den wil van God; hij wenschte slechts te weten wat God van hem eischte, en aan dien eisch te voldoen was zijne begeerte en behoefte. Zoodra hij wist wat God van hem eischte, aarzelde hij geen oogenblik langer. In 's Heeren voorzienigheid was Abjathar, de overgeblevene van de door Saul te Nob wreedelijk

vermoorde priesters, met den Ef'od tot David afgekomen, en het is niet onwaarschijnlijk, dat David, die later zooveel voor's Heeren dienst in den tempel heeft gedaan, ook nu eene bijzondere plaats voor den Efod had bestemd. Hoe dit ook moge zijn, de Efod is eene voorafschaduwing van de groote en troostrijke waarheid, dat des Heeren raad en hulp in het uur van gevaar nabij zijn.

Nadat David zich van 's Heeren raad had vergewist, was wel zijne onrust ten einde, maar niet zijne moeijelijkheden; want de vier honderd mannen, die het met hem moesten uitvoeren, waren van een gansch anderen geest. Maar nu is het voor een aanvoerder niet voldoende te beslissen, hij moet tevens uitvoeren wat hij heeft besloten , vooral vanneer hij overtuigd is, dat hetgeen hij heeft besloten overeenkomt met den wil van God. Zij die vleeschelijk zijn, redeneren naaiden mensch, en hij die geestelijk is, naaiden zin en den wil van God. Zonder twijfel heeft David een plegtig beroep op hun gevoel als Israëlitische mannen gedaan, en hun aangetoond, dat hunne eigene en eenige veiligheid bestond in het volgen van Gods wil, en daarna is hij met zijne mannen onversaagd in den strijd getrokken, en heeft hij in de mogendheden Gods eene schitterende overwinning behaald.

Het is waar, David heeft eene bijzondere, regtstreeksche openbaring ontvangen, doch ook wij kunnen in gemoede verzekerd worden van 's Heeren bedoelingen omtrent ons, zoo wij ons opregtelijk en zonder voorbehoud aan 's Heeren leiding overgeven; want ook nn nog is de Heer het Licht en de Leidsman der Zijnen, en Hij, die David een antwoord gaf in de ure der benaauwdheid, zal ook ons Zijnen bijstand niet onthouden, mits wij Hem van ganscber harte vertrouwen.

David verlost Kehila op 's Heeren bevel en volgens 's Heeren belofte, en toch — hoe wonderlijk zijn 's Heeren wegen — juist daardoor scheen hij in zeer groot gevaar gebragt, en in de netten van de onvermoeide tegenstanders verstrikt te worden. Hij is op nieuw van gevaar omringd, maar hij heeft ook nu weder dezelfde uitkomst. Hij vraagt den Heer wat hem te doen staat, en Hij, die getrouw is, verlaat ook hem, Zijn dienstknecht niet, en geeft hem die aanwijzing, waaraan hij behoefte heeft. En David is in dien tijd slechts van ééne behoefte vervuld: Gods wil te kennen en te doen. Een zachtmoedige geest bestiert

hem; volkomene ondergeschiktheid aan Gods

wil, en eene opregte begeerte om eenvoudig te doen wat zijn God van hem eischt. De vijf en twintigste Psalm ademt dien geest, en enkele verzen, voöral het tiende, twaalfde en veertiende, zijn geheel en al de uitdrukking van die behoefte naar het weten en het doen van Gods wil. Daarin spiegelt zich af een gevoel van zwakheid en kracht tevens, een gevoel van zonde, van ondervinding van genade, van afhankelijkheid van en vertrouwen op den Heer. Het is de bekentenis van eene ziel, die leiding behoeft en begeert, maar die dan ook gereed is om zich aan die leiding geheel over te geven, en daaraan onbepaaldelijk te gehoorzamen. De weg moge naauw en steil zijn, maar het is des Heeren weg, en daarom is hij gerust en veilig die hem bewandelt; hij wordt nooit beschaamd.

David vlugt uit Kehila en vindt eene schuilplaats in de woestijn van Zif. Bij die gelegenheid ondervond hij van de eene zijde blijken van de grootste edelmoedigheid en van de andere zijde van de grootste nietswaardigheid. Tusschen het voorgenomen verraad der mannen van Kehila en het wezenlijk ten uitvoer gebragte der mannen van Zif, staan de ontmoeting en de woorden van Jonathan, die hem zekerlijk als een liefelijke dauw, als een bijzonder blijk van Gods genade verkwikten. Deze ontmoeting was in elk geval er op aangelegd, om Davids ziel voor wanhoop te bewaren , hem met nieuwe kracht te vervullen en hem alzoo geschikt te maken tot het voleindigen van de hem toebetrouwde taak. Jonathan vergezelde zeer zeker niet de bende, die tot het vervolgen van David door Saul zijn vader werd afgezonden; evenwel verlangde zijn hart zeer naar eene ontmoeting met den beminden vriend. Brieven en boodschappen waren in die dagen zeldzaam en buitendien van weinig beteekenis en zeer gevaarlijk, daar zij lig£elijk den jaloerschen koning in handen konden vallen. Daarvoor wacht zich Jonathan, en bezoekt zijn vriend in de «stilte. Het was hunne laatste ontmoeting op aarde , en zij Was van het hoogste belang voor beiden. De edelmoedige Jonathan gaat tot David, wordt ons gezegd, hij versterkt zijne hand in God, en hij bevestigt hem in het geloof aan de onwankelbare beloften Gods.

Het doet ons goed de taal des geloofs van Jonathan, den kroonprins, te

vernemen. »Vrees niet," roept hij David, a ing toe, »want de hand van Saul, mijnen vader, zal u niet vinden." Hij weet at David tot koning is bestemd, en dat hij ce plaats, die hem, Jonathan, naar den mensch gesproken, toekomt, door God aan David is gegeven; maar met blijmoedigheid beiust hij er in, en met een gerust en vreugdevol hart gedenkt hij aan de dagen, die zij. met elkander zullen mogen doorbrengen. Hij is volkomen tevreden de tweede te zijn, want hij zoekt niet zichzelven, noch eigen eer, maar wil eenvoudig doen en zijn, wat hij naai Gods wil moet doen en mag zijn. Giooter zelfverloochening en opregter bereidvaaidigheid, om in alles den Heer de eer te ge\en , werd nooit aanschouwd, zelfs in het boek der woorden Gods.

David en Jonathan zouden niet naast elkandei staan; de liefelijke begeerte van den edelen prins is nooit vervuld want hij bezweek als held op Gilboas heuvelen, voordat David den troon van Israël beklom; en zekerlijk was het goed dat hem daardoor menige beproeving werd bespaard, en hij nu als een der edelste helden des geloofs sneuvelde, en de vriendschap die hij David bewees, is de teederste die deze aarde immer heeft gezien, en in het boek van God staat opgeteekend.

David en Jonathan vernieuwen hun verbond. Jonathan brengt offers, zoo als geen ander immer heeft gedaan, en David belooft veel; .maar beloften zijn vergelijkenderwijs slechts kleine offers; doch de beloften werden op zijnen tijd volkomen vervuld. Ik kan naauwelijks van Jonathan en zijn edel gedrag scheiden; want het is zoo goed iemand te zien, die eerlijk Gods wil wenscht te kennen, en die den wil van God zoo eerlijk aanvaart en zich zoo blijmoedig daaraan onderwerpt. Er is veel genade noodig, zoo iemand alles ter zijde zal stellen, om niets te willen wezen en niets te willen aannemen dan 's Heeren wil en beschikking.

Zoo het niet al te stout is, zoude ik het woord van Jonathan tot David met dat van

den moordenaar aan het kruis tot Jezus willen vergelijken. Gij begrijpt gemakkelijk, dat ik de edele geloofsheld niet vergelijken wil bij den armen, ofschoon rijk begenadigden misdadiger; maar dit alleen wensch ik te doen ! uitkomen, dat David op het oogenblik van het verraad der mannen van Zif geheel verlaten was, en verraden van degenen die hij goed had gedaan. Hij voelde zich verlaten

Licht en duisternis.

Vervolg.

Een zelfde denkbeeld lag ten grond aan al deze verhalen van de vlekkeloozo volmaaktheid der Bijbelsche personen. Het motief verdiende lof; maar welk eene jammerlijke vei'draaijing en verminking van de schoon e vertellingen des Ouden Verbonds, zoo kinderlijk eenvoudig en te gelijk zoo goddelijk verheven! Er is eene zekere vroomheid, die al wat zij aanraakt, ontwijdt en ontadelt.

Al deze mannen der oude bedeling, zoo menschelijk en zoo waar, die mij als liet ware den spiegel voorhielden mijner eigene verwachtingen, worstelingen, tekortkomingen en misstappen, verloren hunne belangrijkheid voor mij, even als het gewijde geschiedverhaal zelf, nu ik zijn karakter herschapen zag in eene reusachtige gelijkenis van Samuel, breed, vleezig, met ontzaggelijke gedenkcedels op het voorhoofd, en alleronbehagelijkst in manieren en spraak; allen naar een zelfde model geboetseerd, allen even afstootend en eigengeregtig. Doch er was meer. Ik bemerkte spoedig, dat Samuel niet alleen een nationaal vooroordeel tegen de Heidenen koesterde, maar dat hij Leon een onverzoenlijken haat toedroeg, die, ofschoon ik zijne onmagt kende, mij bijna bevreesd maakte.

Ik had mooi praten, zeide hij, alle Heidenen verachten de Joden, en in onze tegenwoordige vernedering konden wij ons slechts wreken door een haat, die gunstiger gelegenheid verbeidde. Hij doorzag Leon; het zou hem niet verwonderen, zoo hunne wegen zich vroeger of lateikruisten; dan mogt hij zich wèl in acht nemen, die vervloekte Heiden.

Ons gesprek had hoogstwaarschijnlijk tot een

vredebreuk geleid, zoo de terugkomst van Leon er geen einde aan had gemaakt. Samuel begaf zich naar zijne tent. Ik voelde mij zoo ontstemd en geërgerd, dat ik slechts weinig acht gaf op hetgeen Leon mij verhaalde. Dus had Samuel eeno tweede schaduw op mijn pad geworpen.

Onze naaste togt was naar Ostracine. Overal monumenten van een grootsch verleden! Op korten afstand van Curione bereikten wij het meer Sirbories, dat eenmaal door een kanaal mot de zee verbonden was, en toen over zijne geheele lengte, meer dan dertig mijlen, vol water stond. Het was nu bedekt met drijfzand uit het zuiden, zoodat het bijna niet te onderscheiden was van het vaste land. Het werd ons thans duidelijk, hoe, drie eeuwen geleden, op hun snellen terugtogt en zonder betrouwbare gidsen, zoovele krijgsknechten van den koning Ochus in deze wateren hun graf hadden gevonden. Met de grootste behoedzaamheid trokken wij voort, en waren spoedig buiten gevaar, in de schoon gelegene oase van Larisch. Tw.ee uren na zonsopgang bereikten wij Ostracine.

De volgende dag bragt ons naar Rhinokorura. De naam deed ons denken aan het zonderlinge verhaal van Aktisanus, den Aethiopischen koning van Egypte, die deze plaats bevolkt had met Egyptische struikroovers, wier neuzen hij tot bestraffing hunner misdaden had afgehouwen. Wij waren thans in het land der kwakkelen en zagen ze in groote scharen opvliegen , schijnbaar voortgedreven door den wind. Dit deed mij denken aan onze vaderen in de woestijn. Hoe konde ik hen vergeten! Rhinokorura behoort volgens sommigen tot Egypte , volgeus anderen tot Palestina. Het hangt er van af, welken naam de bergstroom verdient

te dragen , 's zomers droog, maar thans bruisend en klotsend, aan welks oever wij stonden. Lang staarden wij in de schuimende wateren, met zooveel ernst en belangstelling,-alsof hun gegolf een antwoord kon geven op deze vraag: Is dit de rivier van Egypte. Door mijn nationaal gevoel medegesleept, ontken ik zijn regt op die benaming. Samuel en zelfs Leon zijn van een tegenovergesteld gevoelen. Samuel beroept zich triomfantelijk op de overzetting der zeventig, waar Jesaja's zinspeling op de rivier van Egypte (XXVII: 12) wordt teruggegeven door Rhinokorura. Ik ontken het gezag der zeventig, en staaf mijne bewering met eene menigte voorbeelden, beroep mij op de aan Abraham (Gen. XV : 11) gegeven e belofte en toon aan, hoe de westelijke grenslijn zich in dezelfde rigting beweegt als die van den Eufraat in het oosten. Leon komt mij natuurlijk aan boord met zijn goliefkoosden Harodotus, die het moer Sirbonis, het oosteinde wel te verstaan, beschrijft als de grens tusschen Syrië en Egypte. Ik wederleg hem door ouder en beter getuigenis, een opschrift, dertienhonderd jaren oud, in den grooten tempel van Karnak, waar niet de bergstroom, maar de oostelijkste takken van den Nijl als grensljjn worden aangemerkt.

't Zij ik gelijk had, 't zij niet, ik heb dit opgeteekend, omdat ik voelde, dat de gedachten, welke onze reis door de woestijn bij mij opwekten , mij weder meer nationaal, zoo niet meer godsdienstig, joodsch begonnen te maken. Weldra zouden beiden op de proef gesteld worden. De opinie van Leon was mij te veel waard, om onverschillig te blijven volharden in de valsche positie, waarin ik mij scheen te bevinden. De dubbelzinnige rol, welke ik tot dusver had moeten

spelen, vernederde mij en vergalde mijn genoegen. Ik was een. pelgrim naar het Heilige Land, en tegelijk afkeerig van onze godsdienst, in elk geval van Samuel, terwijl ik sympathie gevoelde voor Leon. Ofschoon ik geene redenen had mij zeiven van onopregtheid te beschuldigen, was ik verward geraakt in een strik, waaruit ik niet konde ontkomen, vooral omdat ik, opregt gesproken , niet regt wist wat ik wenschte en geloofde.

Het laatste station vóór Gaza was Raphia. Deze stad was belangrijk als de kampplaats, twee honderd jaar geleden, tusschen Ptolemaeus en Antiochie, een strijd waardoor niet alleen die veldtogt, maar ook het lot van Palestina beslist werd, dat daardoor onder de heerschappij van Egypte kwam. Hiermede stond het zonderlinge verhaal in verband, hoe de zegevierende vorst gepoogd had binnen te dringen in den tempel te Jeruzalem; hoe hij, naar Alexandrie teruggekeerd, wraak had willen oefenen op onze landgenooten voor de verijdeling van zijn godonteerend pogen, maar door eene reeks van wonderdadige tusschenkomsten verhinderd werd. Dat eene ware gebeurtenis aan dit verhaal ten grondslag ligt, lijdt geen twijfel; de gedachtenis er van wordt bewaard en in stand gehouden door een eerezuil en synagoge te Ptolemais en door een jaarlijks wederkeerend feest.

Maar Samuel, tot mijne niet geringe ergernis, vond goed het op te smukken met al die lachverwekkende bijzonderheden, waarmede het verhaald wordt in het Derde Boek der Makkabeën, dat onlangs te Alexandrië in omloop is gekomen , en hoogstwaarschijnlijk om de welverdiende populariteit zijner beide voorgangers, de goedkeuring van het publiek verschuldigd is.

Maar dit zijn kleinigheden. Wij bevinden

ons ^ thans te Raphia, en morgen moet ik afscheid nemen van Leon, want mijn weg voerde van Gaza direct naar Hebron, terwijl hij met de karavaan moest mede trekken. Onze tent stond buiten de kleine, woelige stad. De dag verliep als gewoonlijk. Maar te vergeefs trachtte ik, na den maaltijd, den slaap te vatten. Eindelijk stond ik op en zocht Leon. Het was een schoone avond en warm voor het saisoen. De donkerblaauwe lucht was bezaaid met sterren, die een helder maar onzeker licht gaven. In de nabijheid lag de kleine stad, en in de verte hoorde ik het geruisch der golven op de zandige kust. Leon scheen mij verwacht te hebben. Zijne ontvangst was hartelijk, maar niet zonder een zweem van stroefheid. Hij legde zijne hand iit de mijne, zag mij doordringend aan, en vroeg:

//Zeg mij, Markus, gelooft gij dit alles!"

//Wat bedoelt ge?" antwoordde ik, ontwijkend.

,,Alles wat Samuel zegt en is."

„lSieen, neen!" viel ik, half lagchend, in de rede, „ik geloof niet wat Samuel zegt en de hemel beware mij er Voor ooit of immer te gelooven in wat hij is, want dan zou ik mijn geloof in de menschelijke natuur evenzeer moeten opgeven."

„Maar hij is een vrome Jood, een opregte volgeling van uwe Rabbijnen. De verhalen welke hij opdischt. de verwachtingen die hij koestert en de gebruiken die hij in acht neemt, ja zijne onverdraagzaamheid, zijn haat tegen alles wat niet joodsch is, wat niet denkt en voelt zoo als hij, dit alles wordt door uwe priesters en schriftgeleerden onderwezen en aangekweekt! En is dit, Markus, is dit de godsdienst welke gij belijdt?" Wordt vervolgd.

11 -m-r n i "i r\ t~i "Ti x i t\Ï i \ n n i T T71 o m "1 w

Sluiten